Schrijfster Els Moors: 'Vanwaar die fantasie dat je stad een geliefde is?'

© Ivan Put

Het gebeurt niet elke week dat een Nederlands literair tijdschrift integraal aan Brussel en het stadsleven is gewijd, maar het negende nummer van het tijdschrift Terras is dat wel. Bijna veertig kunstenaars leveren bijdragen waarin ze schrijven en nadenken over Brussel en de stad. Ook de Brusselse schrijfster Els Moors doet mee.

H et is niet helemaal zeker of u Erik Lindner, Martin Reints, Rokus Hofstede, Ton Naaijkens, of Daniël Rovers kent, maar de Brusselse schrijfster en dichter Els Moors kent hen wel. Het zijn allemaal Nederlanders die iets hebben met literatuur, literaire tijdschriften én met Brussel. Ongeveer hetzelfde geldt voor Moors zelf. Nederlands is ze niet, maar ze leerde Amsterdam en de Nederlandse schrijversgilde wel goed kennen toen ze er op de Rietveld Academie zat, voor ze in 2007 naar Brussel kwam.
Moors is de auteur van de bekroonde dichtbundels er hangt een hoge lucht boven ons en Liederen van een kapseizend paard, de roman Het verlangen naar een eiland en de verhalenbundel Vliegtijd. Ze is ook redacteur bij het literaire tijdschrift nY, maar leverde nu dus samen met de reeds genoemde en nog een pak andere Nederlanders – maar ook met onder meer Pascal Verbeken en Geert van Istendael – een tekst voor het Brusselnummer van Terras, dat dinsdag wordt voorgesteld bij deBuren.

Vanwaar die interesse van Nederlanders voor Brussel?
Els Moors: “Ik heb geleerd dat je Nederlanders hebt die van Gent en Antwerpen houden en Nederlanders die van Brussel houden. Voor veel Nederlanders is Brussel een plek waar ze niet naartoe willen omdat het er vuil is en ze er verdwalen, maar anderen komen juist graag in een poging om aan de Hollandse kneuterigheid te ontsnappen. Bij nY zitten ook Nederlanders die voor elke redactievergadering naar België komen, en ik zou hun energie en enthousiasme niet kunnen missen. Nederlanders kunnen heel oprecht voor iets gaan en ook samen vieren als ze hun doel bereikt hebben. Dan zijn wij toch vaak geborneerde Vlamingen. Wij kunnen ons nooit inzetten voor een hoger doel – al is dat misschien ook weer niet echt een minpunt.”

Stel dat Brussel zo’n hoger doel was.
Moors: “Van mensen die te vuur en te zwaard ten strijde trekken voor Brussel word ik ook onnozel. Toen ik als puber voor het eerst een keertje naar Brussel kwam, vond ik de chaos en de versnippering hier ook fantastisch en avontuurlijk. Ik betrap er me nu ook nog op dat ik het stoer vind dat iemand in Brussel geboren is. Alsof dat een verdienste is. Waarom moet je je toch zo expliciet tot de stad verhouden in plaats van er gewoon te zijn en er iets van te maken? Vanwaar die fantasie dat je stad een of andere geliefde is?”

Misschien willen de mensen die in Brussel wonen de investering die daarmee gepaard gaan aan zichzelf verkocht krijgen door de stad op te hemelen?
Moors: “Hoe meer stress hoe meer liefde dus? Het probleem is dat de stad op die manier niet verandert, want van idealiseren wordt ze niet mooier. Ik vind het vooral belangrijk dat mensen op een natuurlijke manier voor Brussel kiezen. Dat ze het niet voor een paar jaartjes komen ophemelen om dan als ze het beu zijn of een paar kinderen op de wereld hebben gezet weer te vertrekken. En dan hebben we het nog niet over de pendelaars die ‘s avonds ongeïnteresseerd hun schup afkuisen. De stad heeft wat mij betreft dus nood aan initiatieven om mensen hier te houden die vervolgens de stad kunnen dragen.”

Je woont hier zelf nu zeven jaar. Is het dan geen inspirerende stad om in te werken?
Moors: “Nee, want als de zon begint te schijnen wil ik in het groen zitten, en buiten werken op een terras onder een oude boom. Maar wat dat betreft is dit vrees ik niet mijn favoriete stad. Je hoort soms zeggen dat Brussel het nieuwe Berlijn zou zijn, maar dat is het voor mij echt niet. Ik ga heel vaak naar Berlijn in de zomer, omdat ik het hier niet uithou. Ik hoor dat Brussel veel mooie tuinen heeft, maar wat heb je eraan als je ze verstopt zitten en als er geen boom op straat staat? De openbare ruimte biedt ook nergens iets wat je van een moderne stad mag verwachten, bijvoorbeeld geïntegreerd groen of plaats om te fietsen.”
“Het verkeersvrij maken van de centrale lanen is fantastisch, maar er zijn nog zoveel lelijke gebouwen en er is nog zoveel slecht georganiseerd. Er ligt ook te veel nadruk op het pittoreske van het centrum maar ook daar gaat het nog altijd fout. Het Beursgebouw en De Brouckère mogen ze van mij afbreken. Ik denk dat we echt hardcore maatregelen moeten durven nemen om andere stedelijke uitzichten te creëren.”

