Rode Duivels, witte engelen

Dit is een ingekort fragment uit het boek ‘Tricolore truien. De Rode Duivels in elf shirtstories’ van BDW-freelancer Michaël Bellon. ‘Tricolore Truien’ schetst een alternatieve geschiedenis van de Rode Duivels, met als rode draad de evolutie van de uitrusting die de Belgische nationale ploeg de afgelopen 110 jaar droeg. In elf verhalen vertelt de auteur over zijn zoektocht naar oude Rode Duivelstruien en de oud-spelers die ze droegen, naar de verhalen achter de verschillende sportmerken die de uitrusting leverden, en de legendarische wedstrijden die erin werden gespeeld. Het boek bevat ook een katern van 32 bladzijden met kleurenfoto’s van zeldzame en authentieke Rode Duivelsshirts, genomen door BDW-fotograaf Ivan Put.

D e kerk en het metrostation in het centrum van Anderlecht zijn vernoemd naar Sint-Guido, de heilige die in 2012 duizend jaar dood was. Guido was een noeste werker op het veld. Toen hij eens even het terrein van zijn baas verliet om zijn ouders van brood te voorzien, nam een engel zijn plaats in. Maar op een dag kwam Guido toch in de verleiding van het grote geld. Hij werd handelaar en zette per boot koers naar verdere oorden. Daarop liet de engel de boot kapseizen, en stuurde hij Guido op boetetocht naar het Heilige Land.

Na zijn terugkeer en zijn dood werd Guido patroonheilige van zijn gemeente, maar ondertussen trekt de kerk met zijn naam beduidend minder volk dan het metrostation, waar op voetbalhoogdagen honderden gelovigen samenstromen om naar het stadion van Royal Sporting Club Anderlecht te gaan. Dat stadion is gebouwd met centen die hun oorsprong vinden in een ander monument dat aan het Dapperheidsplein grenst: café Belle-Vue, waar Philémon Vanden Stock vanaf 1913 geuze begon te steken. De geuzestekerij werd onder zoon Constant een brouwerij, van waaruit veel geld vloeide naar de voetbalclub waar Constant de voorzitter van was geworden. Een aantal keren kwam de bierhandelaar in de verleiding dat grote geld op een ongeoorloofde manier te gebruiken. Tijdens zijn boetetocht door de media vloeiden er tranen.

Vlakbij Sint-Guido ligt ook de smalle De Formanoirstraat. Daar is op nummer 13 Heylens Sport te vinden. Het is een sportwinkel zoals je ze nauwelijks nog ziet: een rijtjeshuis met een kleine, mooi verzorgde vitrine waarin ook een aantal fanshirts van de Rode Duivels worden gepresenteerd. De winkel zelf bestaat al meer dan vijftig jaar, en heette in het begin nog Le Diable Rouge. ‘Le Diable Rouge’ in kwestie was Georges Heylens, die zevenenzestig keer voor de Belgische nationale ploeg aantrad. 1961 was een goed jaar voor de toen twintigjarige Heylens. Dankzij Constant Vanden Stock – toen nog selectieheer van de Rode Duivels – mocht hij op 8 maart met de Rode Duivels debuteren tegen West-Duitsland, op 10 november trouwde hij met zijn Josée, en een dag later opende hij al zijn sportwinkel.

Dat Heylens op het veld een noeste rechtsachter was, die ten dienste van Paul Van Himst en co het verdedigende werk opknapte, was misschien geen toeval. Heylens wist waar hij vandaan kwam: ‘Ik ben maar tot mijn veertien jaar naar school gegaan en thuis hadden we het niet breed. Vader was tramconducteur, moeder schoonmaakster. Van mijn veertiende tot aan mijn legerdienst verdiende ik als hulp van een elektricien zes frank per uur. De sportwinkel was dus een vorm van zekerheid naast mijn voetbalcarrière. Vader, moeder en zus stonden er mee in.’

Op hun beurt steunen Georges en zijn vrouw nu hun zoon Stéphane bij de uitbating van de zaak. In het bureautje achteraan zit ook de boekhouder, die mee tot het meubilair is gaan behoren. Samen doorstond het viertal al enkele stormen, want ook Heylens heeft zich met bepaalde handelspraktijken te ver gewaagd, en zag zijn bootje bijna kapseizen. In 2008 werd hij echter vrijgesproken in een zaak van financiële malversaties.

Aan de muur in het bureautje hangen verschillende foto’s en posters van de clubs waarvoor Heylens heeft gespeeld en waarvan hij coach is geweest. Mooi is de ingelijste foto die elke Rode Duivel destijds kreeg bij zijn debuut. Heylens droeg zijn eerste tricolore trui zoals een communicant zijn eerste kostuum. In het decennium dat volgde zou Heylens echter een belangrijke bijdrage leveren aan de volwassenwording van het Belgische voetbal.

Eigenlijk kwamen de Belgische profvoetballers pas voor het WK van 1970 in Mexico voor het eerst van hun akker. Aanvankelijk nog met desastreuze gevolgen, maar het succes dat zou volgen op het WK van 1986 in hetzelfde land zou er misschien niet geweest zijn zonder dat debacle zestien jaar eerder. Het verhaal is al verschillende keren verteld: de Belgen kwamen veel te vroeg aan in Mexico en verveelden zich te pletter in hun hotel Meson del Angel, waar Heylens zijn ploegmaat Paul Van Himst bijna dagelijks zag huilen van heimwee. Een aantal spelers maakte ruzie, en vond het uiteindelijk niet zo erg dat ze na 3–0 winst tegen El Salvador, 4–1 verlies tegen de Sovjet-Unie en 1-0 verlies tegen thuisland Mexico naar huis werden gestuurd.

Dat het professionele voetbal in België nog letterlijk in zijn kinderschoenen stond, bleek ook uit het schoenenincident dat tijdens het toernooi de vaderlandse pers haalde, en waarin Georges Heylens een hoofdrol speelde. ‘Ik was de tussenpersoon tussen de spelers en Adidas, dat onze schoenen voor het toernooi leverde. Ik had de bedragen die de spelers voor het dragen van de schoenen zouden krijgen bij mij om te verdelen, toen Raymond mij vroeg waarom de spelers geld kregen en hij niet. Hij heeft me toen verboden het geld te verdelen, terwijl de spelers erop gerekend hadden dat ter plaatse te kunnen gebruiken. Uiteindelijk heeft iedereen wat afgestaan en was het probleem opgelost.’

Meer was er niet aan de hand, maar het banale incident illustreert hoe hopeloos de brave Belgen achterliepen ten aanzien van de andere voetballanden.

De Rode Duivels waren dringend toe aan ruzie over geld en sponsors. De oprichters van Adidas zelf hadden wat dat betreft al lang de toon gezet. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden de Gebrüder Dassler nog samen aan het front gezeten, in België zelfs, maar daarna maakten Rudolf en Adolf oorlog tegen elkaar. Adi deponeerde het merk Adidas, en Rudolf begon met Ruda, waarvan hij de naam snel veranderde in Puma. Adidas had in de finale van het WK 1954 in Zwitserland revolutionaire voetbalschoenen met inschroefbare noppen geleverd aan het Duitse elftal, dat mede daardoor de Hongaren had kunnen verslaan. Puma had voor het WK 1970 honderdvijfentwintigduizend dollar betaald aan Pelé om op dat toernooi en de vier jaar daarna hun schoenen te dragen. Dat de Rode Duivels op het WK 1970 ook wat geld kregen om de schoenen met de drie strepen te promoten, was dus niet ongewoon. Het had alleen wat lang geduurd. Tot in de jaren zestig kregen alle spelers van Anderlecht nog schoenen op maat van een Anderlechtse schoenmaker. ‘Daar kostte een paar schoenen honderdvijftig frank en kon je kiezen tussen hoge schoenen of schoenen die onder de enkel waren uitgesneden. De noppen waren van leer en werden met drie leren nagels in de zool geklopt.’ Het was Heylens die als kersvers verdeler van Adidas de eerste ploeg van Anderlecht en van de Rode Duivels kon bevoorraden.

Daarnaast leverde Georges Heylens ook een tijdlang de rest van de uitrusting van de Rode Duivels. Adidas produceerde tot eind jaren zeventig nauwelijks textiel. De Rode Duivelstrui met rugnummer 2 die Heylens nog heeft bewaard draagt het logo van het Franse sportmerk Le Coq Sportif, dat Heylens in 1967 binnenbracht bij de Belgische Voetbalbond nadat de nationale ploeg jarenlang merkloze truien had gedragen.

Na de wedstrijd truitjes ruilen met de tegenstander was er toen nog maar zelden bij. ‘Ze kostten geld en moesten in principe altijd terug naar de Voetbalbond om gewassen te worden en weer gebruikt voor de volgende wedstrijd.’ De kostprijs van de truitjes was voor de bond ook lang een reden om meestal voor lange mouwen te kiezen. Immers, liever lange mouwen in de zomer, dan korte mouwen in de winter. Zelfs op de warme wereldbeker van 1970 speelden de Belgen dus met lange mouwen, hoewel het Engelse merk Umbro toen al kledingsponsor was. Umbro toonde zich in Mexico vernieuwend door de Engelse ploeg uit te rusten met ultralichte, geperforeerde shirts met korte mouwen. De Rode Duivels daarentegen speelden in katoenen shirts. Wat ze in dat toernooi figuurlijk niet deden, moesten ze dus wel letterlijk doen: de mouwen opstropen.

Gelukkig reflecteerden hun shirts de zon een beetje, want vanaf 1968 tot het einde van de jaren zeventig waren die wit omdat bondscoach Raymond Goethals van mening was dat de spelers elkaar zo beter zouden vinden. Onze witte engelen werden slechts langzaam echte Rode Duivels.

 

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook