Zangeres Cécile Kayirebwa: 'Mijn hart ligt nog in Rwanda'

Cécile Kayirebwa moest in 1974 uit Rwanda vluchten. Ze woont intussen al meer dan de helft van haar leven in Brussel, en toch blijft ze hopen ooit terug te keren naar haar teerbeminde land. "Diepe wonden helen niet snel. Ik blijf geloven in vrede. Muziek kan Hutu's en Tutsi's verzoenen."

Van de negen wereldzangeressen die Gerry De Mol in zijn boek Het draagbare paradijs (uitg. EPO, 25 euro) voorstelt, is het verhaal van de Rwandese Cécile Kayirebwa een van de meest dramatische. Ze is haar land moeten ontvluchten en verloor tijdens de genocide van 1994 verschillende familieleden. Toch blijft ze hopen op beterschap en wil ze met haar muziek een steentje bijdragen.

Cécile Kayirebwa is in 1946 geboren als tweede van elf kinderen in een enigszins geprivilegieerd gezin. Haar vader was ambtenaar in de toenmalige Belgische kolonie, ze woonden in een betere wijk van de hoofdstad Kigali en kregen een goede opleiding. Zingen heeft ze altijd al gedaan. "'s Ochtends werd thuis gezongen en na het avondmaal was het zoals in alle gezinnen gebruikelijk om sprookjes te vertellen. Wij zongen en dansten ook voor het slapengaan."

Zang en dans waren overal: thuis, op school, in de kerk. "Op het college heb ik een zang- en danskring opgericht. Onze meisjesgroep is zelfs eens uitgenodigd geweest op de nationale radio, wat in die tijd heel ongebruikelijk was. We kregen positieve commentaren en toen besefte ik dat ik zangeres wou worden."

Doodsbang
Na haar studie sociale wetenschappen kreeg Kayirebwa van het ministerie van Sociale Zaken drie dorpen nabij Kigali onder haar hoede. "Ik heb vier jaar gewerkt met vrouwen die in afgelegen gebieden in moeilijke omstandigheden leven. Ik moest ze leren zichzelf te redden aan de hand van workshops over hygiëne, geneeskunde, middelen tegen ondervoeding."

En toen begon het mis te lopen. Het was al een paar weken onrustig in de regio. Hutu-milities jaagden Tutsi's op, maar Kayirebwa geloofde niet dat de milities ook haar dorp zouden bereiken. Totdat ze op een dag oog in oog stond met de dood. "Ik zat met mijn man en twee kinderen verscholen in ons huis. We hadden alles gebarricadeerd. Ze zijn niet binnengeraakt, maar ze zouden terugkomen. Ik was doodsbang." Diezelfde nacht vluchtte Kayirebwa met haar gezin naar Kigali.

Rwanda ontvluchten was geen sinecure. "De grensposten waren gesloten, we moesten van alles uitvinden om erdoor te raken. Het is ons gelukt het land te verlaten richting Goma in Congo, maar daar geraakten we niet aan papieren om als vluchteling naar België te mogen. We zijn dan verder getrokken naar Bukavu, dan naar Bujumbura (hoofdstad van Burundi, BT). Daar kregen we de papieren wel."

De landing in België in 1974 is vlot verlopen. Kayirebwa's gezin kon logeren bij een kennis. Aan werk geraken was ook niet zo moeilijk, maar de regularisatie was een ander paar mouwen. "Na veel administratieve rompslomp hebben we dan toch een verblijfsvergunning gekregen. Ik werkte toen in een ziekenhuis en zong, voornamelijk voor de Rwandese gemeenschap. En ik voegde me bij een traditionele dans- en muziekgroep die nog altijd bestaat. Na vijf jaar in een ziekenhuis gewerkt te hebben heb ik een vzw opgericht die zich ontfermde over het lot van Rwandese vrouwen in België. Maar na een jaar kreeg ik geen subsidie meer. Toen heb ik beslist me volledig op de muziek te concentreren. Ik deed veel kleine optredens, Rwandese folklore. Voor mij was het zeer belangrijk mijn cultuur te verspreiden."

