Back to the roots: naar Genk met Gorges Ocloo

Gorges Ocloo© Ivan Put

Back to the roots betekent voor Gorges Ocloo op de trein naar Genk tot het eindstation blijven zitten. En van daaruit een ommetje maken naar de omliggende wijken Kolderbos en Sledderlo. Tussen Theater Aan Zee en het TheaterFestival door leidt de muzikale theatermaker en beeldend kunstenaar hors catégorie ons naar de oorsprong van zijn kunstenaarschap.

Wie is Gorges Ocloo?

  • wordt geboren in Koforidua, Ghana in 1988 en komt op zijn twaalfde met zijn ouders en twee broers naar België
  • volgt elektromechanica aan het Technich Instituut Sint-Lodewijk in Genk en kunsthumaniora aan PIKOH in Hasselt
  • blinkt uit in muziek, dansen, freerunning, atletiek en beatboxen
  • ontdekt de beeldende kunsten en het theater bij straattheater Yawar in de wijk Sledderlo
  • behaalt een master in Theaterregie aan het RITCS
  • debuteert met de Medea-bewerking Scarlet-Anansi-Ocloo
  • speelt mee in Oeps (Theater Antigone), Futur simple (De Maan), Europa in de herfst (Theater Malpertuis) en de film Problemski Hotel (Manu Riche)...
  • bedenkt in Genk het kunstproject met flitspalen Polz with soulz en de rapopera C-Hal over het leven na Ford Genk
  • maakt indruk met de monoloog Wat is de wat van hetpaleis
  • danst met Haider Al Timimi in Studio Shehrazade van Kloppend Hert en ARSENAAL, geselecteerd voor het TheaterFestival (5 & 6/9, www.theaterfestival.be)
  • speelt in Race van ARSENAAL (7/12, KVS BOX) en regisseert Moby Dick, at last Queequeg speaks bij LOD muziektheater (3 & 4/4, Kaaistudio’s)

Op Theater Aan Zee speelde Gorges Ocloo nog twee zeer uiteenlopende én veeleisende hoofdrollen. Voor de romanbewerking Wat is de wat van Simon De Vos met Mauro Pawlowski zette hij zijn tanden in een lange monoloog. Studio Shehrazade met Haider Al Timimi – straks ook op het Belgische en Nederlandse TheaterFestival te zien – is dan weer een intens dansduet waarvoor hij op een gegeven moment zelfs op hoge hakken moet.

Tijdens een van die verschijningen op de scène liep hij een verstuiking op, waardoor hij ons nu met de wandelstok moet voorgaan door zijn Limburgse hometown. Gelukkig zijn de dimensies van het netjes aangeharkte nieuwbouw-Genk al bij al beperkt, en kunnen we na het ommetje in het centrum met een stipte bus van De Lijn naar de buitenwijken.

1672 ROOTS Gorges Ocloo6
© Ivan Put
| Gorges Ocloo met Georges Comhair, de welzijnswerker die al 25 jaar de straattheatergroep Yawar leidt: "Gelukkig hebben we Gorges dat legeruniform uit het hoofd kunnen praten"

Achteraf bekeken zal de tocht ons – net als de twee genoemde theaterstukken – laten pendelen tussen tekst en beeld. Het zijn de elementen die in de geest en in het werk van Ocloo permanent met elkaar worstelen. Eindpunt van de dagtrip is het huis van het sociaal-artistieke straattheater Yawar, waar de fysieke en in beelden denkende Ocloo zijn roeping vond. Maar wanneer we aan het begin van de trip het treinstation uitkomen, staan we meteen pal voor de indrukwekkende nieuwe bibliotheek van Genk.

Ocloos verbluffend gebrachte monoloog Wat is de wat indachtig, vraag ik of hij vroeger misschien al een lezer was, maar dat is uitdrukkelijk niet het geval. “Ik ben dyslectisch. Ik kwam dus alleen in de bibliotheek voor muziek en af en toe een audioboek. Toen ik jong was en er in de klas gelezen moest worden, vond ik dat wel lastig. Maar na een tijdje heb ik het gewoon aanvaard. Op het RITCS is het een beetje beter geworden door de aandacht van een paar goede docenten – Jan Devos, Geert Opsomer en Pol Dehert. Een goede kant aan dyslexie is dat ik de dingen anders lees en dus ook anders zie.”

