Interview

De Weik van't Brussels: ‘Door het Brussels leren Franstaligen Vlaams spreken'

Maarten Goethals
© BRUZZ
29/11/2023
© Saskia Vanderstichele | Geert Dehaes, behoeder van het Brusselse dialect.

Komende vrijdag begint de Weik van't Brussels, een hoogmis voor wie zich wil onderdompelen in misschien het meest sappige maar ook het meest onbekende dialect van het land. Al ligt dat laatste zeker niet aan Geert Dehaes, drijvende kracht achter het Brussels Volkstejoêter en be.brusseleir. “Maak van het Brussels een echte cultuurtaal, voorbij de folklore.”

Hij beschouwt zichzelf niet als de redder van het Brusselse dialect. “Ik zou dat pretentieus vinden.” Maar het groeiende succes van het Brussels Volkstejoêter, de taallessen in het Brussels, en het stimuleren van academisch onderzoek naar een van de meest sappige dialecten van het land, valt wel degelijk op conto van Geert Dehaes (1976) en de zijnen te schrijven. “Maar het zou helpen als bekende namen zoals Angèle het ook zouden spreken.”

“Tom Vermeir, die in 1985 een Brusselse rijkswachter speelt, is een fantastische acteur. Maar waarom werd die rol niet aan iemand die echt Brussels spreekt gegeven?”

Geert Dehaes (be.brusseleir)

1868 GESPREK Brusseleir Geert Dehaes 3

Eerst even afbakenen: wat is precies het Brusselse dialect?
Geert Dehaes: Het Brusselse dialect is, historisch en taalkundig gezien, Vlaams-­Brussels, met hier en daar geadapteerde Franse woorden – vooral werkwoorden, zoals registreire, marcheire, permetteire. Het Frans komt ook terug in typische uitdrukkingen zoals zoe zwet as potafêr. Maar de basis vormt het Vlaams-Brussels, feitelijk een variant van de Brabantse streektaal. De invloed van het Frans deed zijn intrede in de negentiende eeuw, toen het als taal van de diplomatie en politiek opgang maakte. Dat proces kwam op gang na de Franse Revolutie en het ontstaan van België.

Hoe homogeen is dat Brusselse dialect? Wordt het overal op dezelfde manier gesproken?
Dehaes: Neen. Het kan zelfs van gemeente tot gemeente afhangen: die van Watermaal klinken niet helemaal hetzelfde als die van Molenbeek. Of neem het Bergades, het taaltje van de kermiskramers, en waar je het woord Bargoens in herkent. Typische uitdrukkingen zijn: floos, boeize of travakke. Een andere variant is het Marols. Dat kende een sterke invloed van de Waalse arbeiders die naar Brussel kwamen om te werken aan het Justitiepaleis. Om maar te zeggen: zoals elke taal evolueert ook het Brusselse dialect. Ik ben daarom geen taalpurist, iemand die de zuivere lijn bewaakt.

1868 GESPREK Brusseleir Geert Dehaes 1
© Saskia Vanderstichele | Geet Dehaes: "Brussel is een kleine wereldstad die snel evolueert, en dat maakt het niet evident om een dialect tastbaar te houden. De concurrentie met andere talen is veel groter. Het Antwerps kent die druk veel minder."

Voor veel mensen is dat Brussels eerder iets van vroeger. Een leuke gimmick, maar wel een gimmick. Wordt het nog effectief gesproken?
Dehaes: Je kunt het niet meer vastgrijpen. Toen ik opgroeide, kende ik plekken in de stad waar ik het dagelijks kon horen en spreken, nu lijkt het meer iets voor thuis, onder vrienden of bijvoorbeeld tijdens het voetbal. Het publieke aspect ervan is een beetje verdwenen. Nochtans, toen ik een tijd geleden optrad in Gent, zat de zaal voor de helft vol met Brusselaars. Ook in de Vlaamse Rand worden veel toneelstukken in het dialect opgevoerd. De mobiliteit in de samenleving leidt tot een mobiliteit van de taal. Maar voor mij bestaat het Brussels, want het kan buigen op een eigen spelling en grammatica; ik geloof in wat ik doe. Ik heb dat idealisme nodig.

In Brussel worden meer dan vijftig talen gesproken. Maakt dat het moeilijker om het dialect staande te houden?
Dehaes: Brussel is een kleine wereldstad die snel evolueert, dat klopt, en dat maakt het niet evident om een dialect tastbaar te houden. De concurrentie met andere talen is veel groter. Het Antwerps kent die druk veel minder. Maar dat maakt ook dat het Brusselse dialect wel kan helpen in het verbinden van de verschillende gemeenschappen, omdat het Brussels van nature openstaat voor vele invloeden. Streektaal kan als glijmiddel mensen bijeenbrengen. Zo hoor ik soms bij Franssprekende Brusselaars de neiging om Vlaamse uitdrukkingen te integreren, uit liefde voor dat dialect. Regarde ce peï avec son skieve nuis. Het Brusselse dialect helpt op die manier om het Nederlands te verspreiden.

Tonen inwoners met een migratieachtergrond eigenlijk interesse in wat jullie doen?
Dehaes: Sommigen volgen Toêllesse. Ze komen alleen of met iemand anders. Maar de aandacht is, algemeen genomen, wel minimaal. Er mag, wat mij betreft, meer samenspel zijn, meer dialoog. Maar 'it takes two to tango' – en dat lijkt voorlopig niet aan de orde.

Voor een West-Vlaming hangt zijn identiteit grotendeels samen met zijn dialect. Taal en mens maken als het ware één geheel uit. Maar Brusselaars kunnen zich perfect Brussels voelen zonder het Brusselse dialect te bezigen. Klopt die vaststelling?
Dehaes: Dat weet ik niet. Voor mij is het alvast een manier om mij als Brusselaar te identificeren; het maakt deel uit van mijn sociaal leven, mijn denken, mijn intuïties. Mensen in het buitenland zijn ook altijd verrast als ik het spreek. Ik ken ook veel Brusselaars, hier geboren en getogen, die het niet spreken, maar dat wel graag willen, omdat ze zich met die taal en met alle associaties met die taal identificeren. Dus leren ze enkele woordjes. Pei. Klet. Santei. Dat helpt om een aansluiting te vinden.

 Geert Dehaes (Brusseleir)
© Saskia Vanderstichele | Geert Dehaes van be.brusseleir: “Dialect spreken biedt een houvast in een wereld die steeds groter en onoverzichtelijker wordt.”

Wat levert die aansluiting menselijkerwijs op?
Dehaes: Een nieuwe taal leren is altijd leuk. En zeker het Brussels: het is sappig, grappig, en het springt uit de band. Anderzijds is het Brusselse dialect ook een uitdrukking van een denken en een mentaliteit.

Zijnde?
Dehaes: Van een soort je-m'en-foutisme. Het idee ook van zwans en zelfspot. Fien Troch zei het vorige week nog in jullie magazine: in Brussel wonen maakt je empathisch. Hier geldt een beetje een zuiderse mentaliteit: morgen is een andere dag, en de zon zal wel schijnen. Dat optimisme komt naar mijn gevoel mooi tot uiting in het Brusselse dialect.

Zwans. Zelfspot. Dat zijn inderdaad de associaties die velen leggen bij het Brussels. Maar is dat niet eerder een vorm van identitaire mythevorming?
Dehaes: Wanneer ik andere Brusselaars tegenkom, kan ik alleen maar hetzelfde concluderen: het ligt in onze natuur. We forceren het niet: we zijn wel degelijk zwanzers die met alles en iedereen lachen. In de eerste plaats met onszelf.

Als het Brusselse dialect niet echt nog massaal wordt gesproken, heeft het in stand houden ervan dan niet iets folkloristisch?
Dehaes: Dat heeft zijn evolutie gekend. Twintig jaar geleden zat het inderdaad in die hoek van pure folklore, en dat bedoel ik niet negatief. Het was toen veel meer evenementieel. Maar onder andere door be.brusseleir groeide de academische aandacht voor het dialect. Kijk, eigenlijk is het Brusselse dialect een van de meest positieve exportproducten van Brussel, iedereen vindt het leuk, maar het wordt te weinig uitgespeeld, te weinig in de markt gezet. Daarom tracht be.brusseleir met verschillende initiatieven het dialect te bewaren, te bewaken en door te geven aan de volgende generaties.