In 1983 trad ze toe tot de groep Bula Sangoma, wereldmuziek avant la lettre met Chris Joris op percussie en muzikanten uit Rwanda, Marokko, Congo en Congo-Brazzaville. "We vertegenwoordigden elk onze cultuur en leerden elkaars traditionele liederen."

Diepe wonden
Kayirebwa was begonnen aan een nieuw, rustig leven in Brussel. Tot dat verdoemde jaar 1994. Extremistische Hutu's vermoordden tienduizenden Tutsi's en gematigde Hutu's in wat een van de wreedste genociden ter wereld zou worden.

"Ik ben in 1995 teruggekeerd om te zien wat er overgebleven was. Alles was veranderd. Ik ging op zoek naar mijn familieleden, maar die waren er niet meer. Eén broer is kunnen vluchten naar Congo, mijn andere broers en zussen zijn vermoord..."

Kayirebwa blijft hopen ooit weer in Rwanda te kunnen gaan wonen. Al weet ze dat dat niet voor morgen zal zijn. "De wonden tussen de gemeenschappen zijn diep, er heerst nog veel wantrouwen. Zelfs hier in Brussel mijden we elkaar. Ik ga niet zeggen dat er rivaliteit is, maar we proberen elkaar gewoon niet tegen te komen. En dan heb je het over vijftien jaar na de genocide. Wat wil je, als je hele familie gedecimeerd is? En het kan op elk moment weer mislopen. Kijk naar wat er onlangs in Kenia gebeurd is. Leren we dan echt niet uit het verleden?"

"De huidige Rwandese regering heeft als prioriteit gesteld de gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. Dat is fantastisch. Ik denk ook dat muziek kan bijdragen tot verzoening. Cultuur is een goede lijm tussen gemeenschappen. En er bestaat wel degelijk zoiets als 'de Rwandese cultuur'. Het is niet zo dat Hutu's en Tutsi's traditioneel een andere cultuur hebben."

Muziek moet leven
Kayirebwa zoekt actief traditionele liederen op en maakt ze zich eigen. "Een hele schat dreigt verloren te gaan. Muziek is altijd een belangrijk middel geweest om boodschappen te verspreiden. Zangers zingen over hun emoties, over wat ze echt voelen en denken. Ik ben zelf een tijd persona non grata geweest in Rwanda. Ik was een politiek vluchtelinge, dus waren mijn teksten politiek gekleurd, dat was het standpunt van de regering. Terwijl politiek me helemaal niet interesseert."

"Onze cultuur heeft door de genocide rake klappen gekregen. De teksten zijn er nog, maar ze dreigen verloren te gaan. Daarom breng ik ze live, want muziek is iets wat moet leven bij de mensen."

Op grote podia is de Rwandese zangeres bijna niet meer te zien. Ze treedt wel vaak op in kleinere zalen, voornamelijk op activiteiten van de Rwandese gemeenschap. En ze wordt drie tot vier keer per jaar gevraagd om in de buurlanden voor Rwandese gemeenschappen op te treden. Op donderdag 11 september is ze nog eens op een groot podium te zien tijdens de muzikale avond Amongst ourselves we rarely speak, waarin oorlog, uitsluiting en de angst voor het vreemde centraal staan. Ze treedt daar op met Gerry De Mol en topmuzikanten uit alle hoeken van de wereld die in België verblijven. En met vier van de acht wereldzangeressen uit het boek Het draagbare paradijs: de Tunesische Ghalia Benali, de Ethiopische Minyeshu Kifle Tedla, de Amerikaanse Beverly Jo Scott en de Haïtiaanse Marlène Dorcéna, met wie u overigens een interview kunt lezen in Agenda.

:: 'Amongst ourselves we rarely speak', concert met o.m. Cécile Kayirebwa, donderdag 11 september in het Kaaitheater, Saincteletteplein 20, 1000 Brussel. Meer info op www.gerrydemol.be en www.kaaitheater.be

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees meer over
Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?