Scheutist Marcel Mathys: 'Congolezen zijn fantastische mensen'

Het missiehuis van Scheut aan de Ninoofsesteenweg in Anderlecht in 2010: Marcel Mathys en collega's samen aan tafel
© Saskia Vanderstichele
| Het missiehuis van Scheut aan de Ninoofsesteenweg in Anderlecht in 2010: Marcel Mathys (derde van links) en collega's samen aan tafel.

Hij begon zijn carrière in 1947 in een filiaal van de Bank Brussel Lambert en beëindigde ze als scheutist aan de universiteit van Kananga. Broeder Marcel Mathys heeft karrenvrachten verhalen over 'zijn' Congo. We zetten een boom op over onvermoed grote veestapels, leeuwen en tijgers, maar vooral over zijn bewondering voor de Congolezen: "Zij hebben me geleerd met weinig tevreden te zijn."

Theophile Verbist (Antwerpen, 12 juni 1823 – Lao-Hu-Kou (Mongolië), 23 februari 1868), stichter van het Missiehuis van Scheut
© Wikipedia
| Theophile Verbist (Antwerpen, 12 juni 1823 – Lao-Hu-Kou (Mongolië), 23 februari 1868), stichter van het Missiehuis van Scheut.

"Als ge naar de missies wilt, moet ge naar Scheut," luidde het advies van familie en kennissen. Na een korte carrière bij de Bank Brussel Lambert aan de Naamsepoort trad Marcel Mathys op 21-jarige leeftijd in bij Scheut. Vijf jaar later vertrok hij als missionaris naar Congo. Hij zou er meer dan 45 jaar blijven, voornamelijk in de Kasaï-provincie. Hij maakte Kasavubu en Lumumba mee, Mobutu en Kabila. Hij beheerde samen met Congolese werknemers enorme veestapels, hij bouwde kerken en scholen, werd met gruweldaden en vluchtelingenstromen geconfronteerd, maar aan zijn ervaring houdt hij vooral een grote bewondering voor de Afrikanen over: "Congolezen zijn fantastische mensen."

Op vraag van confraters selecteerde hij fragmenten uit zijn dagboek, dat hij al die jaren bijgehouden had. Wij hadden het geluk een van de laatste exemplaren van zijn Herinneringen op de kop te tikken. Een gesprek met Marcel Mathys, een ander Congo-verhaal.

U vertrok in 1955 naar Congo, het jaar waarin ex-journalist en kabinetsmedewerker Jef Van Bilsen zijn Dertigjarenplan voor de politieke ontvoogding van Belgisch Afrika presenteerde. Van Bilsen wou een spoedopleiding voor binnenlandse elites zodat Congo in 1985 op eigen benen kon staan - vijf jaar later wás Congo al onafhankelijk.
Marcel Mathys: "Jef Van Bilsen was zijn tijd ver vooruit. Niemand kon in 1955 bevroeden dat Congo al op 30 juni 1960 onafhankelijk zou worden. Maar laat ik eerst even ingaan op mijn vertrek. Op 8 oktober om precies te zijn gingen we met acht scheutisten in Antwerpen aan boord van de Copacabana. De reis naar de Congolese havenstad Matadi duurde zestien dagen en was een onvergetelijke ervaring. Twintig jaar later heb ik nog eens het geluk gehad met de boot te reizen, maar dat was per luxeschip, de Fabiolaville, en dus veel minder avontuurlijk."

Een jaar na Van Bilsen publiceerde een groepje jonge Afrikanen, onder wie (de latere premier) Joseph Ileo en (de latere kardinaal) Joseph Malula hun Conscience africaine, ook wel het eerste manifest van Congolees nationalisme genoemd. Drongen zulke toch wel belangrijke gebeurtenissen door tot diep in de brousse?
Mathys: "De lokale radio's in Congo stelden destijds niet zoveel voor. Voor onze informatie waren we aangewezen op de Wereldomroep, later Radio Vlaanderen Internationaal."

Hoe was het om als jonge Belg in een Congolese stad als Luluaburg, nu Kananga, uw eerste wandeling te maken?
Mathys: "Het was even schrikken om als jonge man van 26 in een koloniaal systeem terecht te komen. Als je 's avonds in de stad ging wandelen, salueerden de politiemannen voor je. De Zuid-Afrikaanse apartheid bestond ook in Congo, zij het onuitgesproken en niet-geafficheerd. Je zag er geen bordjes met slegs vir blankes , maar op het huispersoneel mét pasje na moesten de zwarte mensen 's avonds de blanke stad verlaten en zich in hun cités terugtrekken."