Toch lijkt het voor een acteur die teksten uit het hoofd moet leren niet zo handig om dyslectisch te zijn. “Als je mij wilt martelen, moet je me een boek te lezen geven. En wat de theaterteksten betreft: ik ben een fysieke speler. Aan alles wat ik op scène zeg, hangen bewegingen vast. Ik kan dus geen tekst leren zonder me de inhoud in beelden voor de geest te halen, en te weten hoe ik me op de scène ga bewegen. Omdat dat trager gaat, kunnen mensen die me nog niet kennen soms ongerust worden, maar uiteindelijk komt het wel goed.”

Gorges Ocloo heeft in Genk op drie plekken gewoond. Voor hij met zijn ouders en zijn twee broers naar het centrum kwam, belandde hij op zijn twaalfde vanuit Ghana in Oud-Winterslag. Vluchtelingen waren ze niet. “Wij zijn gewoon nomaden. Wij verhuisden naar België zoals een Belg naar Zwitserland zou verhuizen. Ik heb een tante in Amerika, een oom in Hamburg, een broer in Engeland en wie weet ga ik zelf ooit naar Zweden.” Eenmaal in het centrum van Genk woonde hij in een appartement niet ver van het station, boven Shopping 3.

De ruimte tussen beide, die nu helemaal is volgebouwd, was toen nog de aantrekkelijke open vlakte van de parking. Daar heeft hij ettelijke uren doorgebracht met zijn kompaan Gökhan Girginol, die andere acteur en theatermaker die gekleurd Genk heeft voortgebracht. “We kenden elkaar van school en overdag kwamen we hier muziekmaken. Hij was vooral een tekstmens met zijn raps. Ik beatboxte. Als we aan een wedstrijd deelnamen, wonnen we elk in onze eigen categorie. Toen we samen naar het RITCS gingen, deden we dat om België over te nemen en te bevrijden van het suffe mijn-kat-is-dood-theater.” (Lacht)

Voodookind

Maar eerst neemt Ocloo ons mee naar wassalon ’t Dolfijntje in de Grotestraat. “Hier zette mijn vader mij zaterdagochtend af met zakken vol was. Dat was mijn wekelijkse taakje. Sorteren, wassen, de droogtrommels vullen, de lakens strijken in de strijkmachine… Mijn moeder vond het onderscheid tussen vrouwen- en mannenwerk de grootste onzin die er bestaat en ik deed het ook graag. Het was een moment van meditatie. In de draaiende wastrommels verschenen constant beelden die ik met elkaar liet botsen in mijn hoofd. Zo doe ik het nog altijd als ik theater maak.”

Als we vragen naar de eerste sporen van theater in zijn leven, komen we ook bij het fijne gezin Ocloo uit. “Vader en moeder speelden in zekere zin ook toneel. Ze maakten nooit ruzie, maar bekvechtten constant met veel humor. Dan zei mijn moeder bijvoorbeeld hoe slecht dit land wel was en antwoordde mijn vader dat hij haar spullen zou pakken zodat ze terug kon gaan naar haar brousse. Toneel en vooral muziek waren er ook in de pinksterkerk die we in Ghana bezochten.

Als we de parabel van Kaïn en Abel moesten spelen, wilde ik slechterik Kaïn zijn, en als dat niet mocht, begon ik te huilen. Ik heb ook veel te danken aan voodoo, dat ik ken via mijn vader. In het Westen denkt men dan altijd aan de popjes, maar dat is maar 0,000001 procent van voodoo. Voodoo gaat over jezelf durven te zijn, weer een kind zijn, je durven over te geven aan jezelf zonder je druk te maken over de oordelen van anderen.”

De verhalen blijven komen in het wassalon. De moeder van Gorges komt van het Ghanese Ga-Adangbe-volk en zijn vader uit de Ewe-gemeenschap in de Volta-regio tegen Togo. Tussen die twee regio’s staat de berg Lolovo, wat ‘de liefde is voorbij’ betekent. Omdat de volkeren vroeger harmonieus samenleefden, tot de berg hen volgens de mythe na een ruzie heeft gescheiden. Gelukkig hebben Gorges’ ouders met hun liefde die mythe uitgedaagd.

