Column

Arno Boey: 'De boer verdween uit de stad en bleef achter in de verhalen van oude vrouwen'

© BRUZZ
17/03/2024

Arno Boey is schrijver en radiomaker. Beurtelings schrijven hij en Marie Darah over het leven in hun stad.

Ik woon nu een jaar in de schaduw van de basiliek. Toen ik net verhuisd was, vertelde de kruidenier aan de overkant me alles wat hij over mijn huis wist. Het gebouw was van een oude vrouw geweest, haar vader had het nog gebouwd. Hij was politicus of dokter en een neef van Trotski. “Trotski heeft je huis bezocht,” knipoogde de kruidenier. “Door die oude vrouw weet ik ook dat hier ooit schapen graasden. Voor er auto's waren, stonden hier schapen geparkeerd.”

Wanneer ik vanuit mijn raam naar de wagens op de middenberm kijk, denk ik aan mijn oma en hoe makkelijk heimwee je meesleept. Ze bouwde het eerste huis in haar straat in Ganshoren. Ik kan me dat niet voorstellen: eerste huizen in nieuwe straten. In de stad slopen we en trekken de hoogte in. Alles wat nieuw is, komt boven op het oude, torens doen het vorige vergeten. Aan het einde van die nieuwe straat lagen velden met witloof en aardappelen. Mijn oma vertelde me daar vaak over. Ze vertelde me over mijn grootvader en zijn boomgaard. Begin jaren 1960 kocht hij een veld buiten Brussel en bouwde er een huisje. Het huisje zou later een huis moeten worden met funderingen en balken om een dak te dragen. Een plek waar de nacht je met rust laat en de ochtend op bezoek mag komen. Met planken en spijkers had hij een droom getimmerd. Hij gaf de droom een naam: Het Zwaluwnest. In de lente moesten mijn nonkels de wanden pekken, later op het jaar stonden mijn tantes op om van het fruit marmelade te maken. Mijn grootvader plantte appelbomen, er stonden perelaars en er vielen kersen en krieken in het gras, zachte pruimen.

Stro op de stoep

Ik weet niet hoeveel seizoenen mijn grootvader van dat fruit heeft kunnen eten. Hij stierf te vroeg en het huisje werd een schuur voor snoeischaren en tuinstoelen. Aan de rand van het veld werd een snelweg naar de stad aangelegd. Daarlangs rijden vandaag boeren de stad in. Er kleeft nu wat modder en stro op mijn straat. Het lijkt hier niet op zijn plaats. We zijn gaan geloven dat de stad en de boer elkaar het liefste mijden. De boer met handen als spitvorken en een kroost om een klasje mee te vullen. Die boer verdween uit de stad, hij nam zijn schapen mee en bleef achter in de verhalen van oude vrouwen.

De boeren die ik heb leren kennen, bouwen het eerste huis van de straat. Ze zaaien voor later, voor wie ons overleeft.

Arno Boey

columnist

Ik heb de laatste jaren een paar boeren leren kennen in deze stad. Ze zijn nog jong, maar lieten al een leven achter zich. Ze vonden geen schaduw, geen toren om in thuis te komen. Ze vertrokken niet, ze besloten te blijven en zelf voor schaduw te zorgen. Ze verstoppen zich nu op braakland, in weilanden tussen treinsporen. De boeren die ik ken, krabben de voegen open. Ze leggen bronnen bloot. Ze tonen ons waar het water stroomt. De boeren die ik ken, lezen zich in en verspreiden petities. Ze lijken zo klein in de weerspiegeling van alles wat wet geeft, wat macht heeft. Er is geen haan om hen hier wakker te kraaien, ze staan op voor de eerste bus. Bij het avondeten steken ze een kaars aan en vertellen over het bijenvolk, over wat was en hoe het nu is. In de winter rusten de boeren die ik ken. Ze blazen uit en tellen alles op. De seizoenen drogen in tabellen. Er zijn kosten en baten, en tussen de regels kruipt een mier voorbij. Alles ontsnapt vroeg of laat.

Het wordt lente en ik woon nu al een jaar in de schaduw van de basiliek. Hier groeit geen klaver meer. Zijn tuin heeft mijn grootvader overleefd. Ik heb hem nooit gekend, maar ik heb van zijn appels gegeten. De boeren die ik heb leren kennen, bouwen het eerste huis van de straat. Ze zaaien voor later, voor wie ons overleeft. Er kleeft wat stro op de stoep. “Welkom thuis,” fluit de kruidenier.

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni