Sociaal woonblok in Evere wordt gerenoveerd

Het sociaal woonblok op pootjes van de huisvestingsmaatschappij Ieder Zijn Huis is helemaal uitgeleefd. De bewoners hebben het gebouw verlaten, het is klaar voor een grondige restauratie. Met respect voor het erfgoed, want het is een gebouw-met-een-concept, van de hand van de modernistische architect en designer Willy Van Der Meeren (1923-2002).

Dat het merkwaardige gebouw er staat, is te danken aan Franz Guillaume, burgemeester van Evere van 1947 tot 1953, die een belangrijke stempel drukte op de naoorlogse ontwikkeling van de gemeente. Guillaume was in de jaren vijftig van vorige eeuw naar Marseille gereisd, had daar kennisgemaakt met een gebouw van Le Corbusier en zocht de beroemde Franse architect aan om een 'unité d'habitation' te ontwerpen in hoog-Evere, tegen de grens met Zaventem aan. Le Corbusier bedankte voor de eer. Hij was niet vergeten hoe in Antwerpen een architectuurwedstrijd waaraan hij had deelgenomen, op een teleurstelling was uitgedraaid.

Zo kwam de Everse burgemeester terecht bij de jonge Willy Van Der Meeren, met wie hij een nauwe band zou onderhouden. Nog voor Van Der Meeren de bouw van het woonblok aanvatte, werd hij bekend met zijn revolutionaire EGKS-woningen die hij had ontworpen voor de mijnwerkers van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Na de Tweede Wereldoorlog was er een enorm tekort aan betaalbare en gezonde woningen. Van Der Meeren bedacht een prefab-woning in metaal, helemaal in seriewerk, waardoor de kosten enorm zouden meevallen. Verder dan een prototype-EGKS-woning in Tervuren en enkele experimenten kwam het niet, maar Willy Van Der Meeren kon zich naderhand wel uitleven in het sociaal woonblok dat hij voor Ieder Zijn Huis mocht bouwen, goed voor 105 appartementen.

"Het moest hoogbouw worden," zou Willy Van Der Meeren later getuigen in een interview voor een doctoraalthesis. "Franz Guillaume had een hekel aan al die kleine huisjes waar, als de processie uitgaat, kaarsen en kruisbeelden in de ramen staan." Guillaume was socialist en antiklerikaal, en hij wou de katholieke Witloofgemeente via stedenbouw een nieuwe uitstraling geven.

De voorbereidingen van de bouw van de sociale woningen liepen niet van een leien dakje. De Nationale Maatschappij voor Goedkope woningen deed moeilijk omdat ze de nieuwe bouwtechnieken niet zag zitten. En met het oog op de Wereldtentoonstelling van 1958 waren de bouwprijzen enorm de hoogte in gegaan. De socialehuisvestingsmaatschappij moest daarom enkele jaren wachten voor de bouw van start kon gaan, maar in 1962 kon het gebouw eindelijk opgeleverd worden.

Mortuarium
Het gebouw is van groot patrimoniaal belang omdat het een van de weinige Belgische getuigen is van de architectuur in de traditie van de Congrès Internationaux d'Architecture Moderne (Ciam), een stroming van functionele architectuur waar ook Le Corbusier een vertegenwoordiger van was.

Het blok heeft bijvoorbeeld een interessante opbouw. Het aantal gangen die toegang moesten verschaffen tot de woningen, werd beperkt tot vier door een ingenieus systeem van interne trappen met kleinere appartementen op de gelijkvloerse verdieping en grotere op onderste en bovenste etages. Er kwamen dus veel meer bewoners op de gang dan bij een klassiek appartementsgebouw. Dat bevorderde, zo vond Van Der Meeren, het sociaal contact op de gang. Die gang was - in bouwmateria­len en aspect - als een soort straat ontworpen. "Ik heb 'straten' ontworpen in het gebouw, straten in de lucht," zei Van Der Meeren daar later over.

Door het concept van straten was het ook een open gebouw waar iedereen in en uit kon lopen. Die beleving is volledig verdwenen: om veiligheidsredenen was het gebouw de laatste jaren alleen nog toegankelijk voor de bewoners.

Voor de herkenbaarheid kreeg elke gang in de trappenhal een kleur mee, net als elke deur. De kleuren zijn typisch voor de jaren 1950. Net zoals de deurklink, zo ontworpen dat zowel klein als groot, kinderen als volwassenen, erbij konden.

Om de multifunctionaliteit te waarborgen, liet Van Der Meeren ook toe dat er winkeltjes konden worden opengehouden in het gebouw. Het gebouw staat op palen omdat Van Der Meeren, helemaal in de
Ciam-ideologie, vond dat de publieke ruimte van iedereen was en dus niet bebouwd mocht worden. De hoogste verdiepingen deden dienst als zonneterras. Er waren tal
van gemeenschappelijke ruimten,
waaronder ook... een mortuarium.

Verknocht
Vijftig jaar later is het gebouw er slecht aan toe, en Ieder Zijn Huis besliste vorig jaar om het alvast te laten ontruimen, met het oog op een renovatie. "Men kon zich niet veroorloven," legt de pas afgestudeerde ingenieur-architect Koen Verswijver ons uit, "dat het in allerijl zou moeten worden ontruimd in geval van nood."

Sommige appartementen hebben nog even gediend als transitwoning, maar vandaag - Koen Verswijver leidt ons erin rond met een enorme sleutelbos - staat het volledig leeg. De sfeer in het woonblok is heel fifties. De appartementen zijn sober - het zijn sociale woningen -, maar ze stralen wel gezelligheid uit. De indeling van de appartementen is bewust niet klassiek. "Men zou kunnen opmerken," getuigde Van Der Meeren achteraf, "dat de badkamer niet rigoureus in het 'nachtgedeelte' van de appartementen ligt. Dat is doelbewust: er is geen dag- en geen nachtgedeelte. Er is één grote ruimte waar het gezinsleven zich voluit kan afspelen. Kinderen horen niet naar eigen kwartieren te worden verbannen."

Er zijn koppels die hun hele leven in het gebouw hebben gewoond, maar die overleden na hun recente verhuizing. Het toont misschien aan hoe verknocht ze waren aan de sociale woningen van Van Der Meeren.

De structuur van het gebouw is nog in goede staat, maar de betonnen panelen en frames die Van Der Meeren aan de gevel gebruikte, zijn er minder goed aan toe. Ook de isolatie van het gebouw kan stukken beter. Dat het gebouw gerestaureerd kan worden, is onder meer te danken aan Beliris, het samenwerkingsakkoord tussen het Brussels Gewest en de federale overheid. Er is een wedstrijd uitgeschreven. Binnenkort is bekend welk architectenbureau de restauratie op zich kan nemen.

Het gebouw is niet beschermd, en hoewel Koen Verswijver de modernistische architectuur hoog in het vaandel draagt en hij het jammer vindt dat er heel wat van de oorspronkelijke elementen zijn moeten sneuvelen, is hij toch tevreden dat er nu vrijer kan worden nagedacht over de restauratie van het gebouw. Bij een bescherming zijn de beperkingen zoveel groter.

:: Koen Verswijver, De hoogbouw van Willy Van Der Meeren voor Ieder Zijn Huis in Evere (1952-1961) - Historisch, kleur- en materiaaltechnisch onderzoek en voorstel tot renovatie, VUB 2007. In het Atomium loopt nog tot en met 30 maart een overzichtstentoonstelling over Willy Van Der Meeren.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees meer over
Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?