analyse

Wat als... Brussel een echt Stripmuseum had?

© Noémie Marsily
Bekijk ook de afspeellijst: woensdag 5 mei 2021

Dat de Kat zich verslikt in een haarbal. Brussel heeft al een Stripmuseum. En dat Stripmuseum zit in een diepe crisis, met gekelderde bezoekcijfers, personeel op straat en zwaar financieel weer. Maar ook voor de pandemie was die crisis al vele jaren een feit. Met de nieuwe tentoonstelling United comics of Belgium valt er eindelijk een glimp op te vangen van een soort toekomst. Maar welke? Een pleidooi om groot te dromen.

Eind januari 2017. Paysage après la bataille wint de Fauve d'Or voor beste album op het gereputeerde internationale stripfestival van Angoulême. Zowat de grootste Europese stripprijs gaat voor de tweede keer in de geschiedenis van het festival – 32 jaar na François Schuiten en Benoît Peeters met De koorts van Urbicande – naar twee Brusselaars: tekenaar Éric Lambé en scenarist Philippe de Pierpont. Voor een boek dat ook nog eens verscheen bij Frémok, een Brusselse uitgeverij die al jaren de grenzen verlegt van wat mogelijk wordt geacht in de negende kunst. Groot feest bij de Brusselse beeldenstormers. Geen geluid uit het Stripmuseum. Geen hoera, geen felicitatie, geen receptie, geen tentoonstelling, geen kik.

“Dat boek heeft me zo diep geraakt dat ik drie dagen nodig had om het van me af te schudden,” vertelt Isabelle Debekker, sinds november 2019 directrice van het Belgisch Stripcentrum, door de volksmond doorgaans 'het Brusselse Stripmuseum' genoemd. “Die stilte na hun overwinning? (Zucht) Ik weet het…”

Het is glashelder dat Isabelle Debekker beseft welke afstand er in de muren van het vroegere Waucquez-textielwarenhuis ligt opgeslagen. Ze weet dat wat zich afspeelde buiten de muren van het beroemde gebouw van Horta – dat in 1906 werd ingehuldigd in de Zandstraat en 32 jaar geleden de leegstand inruilde voor een rol als thuis voor het befaamde Belgische beeldverhaal –, iets anders was dan wat binnen werd verbeeld. “Ik denk dat iedereen in dit huis daarvan overtuigd was,” benadrukt Isabelle Debekker. “Toen ik aan mijn mandaat begon, wist ik dat we een berg werk te verzetten hadden, dat er een enorme kloof gaapte tussen wat we waren en wat we wilden of konden of moesten zijn.”

LA PETITE HISTOIRE
Dat overgangsmoment, in het jaar dat het Belgisch Stripcentrum zijn dertigjarige bestaan vierde, verliep tumultueus. Isabelle Debekker, die toen vijf jaar in dienst was als algemeen secretaris van het Stripcentrum en drie maanden als tijdelijk vervanger voor de na tien jaar afgezwaaide directeur Jean Auquier had opgetreden, werd in een open brief bijzonder kritisch onthaald door de scene die ze zou gaan vertegenwoordigen. Het woord 'belangenvermenging' viel – omdat het Stripcentrum een overeenkomst heeft met traiteur Les Frères Debekker, van wie één dochter Brasserie Horta in het Stripcentrum uitbaat, en de andere met de benoeming het centrum zelf in handen zou krijgen – en tegelijk werd de vrees geuit dat het Stripcentrum zijn ingezette koers, ver weg van het levende centrum dat het ooit ambieerde te zijn, onwrikbaar zou voortzetten.

“Ik heb zoveel gelezen en gehoord dat zo fout was,” reageert Isabelle Debekker. “Het idee dat ik eens lief had gelachen naar de raad van bestuur en die me, om mijn mooie glimlach, de functie van directrice cadeau had gedaan, tja... Tegelijk denk ik wel dat de procedure transparanter kon – de open vacature leek uit te sluiten dat iemand van binnen het huis het zitje zou claimen. En ik ben er ook van overtuigd dat er andere kandidaten waren die met verve de rol van directeur hadden vervuld. Maar de keuze viel op mij. Waarom? Goh, ook voor mij was dat een verrassing, hoor. Nog steeds trouwens.”