1672 ROOTS Georges Ocloo
© Ivan Put
| Gorges Ocloo in wassalon 't Dolfijntje: "In de draaiende wastrommels verschenen constant beelden die ik met elkaar liet botsen. Zo maak ik nog altijd theater"

Over de Ewe vertelt Ocloo dat ze “nine nine” werden genoemd. “Een scheldwoord erger dan ‘neger’. Omdat noch de Togolezen, noch de Ghanezen hen wilden, beschikken de Ewe maar over een klein stuk land met weinig vegetatie. Het enige wat we hebben, is onze wil om snel te leren en ons aan te passen. In elk Ashanti-huishouden werkt er wel een Volta-meid. In onze taal bestaat het woord ‘motivatie’ trouwens niet. Het is ja of nee. Als je ‘ja’ zegt, ga je er helemaal voor. Jezelf daarvoor motiveren is niet nodig. Zo ben ik ook.”

Dat aanpassings- en doorzettingsvermogen lijkt ook een troef voor een migrant. “In discussies over integratie wordt ‘je aanpassen’ vaak als iets negatiefs gezien. Alsof je jezelf dan aan de kant schuift. Terwijl dat niet hoeft. Dat je wat je hoort en ziet bij anderen onthoudt om te gebruiken wanneer je het nodig hebt, wil niet zeggen dat je jezelf verloochent. Ik zal altijd een rat uit Genk blijven die zich kan aanpassen als er ergens andere codes heersen. In theater werk je ook voortdurend met codes.”

Heeft hij nooit ervaren dat hij zichzelf moest wegcijferen, of dat anderen zich wel erg laat zijn beginnen af te vragen of ze misschien ook iets van hem konden leren. “Als je het over racisme hebt: dat ik vroeger veel vocht, kwam vaak door racisme. Je had in die tijd in Genk mensen van Marokkaanse, Turkse, Italiaanse, Spaanse, Poolse en Nederlandse oorsprong, maar er waren maar twee zwarte families: de Ocloos, en de Esosa’s die in Waterschei woonden. En wij werden soms uitgekakt, ja.

Als iemand op de bus stapte en zei: ‘Neger, sta op, jij!’, dan sloeg ik erop. Tot ze wisten dat ze moesten opletten met mij. Dat was de mentaliteit van The godfather en Scarface die in ons zat. Je was Tony Montana of je was een schnol. Toen Gökhan en ik het Belgische theater wilden overnemen, zaten we nog vol onrust. Ik heb zelfs op het punt gestaan om te stoppen aan het RITCS, omdat ik ruzie had met een docent die zijn manier van theatermaken wou opdringen. Tot we op een dag een versie van Wachten op Godot maakten vanuit een voodoo-point of view. Heel rustig en helder. We kregen een staande ovatie en sommige docenten begonnen zelfs te huilen. Toen zag ik in dat ik ook zo mijn verhaal kon vertellen: rustig maar met vuur.”

1672 ROOTS Gorges Ocloo5
Met Gorges Ocloo achter de schermen in het centrum van Genk: "Er waren maar twee zwarte families: de Ocloos, en de Esosa's die in Waterschei woonden"

Dit seizoen staat Ocloo met ARSENAAL ook in Race van David Mamet. Hier en daar staat het gekleurde acteurs ondertussen nochtans tegen om in stukken over racisme mee te spelen. “Klopt, ik heb er het schijt aan. (Lacht) Maar Dirk Van Dijck had het idee voor het stuk al drie, vier jaar geleden en het is ook door mijn drukke agenda dat het werd uitgesteld. We weten nog niet hoe we het zullen aanpakken. Maar als we 400 jaar Shakespeare kunnen spelen, dan kunnen twee of drie jaar voorstellingen over racisme ook geen kwaad.”

Freerunner

We zijn lang genoeg blijven mijmeren in het wassalon. Wanneer we de plek verlaten, is er een hartelijk oponthoud wanneer Ocloo zijn vroegere Yawar-maatje Salvatore tegen het lijf loopt. Maar nu lopen we door de aaneenschakeling van shoppingmalls, die ze in Genk handig genummerd hebben, van 1 tot 3. Vooral in Shopping 3 heeft Ocloo eindeloos rondgehangen. Hij spreekt de naam gretig uit met een dikke, slissende “sj”. Sowieso is hij blij om opnieuw flarden dialect te horen. Het Limburg-gevoel. Met Mauro Pawlowski, die de muziek maakte voor en live speelt in Wat is de wat, klikte het meteen. “Het is een manier van denken en spreken. Het cultiveren van een underdoggevoel, maar ondanks dat duidelijk Limburger blijven. Als je het hebt over roots: ik ben Ghanees en Genkenaar. Wel heb ik het gevoel dat kunst moeilijk ligt in Limburg. Limburgers zullen iets mooi vinden of niet, maar niet snel geneigd zijn er het fijne van te willen weten. Werken is belangrijker. Daarom trekken de meeste Limburgse kunstenaars naar Antwerpen of Brussel. Maar we blijven trouw aan onze dorpen.”

Aan het einde van de driedelige koopgoot staan we prompt voor het langgerekte Molenvijverpark. De eendjes scheren over het water waar de hondjes met hun baasjes omheen wandelen. “Ik ben altijd een beetje een eenzame mens geweest,” grijnst Ocloo. “Ik kon moeilijk vriendschappen onderhouden, want dan voelde ik me weer verplicht om iets te gaan eten of drinken. Hier kwam ik graag op mijn eentje. Verderop heb je een brug waar ik aan freerunning deed. Dat het ziekenhuis vlakbij was, was handig, want ik had toen ook al regelmatig verstuikingen, scheuren en breuken.” Ook het litteken op Gorges’ hand is van een glaswonde die hij opliep tijdens een acrobatische freerunningsessie door de stad.

Het is dat de atletiekpiste vlak bij zijn middelbare school Sint-Lodewijk wat uit de richting ligt, anders waren we daar ook langs geweest met de voormalige Vlaamse kampioen sprint, die zijn atletiekcarrière gefnuikt zag toen zijn korte Ghanese hamstringspiervezels afscheurden. “Ik vind het nog moeilijk om naar atletiek te kijken, maar ik kijk wel graag naar extreme sporten, en het lichaam blijft belangrijk. Het gevaar van theater is dat je zoveel met het hoofd werkt dat je je lichaam dreigt te vergeten. Daarom ging ik aan het RITCS ook met Marijs Boulogne naar het catch om ons lichaam uit te putten.”

Dat Ocloo in het Molenvijverpark ook soms gewoon onder een boompje ging zitten, heeft te maken met zijn bipolaire stoornis. “Ik had vroeger altijd een gevulde rugzak klaarstaan om te gaan wandelen als ik last kreeg. Ik probeer bezig te zijn in plaats van pillen te pakken die je zogezegd ‘normaal’ doen functioneren. Ik probeer ook de negatieve kanten van mezelf te omarmen. En het manische aspect kan helpen om te schrijven. De tekst van mijn afstudeerproject Scarlet-Anansi-Ocloo sprong van hier naar daar, maar Sam Bogaerts – een van mijn mentoren – vond die hoekige, beeldende tekst juist goed omdat hij de actrices verplichtte om alles te bevragen. Zo kreeg ik voor het eerst vertrouwen in mijn schrijven.”

Rattenvanger

Het is tijd om met de G1-bus naar Sledderlo te trekken, waar welzijnswerker Georges Comhair al 25 jaar de straattheatergroep Yawar leidt. Wanneer de bus passeert langs de horizontale blokken met sociale woningen van Kolderbos, waar zijn ouders nog steeds wonen, blijken de perkjes netjes aangeharkt en de gevels opgekuist. Op de graffitiletters “KDB” na, die niet voor Kevin De Bruyne staan, maar voor Kolderbos. “Proper aan de buitenkant, maar als je een voordeur opendoet, zie je soms de armoede. Zie je die sterren boven de toegangsdeuren van de blokken? In deze wijk krijgt elke blok één tot vier sterren. Als je blok te vuil is, wordt er een ster weggehaald door Nieuw Dak.”

Ocloo vertelt het verhaal van een jeugdvriendinnetje dat uit een rijke familie kwam. Haar vader zou hem op een dag naar huis brengen. Met zijn Lexus kwam hij Kolderbos binnengereden waar alle jongeren de auto omstuwden en nog verbaasder waren toen Gorges erin bleek te zitten. De dag erna kreeg hij een sms’je van het meisje: “We komen uit twee verschillende werelden.” Zo was de relatie voorbij.

Maar nu zijn we “Welkom in Nieuw-Sledderlo”, waar de Moskeestraat naar het atelier en de repetitiezaal van straattheatergroep Yawar leidt. Yawar zorgde ervoor dat Ocloo overstapte van zijn studies elektromechanica – die hij zo graag volgde dat hij vandaag nog menig theatertechnicus het vuur aan de schenen legt – naar de kunsthumaniora van het PIKOH in Hasselt. Yawar was niet voor de ‘Flamanos’, zoals de autochtonen in het centrum genoemd werden, maar voor de allochtone ‘ratten’ van de buitenwijken.

De rijzige Georges Comhair die ons meteen een tas koffie voorzet, is wel een ‘Flamano’. Terwijl Ocloo bezweert dat het zonder Yawar fout zou zijn gelopen met hem, en dat er hier doorheen de jaren potentiële scenografen zijn gepasseerd die ze in het RITCS niet zouden kunnen opleiden en beeldende kunstenaars die zo hun werk van de containers naar Bozar zouden kunnen brengen, vertelt Georges hoe hij veelal zonder veel steun van de lokale overheden inzette op fysiek en visueel theater waar jongens als Gorges iets aan hadden. Als pioniers werden ze een voorbeeld voor de zich ontwikkelende sector in het sociaal-artistieke jeugdwerk. Een paar keer kon er een gedenkwaardige uitwisseling naar het buitenland af, en al sinds de eerste editie in 2000 is Yawar een gewaardeerd deelnemer aan de Zinneke Parade.

“Gorges leerden we kennen door onze schoolprojecten. Voor een atleet die paracommando wilde worden, was onze aanpak gesneden koek, en gelukkig hebben we hem dat legeruniform uit het hoofd kunnen praten. Hij was onbevangen, had een aanstekelijke toegankelijkheid en lag goed in de groep. Hij was niet agressief, wilde bijleren en dingen uitproberen die niet meteen functioneel hoefden te zijn. Want dat is het waar het bij ons om draait: iets maken dat op zich de moeite is.

Terwijl meer en meer gasten nogal snel afhaken omdat ze geld willen verdienen. Ik denk dat Gorges bij ons geleerd heeft om van een wit blad en in overleg iets op te bouwen waarmee je visueel een verhaal kon vertellen.”

1672 ROOTS Gorges Ocloo3
© Ivan Put

Omdat Yawar geen zalen had om in te spelen, toonden ze hun voorstellingen op straat in de wijk. “Dan werden we continu bekogeld met kastanjes en muntstukjes om ons toch maar uit onze rol te krijgen. Als het moest, schreeuwden de gasten uit de buurt vijftig minuten aan een stuk. Zo werd je wel getraind om in je rol te blijven.”

Ocloo knikt gedecideerd. “Je hebt acteurs die niet voor jongeren willen spelen, maar toen ik Wat is de wat speelde voor Antwerpse scholen zag ik het meteen wanneer de ratten gingen samenzitten om elkaar op te jutten of ongeïnteresseerd hun gsm boven te halen. Dan speelde ik naar hen toe om hen te betrekken. Dat leidde op het einde soms tot emotionele reacties en gesprekken.

Er zijn in het theater veel talking heads voor wie theater alleen tekst is. Mensen die niet zien wat ze aan het zeggen zijn, omdat ze alleen maar bezig zijn met de schoonheid van hun woorden. Maar voor mij is er geen scheiding tussen tekst- en beeldend theater.” Zo zijn we meteen weer bij de bibliotheek aan het station, waar we de trein naar Brussel nemen.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?