reportage

Bernard Van Eeghem in expo en gedichten: 'Ik leef van de hak op de tak'

Bernard Van Eeghem: “Ik ben gewoon een dromer, dat zit in mij.”© Ivan Put

In het universum van Lakenaar Bernard Van Eeghem is plaats voor veel, en voor velen. Samen met de vrij associërende artistieke omnivoor dwalen we door zijn leven en werk, zoals tentoongesteld in Expo 53 en te boek in de bundel Hip en hop en hap en nip.

Bernard Van Eeghem

  • Geboren in 1953 in Comines (Frankrijk)
  • Is theatermaker, beeldend kunstenaar en schrijver
  • Maakte producties met onder meer Braakland/ZheBilding, Dito’Dito, Tristero, Het Bordes, Josse De Pauw, Charlie Degotte en Manah Depauw
  • Maakte recent performances als Kayak (met Catherine Graindorge en Katharina Dreyer), Bloedsomloopworst, Omertà (met Stefanie Claes) en Galop (met Dolores Bouckaert)

Hip en hop en hap en nip: de weg om via de hoofdingang van Gemeenschapscentrum Nekkersdal in Laken tot in de expozaal De Wolken te komen is lang, kronkelig, en loopt door allerlei gebouwen en aanbouwen die binnenkort gesloopt zullen worden om plaats te maken voor een geheel vernieuwd binnengebied tussen Bockstaellaan en Schildknaapstraat.

Nu vormt dat bochtenparcours nog de perfecte aanloop naar onze bestemmeling. Het hoofd in De Wolken dat we zoeken is namelijk dat van schrijver, beeldend kunstenaar, performer, theatermaker, muziek-, literatuur- en architectuurliefhebber Bernard Van Eeghem. Die presenteert hier elke zaterdag de tentoonstelling Expo 53, telkens verrijkt met een soloperformance ter plaatse. Terwijl bijna gelijktijdig bij uitgeverij Fluxenberg de 'dicht-en-zoveel-meerbundel' Hip en hop en hap en nip uitkwam, met veel vrolijk huppelende, ongrijpbaar meanderende, licht absurdistische, zoekende, roepende, smachtende en schaterende (toneel)teksten en gedichten.

Eens we bij Van Eeghem zijn aanbeland, zijn de kronkelingen dus nog niet ten einde. Expo 53 verwijst natuurlijk naar Laken, maar ook naar het geboortejaar – en dus de biografie – van Van Eeghem, wiens leven, werk en verhalen allemaal even wijdlopig, veelkantig, veelkleurig, multidimensioneel en multidisciplinair zijn.

In het dik uur dat we langs de werken en werkjes lopen van de expo die hij nog permanent aan het bijsturen, aanvullen en verhangen is, onderhoudt hij ons over van alles en nog wat dat we niet in deze tekst verwerkt krijgen, laat staan kunnen citeren. Als we de naam 'Laken' laten vallen, vertelt hij bijvoorbeeld over de licentiaatsverhandeling kunstgeschiedenis die hij ooit schreef over de funeraire galerijen op het kerkhof van Laken, en hun ontwerper Emile Bockstael, die behalve burgemeester ook bouwkundig ingenieur was. Als we een opmerking maken over de ladders die Van Eeghem soms gebruikt om te schilderen, maar ook als een motief in zijn teksten, dan weet hij te vertellen dat op de Kruisafneming van Rubens vier ladders staan afgebeeld (twee achter en twee voor het kruis), dat als je alle ladders op elkaar zet, je in de hemel komt, dat een trap een belangrijk gegeven is in de architectuur omdat hij naar nieuwe ruimtes leidt, en dat beelden van trappen in films daarom ook spanning oproepen om wat er in het volgende shot te gebeuren staat. Dat allemaal terzijde, maar toch ook nooit helemaal.

De opstelling van de tentoonstelling over twee verdiepingen, verbonden met een trap, weerspiegelt ook een beetje de doolhof in Van Eeghems hoofd. Het is een parcours voor lichtvoetigen door een aantal kamers met open deuren, en ruimtes-in-de-ruimte die worden gevormd door de transparante plastic zeilen waarop Van Eeghem graag schildert tijdens zijn performances. Ook dat hij die bij een Aveve-tuincenter koopt omdat ze zwaar genoeg moeten zijn om op te schilderen, hoeft geen geheim te blijven.