Uit uw dagboek blijkt duidelijk dat de brousse uw voorkeur wegdroeg, en niet de stad.
Mathys: "Na mijn eerste vakantie in België ben ik in mei 1963 aangesteld op de procuur van Kinshasa: ik heb toen hemel en aarde bewogen om weer naar de brousse te mogen. Aan een bureau zitten zonder contact met de zwarten was echt mijn ding niet."

"De brousse was synoniem voor vrijheid. In de brousse had je echt contact met de mensen. In de week had je de verhouding patron -werknemer, maar in het weekend, als we in de dorpen gingen wandelen, viel dat onderscheid weg. In Mubinza, in de Kasaï, waar ik 28 jaar geweest ben, was ik verantwoordelijk voor honderd arbeiders. Met hun gezinnen erbij waren dat al gauw vijf-, zeshonderd mensen."

Het missiehuis van Scheut aan de Ninoofsesteenweg in Anderlecht in 2010: Marcel Mathys en collega's samen aan tafel
© Saskia Vanderstichele
| Het missiehuis van Scheut aan de Ninoofsesteenweg in Anderlecht in 2010: Marcel Mathys (derde van links) en collega's samen aan tafel.


"In België was en is het onvoorstelbaar om een veestapel van meer dan drieduizend koeien en vijftienduizend hectare grond te hebben. Ik was bang toen men me de eerste keer vertelde over de grootte van de veestapels, maar je bent jong en het avontuurlijk lonkt, en het devies was: luister en kijk hoe je overste het aanpakt.

De missionarissen van Scheut hebben altijd veel belang gehecht aan een veestapel, ook in het vooruitzicht van de overdracht aan de Congolezen: de mensen moesten een bron van inkomsten hebben. Ook plannen tekenen en bouwen heb ik altijd graag gedaan. In 1968 heb ik de plannen voor de kerk van Mubinza getekend.

Hier in België belde men destijds naar Boom om bakstenen te bestellen. In Congo moesten we eerst geschikte grond zoeken, er waren vier machines waarmee we per dag 2.400 stenen konden persen. Na het drogen moesten ze 48 uur in de oven, het mooiste kampvuur dat ik ooit gezien heb."

Als jonge blanke werd u heel vlug en vaak geconfronteerd met extreme emoties.
Mathys: "Laat ik beginnen met het verhaal van 'mijn' drieling. In 1956 was ik in Kabwe aangesteld, zeventig kilometer ten zuiden van Luluaburg. Elke woensdag moest iemand de post en de bevoorrading gaan ophalen in Luluaburg. De eerste keer dat het mijn beurt was, vond ik een massa volk op mijn weg: bleek er een vrouw bevallen van een drieling.

Ik heb ze ingeladen en naar de materniteit van Mikalayi, veertig kilometer ten noorden van Kabwe, gebracht. In België had ik nog nooit een kraamkliniek van binnen gezien, laat staan een pasgeboren kindje. De kleintjes zijn een jaar lang door de zusters verzorgd. Een jaar lang, elke keer als ik in Luluaburg kwam, ben ik ze gaan bezoeken."

"De confrontatie met een koppel leeuwen op 1 oktober 1982 zal ik ook niet licht vergeten. Al weken gonsde het in de streek van de geruchten over drie leeuwinnen en een leeuw die runderen verslonden. De leeuw en een leeuwin stonden op de middag van 1 oktober op de weg, ze lieten duidelijk zien dat ze de baas waren.

Ik had nog nooit een leeuw van zo dichtbij gezien, maar zij hadden ook nog nooit een jeep gezien. Ik ben langzaam weggereden. Het heeft zes weken geduurd vooraleer er een leeuw geraakt werd. Twee dagen later vonden jagers in het ravijn een stervende leeuw. We waren 68 volwassen runderen armer. Van de drie resterende leeuwen hebben we nooit meer iets gehoord; volgens de dorpelingen waren ze teruggekeerd naar hun territorium. In de streek rond Mubinza waren de luipaarden de baas."