“Net zo goed geloof ik dat de vrees voor een voortzetting van het beleid in een echte bekommernis grondde. De connectie, de continuïteit, dat netwerk dat dertig jaar geleden wel nog echt bestond, is ergens onderweg zoekgeraakt. Al wil ik ook wel zeggen dat er niet niets is gebeurd. Veel van de keuzes die werden gemaakt, kan je ook linken aan wat het betekent een museum te zijn, de moeilijkheid om reactief te zijn, in te spelen op het moment.”

Het moment grijpen, heeft Isabelle Debekker sinds haar aanstelling nog niet kunnen doen. Vier maanden stond ze aan het hoofd van het Stripcentrum toen de pandemie land en stad platlegde. “In feestjaar 2019 kregen we 263.000 bezoekers over de vloer, een record. Voor 2020 mikten we op 300.000 bezoekers, het zijn er 83.748 geworden. En het is nog lang niet gedaan. Onlangs hebben we zeven mensen moeten laten gaan, 30% van ons personeelsbestand, en nog steeds staat een aantal van onze mensen halftijds op technische werkloosheid. Dat heeft te maken met het feit dat we een privé-instelling zijn, die leeft van de verkoop van tickets. 85% van onze inkomsten vloeit daaruit voort, nog eens 5% halen we uit de brasserie, de boekhandel en de verhuur van zalen, en 10% zijn subsidies voor tentoonstellingsprojecten – fondsen die dus ook alleen daarvoor gebruikt kunnen worden. Als je dan 70% minder tickets verkoopt, weet je dat de toestand penibel is.”

DE TEKSTBALLON DOORGEPRIKT
“Met onze financiële werking zijn we een beetje de vreemde eend in de culturele bijt,” vertelt Isabelle Debekker. “Ik blijf het droevig vinden dat een land dat algemeen wordt beschouwd als een van de wiegen van de negende kunst, zijn Stripcentrum niet méér ondersteunt. Dat heeft ook te maken met de bizarre politieke structuur van België en het feit dat wij tussen de plooien vallen. Omdat we niet voor de ene dan wel de andere taal willen kiezen. Tweetaligheid is voor ons belangrijk, het is deel van ons DNA. Maar vooralsnog betekent niet kiezen, verliezen.”

United comics of Belgium, de tentoonstelling die vandaag een deel van het Stripmuseum bezet, kan in die context een statement zijn. Onder de artistieke leiding van Yslaire en Thierry Van Hasselt werden negen curatoren aangezocht die elk twee andere stripmakers onder hun hoede kregen. Het resultaat is een indrukwekkend, tweetalig panorama van de hedendaagse Belgische stripscene, dat reikt van Judith Vanistendael, Johan De Moor, Marec, Hermann en Ephameron tot Wide Vercnocke, Léonie Bischoff, Exaheva, Noémie Marsily, Aurélie William Levaux en Mathilde Van Gheluwe. En van cartoons over interactieve, digitale strips tot brutale, ingetogen, intieme, fantasierijke, speelse, gestileerde en grillige beeldverhalen.

“Ik voelde me er thuis,” vertelt Karolina Szejda, een van de LUCA-graduates die, aan de overkant van de Zandstraat, vanuit De Knalgele Kubus het Marc Sleen Museum opschudden. “Door de variatie van wat je te zien krijgt, door andere jonge makers deel van het verhaal te zien worden. Maar ook door de schetsen, het proces dat zichtbaar wordt gemaakt. Voor een jonge maker is het interessant om te zien hoe verhalen ontkiemen, met een droedel of een zin. Die vuile, verkreukelde papiertjes mogen een plaats krijgen in dat prachtige art-nouveaugebouw. Als zelfs zoiets daar thuis kan zijn, dan ik ook.”

Eindelijk. Want het is lang anders geweest. De voorbije jaren leek het te vaak alsof het Stripmuseum onder een stolp zat, gestold was tot een plek die er niet in slaagde het stof van een roemrijk verleden van zich af te schudden, en niet kon, of wou, ontwaren hoezeer de grond waarop het stond, daverde van de werklust, de vernieuwingsdrift, de kruisbestuiving, de creatie. Natuurlijk zijn de fratsen van Franquin en de klare lijn van Hergé onoverkomelijk deel van het verhaal, maar als er aan de briljante belofte die het verleden ooit in zich hield, geen lijn naar het heden wordt verbonden, loopt het spoor dood. Als al die furie en folie van – onder zoveel meer, onder zovele anderen – De Geslepen Potloden, het Festival du Fanzine du Bunker, Atelier Mille, Les Ateliers du Toner, L'appât, Femixion, Frémok, de Zine Club in Muntpunt, Super Structure, Sterput, Cuistax, De Knalgele Kubus, Cultures Maison, Salon Mirage, L'employé du moi buiten de muren wordt gehouden, dan verwordt het centrum zelf tot periferie.