Daar hangt bijvoorbeeld nog een zeil van de performance Bloedsomloopworst uit 2013, met de – alweer kronkelige – stoet van tekeningen waarmee Van Eeghem het verhaal van zijn jeugd verknoopte met de Bloedprocessie in Brugge. De grote mythologie van het heilig bloed dat duizend jaar na Christus van Jeruzalem naar Brugge werd gebracht, vormde in die performance het achterdoek voor de persoonlijke mythologie die Van Eeghem tegen wil en dank moest construeren, om de onbekende omstandigheden van zijn geboorte als een naamloos kind van een vermoedelijk Antwerpse tienermoeder in Frankrijk te kunnen plaatsen. Opnieuw vertelt Van Eeghem ons hoe hij in zijn verbeelding de nonnen langs lange steenwegen van het Antwerpse weeshuis naar zijn warme en welgestelde Brugse pleeggezin ziet rijden, met hem als baby op de achterbank. Is het die nooit opgehelderde periode die zijn fantasie onherroepelijk in gang heeft gezet? “Het heeft misschien iets getriggerd, maar ik ben gewoon een dromer, dat zit in mij. Ik heb die geschiedenis nooit als een probleem ervaren, maar wel als iets speciaals. En natuurlijk wilde ik wel weten wie mijn moeder was. De werkelijkheid zal wellicht wel trivialer zijn dan mijn fantasie, want in mijn dromen is mijn moeder een filmster.”

La Vache qui rit
Noem deze tentoonstelling vooral geen retro­spectieve. Ze toont slechts een selectie van wat Van Eeghem allemaal nog in zijn archief heeft zitten, en wordt ook nog permanent aangevuld. “Ik heb een heel groot archief dat thuis in de kelder in dozen zit, en dat hier en daar al een beetje vochtig begon te worden en te vergaan. Een groep mensen, onder wie assistent-curator Emilie Legrand van Cultuurcentrum Strombeek, pluist het uit terwijl ik erbij zit, en zo is het idee ontstaan. Maar net als de première van een theaterstuk is een tentoonstelling een momentopname. Je krijgt nieuwe ideeën door hier te zijn, dus liggen er nu nog een stuk of vijftien werken bij de encadreur die ik er nog bij ga hangen. Het is een mix van oud en nieuw, ingekaderd, niet ingekaderd...”

Tijdens de enthousiast geleide rondleiding zien we onder meer een affiche voor het stadsfestival Bruzzle uit 1991, het ontwerp voor een affiche van het Theaterfestival, een ontwerp voor een mozaïek voor het plafond van de foyer van de Beursschouwburg, waar Van Eeghem ooit als gewetensbezwaarde begon te werken, en bij wijze van installatie bananenschillen aan de kapstokken hing tijdens persconferenties.

Maar er staan ook werkjes uit de privésfeer. Toen iemand hem eens twee wijnflessen van bij NielsVins op de Baksteenkaai cadeau deed, bouwde hij de papieren zak waarin die zaten verpakt met nog ander recuperatiemateriaal uit tot een heuse maquette van de Notre Dame in lichterlaaie. Met een kartonnetje van La Vache qui rit als rozet in de gevel.

Verder mooi vormgegeven geboortekaartjes, de uitgeslepen namen van de grafzerken van zijn grootouders, een fotostrip van zijn vriend Lucas Catherine, met wie hij nog heeft samengewoond, schetsen voor de festivals in Watou, een doek geschilderd tijdens de podiumnachten van Sprekende Ezels in de séparé van café Monk, en portretten op grote flarden karton van de actrices Carine Peeters en Hilde Wils, die in de jaren 1990 met hem deel uitmaakten van theatergezelschap Het Bordes. Ook dingen die hij op de voddenmarkt kocht en assembleerde, geschilderde berglandschappen waar hij een collage maakte, en nóg meer en nóg grotere beschilderde zeilen, van performances in het Concert­gebouw Brugge en in Bozar.

1780 Bernard Van Eeghem
© Ivan Put

Te midden van dat alles zijn wel enkele ordenende principes en terugkerende thema's of motieven te ontwaren, zoals een abecedarium, vrienden en familie, de architectuur, of in contrast daarmee de natuur – vertegenwoordigd door die berglandschappen, of door de bomen die ook in zijn teksten opvallend aanwezig zijn. Omdat in het bosrijke buitenverblijf van zijn adoptiefamilie in het Brugse Male zijn vader hout kapte, en de kleine Bernard zelf 's nachts wakker werd van de krijsende katten die achter elkaar aan zaten, en van de regen en de wind in de bomen.

“Geen pretentie.” Van Eeghem herhaalt de woorden een aantal keer, als hij wijst naar een schilderijtje dat hij ondersteboven heeft gehangen, of naar een installatie met projectie die nog niet helemaal af is. De kritiek die hij ooit kreeg – “Bernard Van Eeghem is een flierefluiter die af en toe eens aardig uit de hoek komt” – heeft hij hier op de muren geklad als was het een lijfspreuk.

Erkenning vindt hij heus wel fijn, en in zijn werk koestert Van Eeghem ook zijn artistieke vrienden, maar ambitie had hij niet nodig om kunstenaar te worden. Hij werd het gewoon. “Moeder las mij gedichten voor, van Gezelle, en via mijn vader (destijds hoofdarchitect van de provincie West-Vlaanderen, red.) kwam de interesse voor architectuur en beeldende kunst. Als kind moest ik lachen met De witte van Ernest Claes, maar niet lang daarna las ik ook Charles Baudelaire of Joris-Karl Huysmans. Ik ben ook altijd naar de muziekacademie geweest. Alleen dictie heb ik nooit gevolgd,” lacht Van Eeghem in zijn verzacht West-Vlaams.

Filosofie
Ook die performances zaten hem blijkbaar in het bloed. “Ik heb als kind ooit een voordrachtwedstrijd gewonnen voor het Davidsfonds, en ik deed al poëzieperformances toen ik nog architectuur studeerde aan Sint-Lucas in Gent. Iedereen vond dat vreemd, maar ik was in alles geïnteresseerd. Ik heb ook pas later ingezien dat architectuur niets voor mij was. Filosoferen over architectuur en nadenken over ruimte interesseert me wel, maar het beroep op zich niet.”

We spreken dus over een manier van leven. “Ik weet dat ik van de hak op de tak spring en heel associatief ben. Denken is altijd associatief, maar ik leef ook een beetje zo. Langs de andere kant moet je het ook onder controle houden, anders zou je helemaal zot worden. Maar ik vind het leuk om de demonen in mijn hoofd vorm te geven, nu eens op scène, dan weer met een tekening. Het is wat ik de hele dag doe. Ik heb kanker, en daar denk je natuurlijk wel een keer aan, maar als ik 's nachts wakker lig, dan is het van de werken of de teksten waar ik nog dit of dat aan moet veranderen.”

Dat doet hem eraan denken dat hij nog moet voortwerken aan de catalogus die bij de tentoonstelling hoort en die, als het goed is, klaar is wanneer u dit leest. “Aan de rechterkant komt mijn levensverhaal in vrije versvorm, en links dan de werken, met de titel, voorstudies, foto's…”

Er is dus nog wat werk aan. Maar elke zaterdag trakteert Van Eeghem dus ook op een performance die hij ons al heeft samengevat, met onder meer een zeil dat hij beschildert op de tonen en beelden van Wagners Lohengrin, uitgevoerd door dirigent Claudio Abbado, een op de grond gekrijte tekst van Koen Peeters, een cantate van Bach, een danssolo, een eigen gedicht, en het gedicht van Dylan Thomas dat bezweert dat de dood het nooit zal halen. Een gedicht dat Van Eeghem al jaren uit het hoofd kent, met gebaren en al. Zoals het jongens uit 1953 vroeger op school in Brugge werd aangeleerd.

BERNARD VAN EEGHEM: EXPO 53
18/12, 8, 15 & 22/1, GC Nekkersdal, www.nekkersdal.be
Hip en hop en hap en nip: www.fluxenberg.be

Meer nieuws uit Brussel
Vooraan op BRUZZ

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?