Hoe kijkt u terug op 1960, het jaar van de onafhankelijkheid?
Mathys: "Moorden en branden, met de uittocht van de Baluba uit de Kasaï, een uittocht die al in 1959 begonnen was, na de opstand in Kinshasa die zich dus tot in het binnenland liet voelen. Ik verbleef op de missie van Mai-Munene, driehonderd kilometer ten zuiden van Luluaburg. Er woedde een ware stammenoorlog van Lulua tegen Baluba. Volwassenen en kinderen werden verjaagd of koelbloedig vermoord."

In 1962 ging u voor het eerst terug naar België. U keerde een jaar later alweer terug, hoewel u in korte tijd verschrikkelijke dingen had meegemaakt. Was het religieuze gedrevenheid?
Mathys: "Dat speelde zeker mee. Ik heb als kajotter altijd inspiratie gevonden bij Jozef Cardijn (kardinaal die het opnam voor de arbeiders, red.) ."

'De Congo' was altijd goed voor straffe verhalen. Zoals uw overlijden in 1980.
Mathys: "Een luguber verhaal. Men heeft iemand willen treffen, zoveel is duidelijk, maar het fijne ervan ben ik nooit te weten gekomen, en dat is misschien maar goed ook. Op 5 februari 1980 vernam ik per fonie (radioverbinding tussen missieposten, DV) dag en uur van mijn begrafenis. Ik was door een krokodil doodgebeten, mijn lijk zou in een plastic zak in Zaventem aankomen."

Het missiehuis van Scheut aan de Ninoofsesteenweg in Anderlecht in 2010: soberheid als waarde
© Saskia Vanderstichele
| Het missiehuis van Scheut aan de Ninoofsesteenweg in Anderlecht in 2010: soberheid als waarde.

U houdt aan uw Congo-periode een grote liefde voor Afrika en de Afrikanen over.
Mathys: "Afrikanen kunnen ongelooflijk goed relativeren. En ze delen het weinige wat ze hebben. Ik heb ze nog gekend in de jaren 1990, gezinnen die maar om de twee dagen te eten hadden. De ene dag at de vader met de jongens, de andere de moeder met de meisjes. En toch delen ze nog met vluchtelingen die het nog slechter hebben."

Hebt u in Brussel nog contact met Congolezen?
Mathys: "In het begin ging ik weleens naar Matonge, nu al een tijdje niet meer. Ik hoor dat er veel problemen zijn. De zwarten met wie ik hier contact heb, zijn confraters op bezoek."

Als u terugblikt, hoezeer is de wereld dan veranderd in 55 jaar?
Mathys: "Toen ik in 1955 in Congo aankwam, lagen de dichtstbijzijnde dokterspost en postkantoor meer dan honderd kilometer verderop. Als er iemand uit Luluaburg langskwam, dan hoopten we vurig dat hij post bij zich had. In de jaren 1970 kwam de fonie, waardoor je kon communiceren met andere missieposten. In normale tijden één keer per dag, in woelige tijden verschillende keren."

"Nu, een halve eeuw later, word ik soms uit mijn bed gebeld door een Congolees uit Mubinza. 'Ik wil gewoon je stem eens horen,' klonk het twee weken geleden nog. Het doet deugd dat de mensen je nog niet vergeten zijn. Een gsm-kaart kost vijf dollar. Als ik bedenk hoe weinig ze hebben, dan zeg ik: 'Hang maar op, ik bel wel terug.'"

"Ik heb het geluk gehad mijn leven goed te kunnen benutten, en daar ben ik Scheut dankbaar voor."

Scheut, een Anderlechts verhaal

Marcel Mathys werd op 28 december 1929 geboren in Ukkel, maar bracht zijn jeugd door in het Vlaams-Brabantse Merchtem. Mathys is een missionaris van Scheut, waarvan het moederhuis gevestigd is aan de Ninoofsesteenweg in Anderlecht.

Scheut - gesticht door Theo­phiel Verbist (1823-'68, foto), die naar Binnen-Mongolië trok - telt nu nog missionarissen in 25 landen en vier continenten.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Oproep: Lees of reageer je wel eens op online comments, op nieuwssites of social media? Wil jij bijdragen aan een constructief online debat? Doe dan nu mee met het RHETORiC-onderzoek en ontvang een waardebon. Meer info en inschrijven.

Lees ook

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?