TRAIT D’UNION
Terwijl de afgelopen jaren onder meer het MIMA (met Art is comic en Obsessions), het Joods Museum (met Superheroes never die) en het festival What Is It? toonden hoe vanuit het verleden naar het heden grijpende strips en hedendaagse experimenten ver boven hun mogelijkheden kunnen uitstijgen, raakte het Stripmuseum steeds meer in een strijd verwikkeld met de voortsnellende tijd, de uitdijende stad en een schijnbaar onaantastbaar gebouw. Een gebouw dat even glorieus leek als gedoemd om te vervagen met wat het tentoonstelde, dat zich als een vloek opdrong aan pogingen om de scenografie van eeuwige tijdelijke muren te doorbreken. Op papier boeiende onderwerpen werden te vaak te mager uitgewerkt en te klassiek gepresenteerd – als een sjabloon dat over elk onderwerp kan worden gelegd.

1752 STRIPMUSEUM ILLU musee BD
© Noemie Marsily

“Ik denk dat we meer met het gebouw moeten werken en niet langer tegen het gebouw,” vertelt Isabelle Debekker. “Het beheer van het gebouw is, naast het verhaal van het beeldverhaal, deel van onze doelstellingen. Dat is geen gemakkelijke mix. Een bunker zal het hier nooit worden, dit is geen nieuwe ruimte, opgetrokken vanuit het idee een museum te zijn. Maar het is wel een fantastisch gebouw en we hebben wel degelijk bewegingsruimte om het te herdenken. Ik denk dat er een beter evenwicht mogelijk is, als we het nog meer naar voren schuiven, sommige plekken aan die verbluffende art nouveau laten, ze in de oorspronkelijke staat en glans herstellen en andere voor de strip reserveren. Zodat beide kunnen verbluffen.”

Isabelle Debekker beseft dat ze goud in handen heeft, dat de open brief van de stripscene bij haar aanstelling ook betekent dat het Stripcentrum van nature autoriteit in de schoot krijgt geworpen. Maar ook dat daar verantwoordelijkheden tegenover staan, en er veel werk, tijd en geld nodig is om het potentieel tot volle bloei te laten komen. “2020 had het jaar moeten zijn van de ontmoetingen. Met de auteurs, de scholen, de ateliers en de festivals, om het netwerk weer op te bouwen. Dat is in het water gevallen. Ik heb wel contacten, maar het moet intensiever, breder. En het moet verder gaan dan een gesprek. Woorden zijn mooi, maar we zullen samen moeten denken, opbouwen en voortgaan.”

“Op dit moment maken buitenlandse toeristen 85% uit van onze bezoekers, Brusselaars ongeveer 7%. De keuze die zich opdringt, is of we een culturele instelling zijn die geconnecteerd is met de actualiteit en de stad, of een toeristische attractie, waar de enige missie is om geld te verdienen om nieuwe tentoonstellingen te organiseren die weer geld opbrengen om nieuwe expo's te kunnen maken… Dat is de keuze, en ik ben aan het kiezen. Wij willen een trait d'union zijn in de scene, een draaischijf van de Belgische strip. Daarvoor moeten we de referentie worden die de auteurs willen dat we zijn, daarvoor moeten we duidelijk maken dat Kuifje en de Smurfen deel zijn van het verhaal, maar dat dat verhaal daar niet stopt. Ik droom ervan om onder dit dak intergenerationele ateliers te organiseren, wekelijkse lezingen, residenties, een supercollectie op te bouwen en te laten reizen… Brussel heeft een intense band met de strip, het zou de moeite zijn om die opnieuw meer te ontwikkelen. Maar om die titel van stripstad te claimen, heb je niet genoeg aan wortels alleen.”

TOEKOMSTVISIOEN
Wat is er dan wel nodig om van het centrum het hart van een wereld te maken? Voor de 'Knalgele Kubiste' Karolina Szejda zijn dat: “Stripspeeddates! Tinder voor tekenaars. (Lacht) En wat ruimer: ontmoetingen, het gevoel deel van een zekere dynamiek te zijn. Als jonge stripmaker was het zo onwaarschijnlijk om deel uit te kunnen maken van De Knalgele Kubus, om dat vertrouwen te krijgen. Samen met die andere talentjes werken, geeft zin om te groeien. Een plek waar gecreëerd wordt, is zo belangrijk. Voor pas afgestudeerden is het lastig om de brug te maken tussen studies en de professionele wereld. Ik was zelf verlamd door dat toekomstbeeld: wat ga ik hiermee doen? Niemand vraagt naar strips, er zijn geen vacatures. Zo'n ruimte in het Stripcentrum zou een geweldige motivator zijn. Of iets als (het Antwerpse festival, red.) Grafixx, een gedeeld moment waar je creatie ziet plaatsgrijpen, de dialoog kan aangaan.”

“Onderschat ook het belang van gratis hapjes en cava niet voor een startend stripmaker,” pikt Wauter Mannaert, schepper van utopische werelden, eigentijdse fabels en het Schaarbeekse stripatelier De Geslepen Potloden, in. “Als ik een groot Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal zou mogen dromen, zou het een plek zijn waar ik op donderdagavond altijd iets zou kunnen beleven. Ik zou er mijn zuurverdiende centen door kunnen jagen aan boeken, posters, prentkaarten of originele tekeningen, en arm, aangeschoten, maar met een gevulde tote bag terug naar huis waggelen. Ik zou er één keer per jaar terechtkunnen voor een beurs, georganiseerd door scheppers van waanzinnige fluo riso-prints en alternatieve, prachtig vormgegeven graphic novels. Ik zou er mijn kinderen aan de deur kunnen droppen voor de meest ongelofelijke avonturen met de meest getalenteerde animatoren. Een paar keer per jaar zou ik er een klepper van een tentoonstelling kunnen zien. Een tentoonstelling die een dure catalogus waard is, en een vernissage waar Frans, Nederlands en Frenglish door elkaar worden gepraat. En als ik dan een project naar een uitgever zou sturen, zou die al weten dat ik tu en vous in één zin gebruik.”

Die hele dynamiek is ook voor Dominique Goblet, als stichtend lid van uitgeverij Frémok een natuurkracht in het Brusselse beeldverhaal, wat de droom tastbaar kan maken. “Het zou een levende plek moeten zijn, een kruispunt van echte creativiteit. Met een festival, evenementen, workshops, residenten, ruimtes voor creatie door studenten en makers die rond dat zwaartepunt van de strip zweven. Het beeldverhaal is al zo vaak herdacht, voor het museum zou hetzelfde moeten gelden. Wat kan een museum vandaag betekenen voor een actief en dynamisch en levend ding als de strip? In mijn ogen moet een echt Stripcentrum een soort draaischijf worden, zichtbaarheid geven aan een patrimonium, de klassieke BD franco-belge, maar in dat artistieke verleden van de strip ook de vernieuwing van de codes proberen te ontwaren die de brug slaat naar de hedendaagse creativiteit. Ik zie geen kloof tussen Guust Flater en wat ik probeer te doen, als je uitgaat van de idee dat elke artistieke productie iets nieuws moet kunnen bijdragen aan het medium. De rol van een museum is dan om representatief te zijn voor de waaier aan creativiteit die speelt in de Belgische strip. Zonder grenzen.”

Grenzeloos. Zo moet het Stripcentrum zijn toekomst tegemoet gaan. In navolging van waar het ooit kiemde, in dat charmante voorstel van Duistere steden-burgemeester François Schuiten om een Hergé-museum op te richten in de hoofdstad. Naar verluidt was Hergé ontroerd door het aanbod, maar boog hij het plan om – een warme aanbeveling voor de Gelucks van deze wereld – om er een plek voor alle stripscheppers van te maken. Een echt Belgisch Stripcentrum, in het hart van een levendige stripscene. Wanneer die rare jongens van Brussel, de grote classici en de fanzinisten, de kinderstrips en de beeldrijke gore er allemaal even hard thuis zijn, dan bruist het binnen even hard als buiten. Dan is de utopie een kwestie van details. Dan spreek je van hét Stripmuseum in dé hoofdstad van de strip.

UNITED COMICS OF BELGIUM
> 12/9, Stripmuseum, www.stripmuseum.be

Meer nieuws uit Brussel
Vooraan op BRUZZ

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?