Maar je overweegt niet om op de buiten te gaan wonen?
Moors: “Daar heb je dan weer te maken met lintbebouwing en ben je afhankelijk van de auto. Ik investeer mijn tijd liever in het uitzoeken van routes die mij snel in het Zoniënwoud brengen. Ik probeer daar minstens een keer per week een paar uur rond te lopen.”
“Ik hou natuurlijk ook van Brussel. In Etterbeek is een Italiaans cafeetje dat al heel lang bestaat en waar Italianen en buurtbewoners samenleven. Dat is voor mij Brussel op zijn best, het Brussel van actieve minderheden die de stad van binnenuit kennen en van onderuit vorm geven.”

De paradox is dat geslaagde stadsplanning de gentrificatie met zich meebrengt die een uniforme middenklasse installeert.
Moors: “De vraag is of dat zo moet zijn. Armere wijken hoeven toch niet per se ook onleefbaar te zijn? Een half uur na de aanslagen in Parijs was ik aan de praat met een taxichauffeur. Hij behoort tot de klasse van Brusselaars die weinig verdienen maar wel overbelast zijn op heel veel manieren. Hij was totaal van slag omdat hij vreesde dat alle jonge werkloze moslims weer de schuld zouden krijgen.”

In je gedicht in het Brusselnummer van Terras voer je ook een taxichauffeur op, met zijn ‘postkoets infotainment’.
Moors: “Dat was er een in Leipzig. Taxichauffeurs zijn de ambassadeurs van een stad. Ze kennen de stad en zijn bewoners het best, en behoren dikwijls tot een gemeenschap die je anders niet te spreken krijgt. Daarom stel ik hen ook altijd veel vragen. Want het is vooral het niet-weten dat de grootste wrijvingen veroorzaakt. Het is misschien een utopische gedachte, maar als mensen als hij zich ook zouden kunnen laten horen, dan is er misschien wel een meer vooruitstrevende stad mogelijk. Maar het is moeilijk om mensen die lang in de verdrukking hebben gezeten te laten praten. Brussel is ook een stad waar veel mensen zich gestigmatiseerd voelen: werklozen, migranten, pendelaars (lacht).”

Het gedicht gaat dus niet integraal over Brussel.
Moors: “Het gaat over Leipzig en Berlijn en ook een beetje over Brussel, maar dat maakt niet zoveel uit. Een gedicht is voor mij meer sowieso meer een intuïtieve dan een reële plek. Het gaat over een stad. Ik ben het gedicht begonnen in Leipzig. Daar komt het beeld van de tram en de ‘suïcidale voorbijgangers’ vandaan. Als je in een vreemde stad het station uitkomt, loop je altijd het gevaar om meteen onder een bus of tram te lopen omdat je niet weet vanwaar ze komen. Ik heb het gedicht afgemaakt op de dag dat ik het vluchtelingenkamp in het Maximiliaanpark zag.”

Het is voor literaire tijdschriften niet vanzelfsprekend om het hoofd boven water te houden. Is het dan een soort statement om voor nY te werken?
Moors: “Het is juist een cadeau, een voorrecht. Omdat je als schrijver met andere schrijvers kan samenwerken, ze kan uitnodigen om iets te maken en ze daar ook voor kan betalen. Een tijdschrift is ook de plek om jonge schrijvers te publiceren en een beleid te voeren: welke literatuur vinden we interessant? Welke onderwerpen willen we aansnijden?”

Mogen we binnenkort nog een nieuwe roman of dichtbundel van je verwachten?
Moors: “Ik ben klaar met een prozaverhaal dat eerstdaags zou moeten uitkomen bij Het Balanseer. Het is een verhaal waar ik lang aan heb gewerkt, maar dat toch niet zo heel lang is geworden. Wat ik heb geschreven heeft de vorm gekregen van een leerboekje, mijn minibijbeltje over de liefde. Ik heb het gevoel dat de samenlevingsstructuren waar iedereen mee leeft dringend aan verandering toe zijn. Gombrowicz schreef al dat mannen en vrouwen zozeer in hun rol zijn opgegaan dat hun karikaturen schade veroorzaken. Dat moeten we in vraag durven stellen zonder de mislukte experimenten van de jaren 1960 en 1970 over te doen. We moeten opnieuw snappen wat liefde is en wat je ermee kan doen in je leven. Inspiratie is wat dat betreft voor mij het sleutelwoord.”

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Oproep: Lees of reageer je wel eens op online comments, op nieuwssites of social media? Wil jij bijdragen aan een constructief online debat? Doe dan nu mee met het RHETORiC-onderzoek en ontvang een waardebon. Meer info en inschrijven.

Lees ook