 Geert Dehaes (Brusseleir)
© Saskia Vanderstichele | Geert Dehaes: "Die van Watermaal klinken niet helemaal hetzelfde als die van Molenbeek. Of neem het Bergades, het taaltje van de kermiskramers, en waar je het woord Bargoens in herkent."

Eigen Kweek, Onder Vuur, Nonkels, Chantal, Lili & Marleen: dialecten doen het goed op Vlaamse televisie. Grote afwezige: dat van Brussel. Met één uitzondering afgelopen jaar: 1985, de serie over de loden jaren tachtig en met het personage Guy Goffinard, een rijkswachtadjudant die Brussels sprak en gespeeld werd door Tom Vermeir.
Dehaes: Ik vind Tom een schitterende acteur. En hij sprak schoon Brussels, door lessen te krijgen van oud-minister Guy Vanhengel. Heb Tom zelfs een mailtje gestuurd om hem te feliciteren. Maar ik vraag me wel af: waarom kon die rol niet gegeven worden aan een echte Brusselaar? Waarom werd dat gevraagd aan een West-Vlaming? Ik ken wel een paar geschikte kandidaten.

Die massale aandacht voor dialecten in series. Wat zegt dat over de samenleving, volgens u?
Dehaes: Ik zie dat in een breder verhaal. Door dialect te gebruiken, grijpt de mens terug naar zijn roots. Het biedt ergens een houvast en een soort vertrouwen in een wereld zonder grenzen. Dialect doet een mens zich geborgen voelen, terwijl alles groter en onoverzichtelijker wordt. Ik zie iets gelijkaardigs in de keuze van kledij en meubels bij jongeren: het moet vintage zijn, tweedehands, iets van vroeger, iets met een authentiek karakter. Dat maakt het echt.

Is een van de problemen met het Brussels ook niet dat het geen bekende vertegenwoordigers heeft? Met Toots Thielemans stierf de laatste grote ambassadeur.
Dehaes: Toots zei in New York altijd dat hij van Brussel was. Wat ik tof vond, gezien zijn status. Maar voor mij was de grootste toch wel wijlen Julien Vrebos. Dani Klein, de zangeres van Vaya con Dios en van Evere, kan ook in een prachtig en authentiek Brussels praten. Om van te smullen.

Wie kan die rol van ambassadeur overnemen? Ziet u iemand klaarstaan?
Dehaes: Waarom niet Angèle? Haar vader, Serge Van Laeken is nen echte van Muilebeik. Of nog Zwangere Guy, dat es uuk nen echte.

Los van publieke figuren, dé manier om een taal breed ingang te laten vinden is via het onderwijs. Het Brusselse dialect in het Nederlandstalige curriculum opnemen, zou dat geen idee zijn?
Dehaes: Onlangs mocht ik samen met Martine Van Lier, coördinerend directeur van het gemeentelijk Nederlandstalig onderwijs Molenbeek, enkele workshops geven in scholen aan het vijfde en zesde leerjaar. Gasten dus van elf, twaalf jaar. En werkelijk: ze waren in de wolken. Ik leerde ze tellen: ien, twie, draa. En zinnetjes als: Copain, volle gaas. Ze kregen ook de opdracht om een tekening te maken bij een Brusselse uitdrukking die ze leuk vonden. Toen ik de werkjes een week later kwam ophalen, riepen diezelfde gasten op de speelplaats naar mij: “Copain, volle gaas.” Dat ontroerde mij. Ze hielden dat vast, en lachten ermee. Het kan dus. Daarom moet het Brussels een cultuurtaal worden, iets van de mensen. Het is zoals een liedje zingen: als het blijft hangen, werkt het, heeft het betekenis en geeft het betekenis. Daarom breng ik begin volgend jaar een dialectnummer uit.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Lees meer over: Brussel, Events & Festivals, Weik van 't Brussels, Be.brusseleir, Brussels dialect, streektaal, Brussels volkstejoeter, Geert Dehaes

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie