Repo: Emirdağ worstelt met migratie naar Brussel

© Steven Van Garsse

De migratie uit Emirdağ naar België die in 1964 op gang kwam, laat vijftig jaar later de thuisblijvers met een wrang gevoel achter, merkte Brussel Deze Week ter plaatse. “Laat ze maar vlug terugkomen.”

W ie door de Turkse wijken van Sint-Joost-ten-Node of Schaarbeek wandelt, kan er moeilijk naast kijken. Emirdağ is prominent in het straatbeeld aanwezig. Er zijn kruidenierszaken naar genoemd en theehuizen. Snacks pakken uit met hun enige echte Emirdağ köfte. De verwijzing naar Emirdağ is er niet zonder reden.

Sinds 1964 trekken uit dit bergstadje in het hart van Anatolië Turkse migranten naar België om er in de mijnen, voor de Brusselse metro of in de bouw te komen werken.
Vijftig jaar later gaat die migratie, via familiehereniging, ongehinderd door. In de zomermaanden worden in Emirdağ en omstreken honderden huwelijken voltrokken. Vaak is dat met partners uit Europa en migreert het koppel naderhand naar België, Nederland of Duitsland.

Maar hoe kijkt Emirdağ aan tegen die vijftig jaar migratie? En is Brussel even aanwezig in Emirdağ, als Emirdağ dat is in Sint-Joost en Schaarbeek? Brussel Deze Week ging ter plaatse kijken. We namen de route die de meeste Brusselse Turken nemen. Met het vliegtuig naar de grote stad Eskişehir, waar je midden in de nacht aankomt en de dag erop met een luxebus naar Emirdağ reist. In Zaventem viel al op hoe tastbaar de migratie is. Tientallen gepensioneerde Turken wachten op het vliegtuig, maar ook stokoude Turkse vrouwen in een rolstoel maken er hun opwachting om naar hun geboorteland terug te keren, nu de koude winter in de Turkse bergen is afgelopen.

Tweede vaderland
Voor we naar Emirdağ gaan, ontmoeten we in Eskişehir de historicus Ahmet Urfalı, auteur van een vuistdik standaardwerk over Emirdağ, en vragen we hoe hij tegen de migratie aankijkt.

Volgens Urfalı kan de band tussen Emirdağ en Brussel, en bij uitbreiding heel Europa, niet onderschat worden. “Er zijn 320.000 Emirdağli,” rekent hij voor. “Een kleine helft is naar de grootstad getrokken (Eskişehir) en de andere kleine helft leeft in de diaspora, veelal in Brussel en Gent. De rest is in Emirdağ gebleven. Die bereidheid om te migreren is niet zo vreemd. Het volk van Emirdağ is een volk van migranten. 350 jaar geleden kwam het immers uit Turkistan in Emirdağ aan.”

“De migratie heeft een economisch effect zonder weerga gehad op Emirdağ. De levensstandaard is er sinds de migratie enorm op vooruitgegaan. Daarom zeg ik: de band tussen Emirdağ en Brussel is een symbool voor de vrede in de wereld. Brussel is als een tweede vaderland voor de mensen van Emirdağ.”

Volgens Urfalı is het zelfs koning Leopold II geweest die de eerste contacten tussen Turken en Belgen heeft bewerkstelligd.

Of Urfalı ook een negatieve impact ziet van de emigratie? “Ja,” zegt hij. “Het verlies van de culture identiteit bij de mensen van Emirdağ. Maar dat kunnen we de Belgen zeker niet aanwrijven. Dat is onze fout.”

Grijze wolf
We waren naar Emirdağ getrokken om na te gaan hoe sterk Brussel er aanwezig is. Dat blijkt aardig tegen te vallen. In Emirdağ is een klein winkeltje dat zich Bruksel Tekel heeft genoemd (Brussel shop), een café heet Bürüksel AB (Brussel EU), maar veel meer valt er van Brussel niet te zien.

We gaan op zoek naar een monument dat aan de vijftig jaar Belgo-Turkse migratie herinnert, maar ook daar krijgen we nul op het rekest. Haarlem, die andere stad met een sterke migratie uit Emirdağ, heeft wel een vriendschapsparkje aangelegd, maar dat ligt er vandaag niet zo goed bij.

De verklaring voor het ontbreken van een herinneringsmonument is niet zo ver te zoeken. Bij de lokale overheid overheerst, in contrast met wat de historicus vertelt, een gevoel van ontgoocheling, of zelfs afwijzing, nu vijftig jaar nadat de migratie op gang kwam.

We ontmoeten burgemeester van Emirdağ Uğur Serdar Kargın. Hij is bouwkundig ingenieur en enkele weken geleden verkozen tot hoofd van de municipaliteit. Hij is lid van de MKP, de partij van de extreemrechtse grijze wolven, een nationalist met pan-Turkse denkbeelden.

Het is zondag maar hij is aan het werk. Een aantal oude panden van de gemeente worden met de grond gelijk gemaakt. Kargın haalt een papiertje uit zijn vestzak en toont wat hij er als burgemeester van wil maken: een parkje dat vanuit de lucht gezien de vorm heeft van een Turkse vlag.

Verder komen er nog sociale woningen, een aquapark en andere sociale voorzieningen. De fondsen heeft hij er niet voor. Emirdağ zit diep in de schulden. Hij hoopt op mecenaat en vrijwillige giften, en op winst uit ecologische investeringen.

De nationalist kan over vijftig jaar migratie niet veel positiefs kwijt. “De migratie heeft de Turken lui gemaakt,” zegt Kargın. “De migranten hebben gekozen voor het snelle geld. Daardoor zijn ze hun talenten kwijtgespeeld. Kijk naar mij: ik ben ingenieur kunnen worden, en heb mijn eigen marmerbedrijf. Was ik naar Brussel verhuisd, dan was ik hoogstens baas geworden van een schoonmaakbedrijfje. De migratie naar Europa heeft ons volk afgeremd in zijn ontwikkeling.” En dan, niet zonder overdrijven: “Zonder Europa waren de Turken in staat om naar de ruimte te reizen.”

Kargın gelooft ook niet dat Europa het nog lang zal uitzingen. “De crisis in Europa zegt genoeg. Op middellange termijn gaat de EU de dieperik in en nemen andere landen revanche op de jarenlange kolonisatie. Je zal nog zien hoe Belgen zullen moeten gaan werken in Congo.”
Kargın heeft dan ook maar één boodschap aan de Turkse migranten: kom zo snel mogelijk terug.

Meer sérieux
Een gelijkaardig verhaal, maar iets opgepoetst en met meer sérieux, valt te horen bij een hoge functionaris van de provincie in Emirdağ. Turgut Karakış is directeur Onderwijs. Hij ziet hoe op vijftig jaar tijd de scholen volledig zijn leeggelopen. “We hebben de laatste decennia zeventig schooltjes moeten sluiten in en rond Emirdağ. Oorzaak? De emigratie. In 1964 waren we met 40.000 in Emirdağ, vandaag is dat minder dan de helft.” De ironie van dit verhaal is dat de scholen in Brussel intussen uitpuilen, mede door de migranten.
Toch gelooft ook Karakış dat een terugkeerverhaal mogelijk is. Ergens ten lande is het ministerie een verlaten school aan het renoveren, zodat ze opnieuw open kan. Intussen moet het ministerie zich behelpen met een busdienst om kinderen uit dorpen zonder school toch onderwijs te gunnen.

We bezoeken een leegstaand vervallen schooltje in Ağilçik, op een boogscheut van Emirdağ. Het is intriest. Niet alleen de school is verlaten. Ağilçik lijkt in zijn geheel wel een spookdorp.
Even later bezoeken we een school die wél blaakt van gezondheid en met honderden spelende, geüniformeerde kinderen.
Maar om die kinderen na hun achttiende in Emirdağ te houden? Karakış: “Dat is een ander negatief effect van de migratie. Jongeren verkiezen om naar Europa te gaan, in plaats van hier te studeren en een stevig diploma te behalen. Ze verkiezen de luie zetel in Europa, of worden werkloos. Dat strookt niet met de Turkse waarden. Wij zijn een volk van werkers.”

“De migratie betekent verder een verlies van waarden,” gaat Karakış verder. “Het aantal scheidingen is fel gestegen, het studieniveau is gezakt en de Turkse migranten komen in Brussel veel meer in contact met drugs en alcohol. Waren ze hier gebleven, dan stond de familiale structuur garant voor stabiliteit. Nu zijn er mannen die met vrouwen trouwen die de leeftijd hebben van hun eigen moeder. En dat alleen maar om in België te kunnen raken.”

Bergdorpen
Niet iedereen heeft de weg naar Brussel gevonden. Sommigen zijn in Emirdağ of een van de tachtig omliggende dorpjes gebleven. We ontmoeten Ali in het bergdorpje Çattalı. Hij is geitenboer. In de winter gaat hij ‘s ochtends naar boven met zijn kudde, en keert hij ‘s avonds terug. In de zomer blijft hij in de bergen slapen. Zijn dieren moet hij met een geweer tegen wolven beschermen. Hij legt het verschil uit tussen het hoeden van geiten en van schapen, hoe hij de graasplekken kiest en wat de verkoop opbrengt op de markt. Hij ziet er helemaal gelukkig uit.

We rijden verder door het dorre berglandschap. In de verte ligt sneeuw. We zien een vos, wilde paarden, een slangenarend, tapuiten, een schildpad. De natuur mag er dan al onguur uitzien, de landschappen zijn prachtig. Elke twee à drie kilometer ontmoeten we nieuwe herders met schapen, of geiten. Er zijn dertig herders, alleen al in deze vallei. Telkens met kuddes van wel 500 schapen of geiten.

Later zullen we op de beestenmarkt van Emirdağ zien hoe er tot 300 euro per dier wordt geboden en hoe de dieren tot in Istanbul worden verkocht. De economie in Emirdağ drijft nog altijd voornamelijk op landbouw. En het leven is er primitief en ruraal.

En toch is de kans altijd groot dat de herderszoon, of -dochter, op zijn twintigste naar Brussel verhuist, om er een westers leven te gaan leiden. De aanpassingen moeten enorm zijn. Niet alleen moet er Frans of Nederlands geleerd worden, hij of zij komt ook van een boerenleven plots terecht in een welvarende Westerse stad.

We ontmoeten Ilhan bij de plaatselijke schoenlapper. Ilhan heeft zes jaar in de Philomènestraat in Schaarbeek gewoond, maar zijn verloving leidde niet tot een huwelijk en hij keerde terug naar Emirdağ. Rouwig is hij er niet om. Hij werkt hier nu in de transport. “Ik voelde me in Brussel geïsoleerd. Uitgesloten. Ik spreek de taal niet. En dan was er nog de stress. Van de stad, van het werk. Hier heb ik geen verplichtingen. Los daarvan vond ik Brussel wel een mooie stad, maar je moet het systeem doorhebben. Als dat lukt, is het makkelijk om in Brussel te leven.”

Riante villa’s
Wat opvalt is hoe de migratie voor een gigantische sprong zorgt op de sociale ladder. Wie in Emirdağ blijft, blijft voornamelijk aan de slag in de landbouw. Wie verhuist krijgt kinderen die (soms) naar de universiteit gaan, maar in ieder geval erg rijk kunnen worden. Dat mag blijken uit de riante villa’s die Belgische Turken er voor zichzelf bouwen en waar we er één van bezoeken. Marmer overal, piekfijn geverfd en gestuukt, drie badkamers, en dure meubels onder een laken verstopt.

Want dat is ook de andere kant van het migratie-verhaal. De huizen staan elf van de twaalf maanden leeg. Veel Turken komen alleen in de vakantiemaanden naar Emirdağ. En dan nog verblijven ze liever in de naburige stad Eskişehir of aan de kust. Karakış, de provincie-functionaris, citeert waanzinnige cijfers. Vandaag zijn er volgens hem 60.000 woningen in Emirdağ, waarvan er 50.000 het grootste deel van het jaar leeg staan.

Ook de omliggende dorpen ogen leeg. Bijvoorbeeld Karacalar, het dorp waar de Schaarbeekse FDF-schepen Sait Köse van afkomstig is, en waar we met de wagen naartoe rijden.

De familie Köse heeft er een groot sportcomplex gebouwd aan het begin van het dorp. Overal staan chique villa’s, maar er is geen hond te bespeuren. Het parkje, dat lichtjes staat te vervallen, is gesloten. Uiteindelijk treffen we drie oudjes op een bank. Alle drie hebben ze kinderen of schoonfamilie in Brussel of in Gent.

In het dorp is ook een machtige sjiitisch broederschap aanwezig met een mooi betegelde moskee. Binnen liggen in een rood getapisseerde ruimte de drie graven van de leiders van deze Alevitische gemeenschap. Buiten zijn nog meer graven. Zelfs hier is, voor wie het weet, Brussel aanwezig. Het zijn de voorouders van de stichter van het bekende Turkse restaurant Şahbaz op de Haachtsesteenweg.

Terugkeer
Vraag is of er ook Turken zijn die gepokt en gemazeld zijn in Europa en desondanks definitief terugkeren naar het land van hun voorouders. De vraag is niet onzinnig. In Duitsland is er sprake is van een tendens van ‘remigratie’. Turkije doet het economisch immers helemaal niet zo slecht. Uit onderzoek van de Universiteit Antwerpen blijkt dat de remigratie uit België dan weer eerder bescheiden is, en als ze toch voorkomt, draait ze vaak uit op een mislukking.

We ontmoeten in het riante park van de stad Eskişehir Zeki Ermiş, een arts die in Duitsland, niet ver van de Belgische grens, oftalmoloog was, maar nu in een chique privéziekenhuis oogoperaties uitvoert voor (rijke) Turken uit de migratielanden. “Ik was in Düren oogarts maar ben blij dat ik in Turkije aan de slag kan. Duitsers zijn toch nog altijd een beetje ‘Heil Hitler’, weet je wel. Ik voelde me in Duitsland een vreemdeling. Hier in Turkije voel ik me thuis.”

Ermiş gelooft evenwel dat migratie altijd zal blijven bestaan: “Zeker zolang het loon in Turkije niet hetzelfde is als in een Europees land. Ik verdien hier meer dan in Duitsland, maar ik ben een echte uitzondering.”

Dat remigratie ook zijn problemen kent, wordt bevestigd door journalisten van de internetkrant Esgazete waarmee we praten. Het is geen uitzondering dat jongeren met een universitair diploma in Eskişehir aan de slag zijn als citroenverkoper op straat. De sociale zekerheid in Turkije staat op een laag pitje, leefloon of werkloosheidsuitkering bestaat niet.

Garagist
Vele terugkeerders wagen zich dan ook een kans in de zakenwereld. Tientallen Belgo-Turken hebben een bouwbedrijfje in Eskişehir. Er wordt duchtig gebouwd. Elk jaar komen er tienduizend mensen bij in deze stad van 700.000 inwoners (zie hiernaast). Vreemd genoeg is ook onderwijs er big business. We bezoeken de wijk in Eskişehir waar het bulkt van de Dershanesi, privéscholen die jongeren voorbereiden op het ingangsexamen voor de universiteit. Buiten hangen groot zeildoeken met namen van jongeren die geslaagd zijn voor deze of gene universiteit. De concurrentie tussen de privéscholen is bikkelhard.

Basri Sönmez was garagist in de Trooststraat in Sint-Joost maar zijn zaak ging overkop. Hij legde zijn overall af en draagt nu een chique kostuum. Hij is nu een van de schooldirecteuren in Eskişehir. Toch loopt het niet van een leien dakje. “Ik moet minstens 500 leerlingen hebben om rendabel te zijn. Leraren worden weggekocht, en ook hier moet ik voldoen aan de normen, en belastingen betalen.”

En in Emirdağ? We ontmoeten Ridvan Kavak. Hij is een jonge twintiger, ooit nog finalist van Top Model Belgium. Hij excuseert zich voor zijn slechte Frans (dat uitstekend blijkt mee te vallen). “Ik ben het Frans verleerd. Ik woon al drie jaar in Emirdağ.” Ridvan is geboren en getogen Sint-Joostenaar. Maar zijn parcours is zoals dat van vele migrantenkinderen. Hij heeft zijn school niet afgemaakt, raakte niet aan een baan. Hij is nu definitief naar Emirdağ verhuisd. Hier leidt hij een prinsenleven. Hij is directeur van een resort net buiten de stad, met een enorm overdekt voetbalveld, een aquapark, afgezoomd door frisgroene grasveldjes en twee luxueuze gebouwen, waar de familie Kavak resideert als ze niet in Brussel zijn.

Want de familie Kavak heeft goed geboerd in Sint-Joost. De broers Kavak hadden jarenlang een kruidenierszaak aan de Leuvensesteenweg, en nog wat handeltjes her en der.
Ook in Emirdağ doet de familie Kavak aan ‘differentiatie’. Zo baat Ridvan er in de zomermaanden een friterie uit waar de Belgische Turken massaal naartoe trekken. “We serveren espresso-koffie (moeilijk te vinden in Turkije, SVG) en frieten met Belgische saus,” zegt Ridvan. “De Turken uit Brussel zijn er verlekkerd op.”

En er is meer. De snack kreeg de naam Bilo, de naam van een legendarische friterie in de Grensstraat in Sint-Joost, uitgebaat door een... Vietnamees, maar bij de Brusselse Turken een naam als een klok. En zo laat Brussel dan toch zijn sporen na in Emirdağ.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds voor Journalistiek van de federatie Wallonie-Bruxelles. Met dank aan journalist Mehmet Köksal.

Steven Van Garsse over zijn Turkijerepo: 'Braindrain naar Brussel'

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees meer over
Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?