interview

'Ik ben véél meer dan een Belgo-Congolees'

© Ivan Put
| Artistieke duizendpoot Nganji Mutiri: "Het is niet omdat ik een donkere huidskleur heb en uit Congo kom dat je van mij films mag eisen over de relatie tussen België en Congo, of tussen wit en zwart."

Nganji Mutiri leek vertrokken voor een carrière in de bank, maar van dichten, fotograferen, acteren, schrijven en filmen wordt hij veel gelukkiger. Zijn debuutfilm Juwaa is het speerpunt van een programma in Cinematek rond het thema Brussel & Kinshasa. “Schrijver word je door te schrijven. Dat principe pas ik op al mijn passies toe.”

Vrijdag opent Juwaa het Festival International de Cinéma de Kinshasa. In mei vloog Nganji Mutiri nog naar New York met zijn subtiele, mooie debuutfilm. De bioscooprelease is voor dit najaar, maar Juwaa kon en mocht niet ontbreken op 'The Act of Breathing', een rijkelijk gestoffeerd filmprogramma van Cinematek rond het thema 'Kinshasa & Brussel'. Juwaa is namelijk een familiedrama over de complexe toenadering en verzoeningspoging tussen een moeder en haar zoon. De twintigjarige Amani vindt in Brussel zijn schrijvende moeder Riziki terug. Hij heeft het er erg moeilijk mee dat ze hem tien jaar eerder in Kinshasa achterliet, ook al was haar leven toen in gevaar.

Scenarist en regisseur Mutiri was zelf zeventien toen hij in Brussel belandde toen zijn politiek actieve ouders om veiligheidsredenen Kinshasa moesten verlaten. “Ik zal proberen het kort te houden,” lacht hij. “Ik ben geboren in 1980 in Bukavu. Mijn eerste vijftien jaar bracht ik in Oost-Congo door. Na een jaar in Kinshasa moesten we vluchten en gingen we in ballingschap. In Brussel maakte ik eerst de middelbare school af en vatte vervolgens hogere studies aan: handelswetenschappen en buitenlandse handel. Ik werkte twee jaar voor Coca-Cola en bijna vijf jaar voor een grote bank.”

Vandaag ben je geen bankier maar een veelzijdige kunstenaar die een eerste langspeelfilm voorstelt. Waar is het misgelopen? Of is de vraag eerder: hoe kwam het alsnog goed?
NGANJI MUTIRI: Op een dag kwam ik tot het inzicht dat ik exact deed wat men – mijn ouders, de samenleving – van mij verwachtte. Ik was meegestapt in het cliché dat economische wetenschappen, recht en geneeskunde tot de eervolste beroepen leiden. Ik was een goede leerling… maar niet gelukkig, niet gepassioneerd. Zonder exact te weten wat ik wilde doen, heb ik mijn job bij de bank opgegeven. Ik was toen al enige tijd aan het dichten. In 2009 heb ik de poëziewebsite lartdetrehumain.net gelanceerd. Schrijver word je door te schrijven. Dat principe pas ik op al mijn passies toe.

Van poëzie kan je helaas haast niet leven.
MUTIRI: Ik kreeg het voorstel om mijn gedichten op een podium voor te dragen en dat beviel me zeer. Ik hou van artiesten die hun tekst interpreteren. Mijn eerste docent dramatische kunst was bij wijze van spreken Jacques Brel. Die bracht zijn teksten op fantastische wijze tot leven.
Ik kreeg podiumtips van rappers, acteurs en tekstschrijvers als Pitcho Womba Konga, Badibanga Ndeka of François Makanga. François wees me op een auditie van de Nederlandse regisseuse Lotte van den Berg, en ik versierde mijn eerst professionele opdracht in het theater. Les spectateurs ging in 2011 in première op het Kunstenfestivaldesarts. Ik speelde ook mee in Black: the sorrows of Belgium van Luk Perceval. Het is geen toeval dat ik eerst in Vlaanderen kansen kreeg en enkele buitengewone theaterervaringen beleefde. Het Vlaamse theater en de Vlaamse film getuigen van lef. De makers durven taboeonderwerpen aan te pakken. Dat doe ik zelf ook erg graag.

Van de banken naar de planken. Maar nu weten we nog steeds niet hoe je ook filmregisseur werd.
MUTIRI: Van dichten kwam gedichten voordragen, van de voordracht kwam theater. Tegelijkertijd verdiepte ik mijn passie voor fotografie. Mijn foto's brachten de Belgisch-Congolese rapper Badi op het idee om me te vragen voor de regie van een muziekclip. Het smaakte naar meer. Ik richtte met Watna Horemans en Grégory Laurent het artistieke collectief L'animalerie op. We experimenteerden met video, capsules en kortfilms. Het voordeel van een nieuwsgierige autodidact te zijn is dat ik geen schrik heb om mijn comfortzone te verlaten. In mijn werkkoffer zitten ondertussen veel werktuigen. Ik kom ook niet van een filmschool of een conservatorium, ik overtuigde mezelf door in verschillende domeinen hyperproductief te zijn. Ik kijk niet op een uur meer of minder.
Cinema is een van mijn grote liefdes. Ik consumeer sinds jaar en dag films uit de hele wereld. Monique Mbeka Phoba, een regisseuse die voor Cinematek het 'The Act of Breathing'-luik samenstelde, was danig onder de indruk van mijn kortfilm Le soleil dans les yeux, een productie van Samira Hmouda van City Lab/Pianofabriek. Ze moedigde me aan om niet te wachten met een langspeelfilm. Met Monique, mijn filmmeter, bereidde ik de film voor, met Quentin Noirfalisse van Dancing Dog Productions diende ik uiteindelijk een dossier in bij de Fédération Wallonie-Bruxelles.

Een langspeelfilm is een enorme onderneming. Je draaide Juwaa in Brussel en Kinshasa. Is alles vlot verlopen?
MUTIRI: Toen Juwaa af was, nam ik me voor om nooit meer een langspeelfilm te draaien. Ik concentreer me wel op schrijven, acteren en fotograferen. Ik ben twee keer ziek geworden en heb heel veel werk moeten verzetten dat ik niet zag aankomen. Pas op het terrein ervaar hoe weinig plaats het artistieke gedeelte inneemt vergeleken met alle andere besognes: het aansturen van een filmploeg, de logistieke uitdagingen, de stress van een moeizame financiering.
Maar de publieksontvangst na de wereldpremière op het FESPACO (Festival panafricain du cinéma et de la télévision de Ouagadougou, red.) was onvergetelijk en maakte alles goed. Ook de gesprekken met regisseurs zoals Tshoper Kabambi, Nelson Makengo en Clarisse Muvuba die me bijstond tijdens de Congolese opnames, hebben me weer van gedacht doen veranderen. Films maken is aartsmoeilijk, maar het loont. Op het Afrika Filmfestival in Leuven hebben we de publieksprijs gewonnen.

1806 nganji mituri3
© Ivan Put

Voelde je je verplicht om een verhaal te vertellen over Congo én België, Brussel én Kinshasa?
MUTIRI: Ik ben niet goed met verplichtingen. Minstens twee keer heb ik het filmproject willen afbreken omdat het wrong. Ik heb het nodig om me uit te drukken: met die zelfzuchtige behoefte begint het. Ik wil ook graag zien en horen wat ik te zelden zie en hoor. Maar er zijn zovéél verhalen nog niet verteld. Ik heb een reservoir aan ideeën voor kortfilms, series en films. Verhalen uit mijn continent van oorsprong, verhalen uit mijn continent van adoptie. Ik heb ook een verhaal over de liefde tussen een Vlaamse Belg en een Waalse Belg. Ik ken geen film die de culture spanningen in België dramatiseert.
Het is niet omdat ik een zwarte huidskleur heb en uit Congo kom dat je van mij films mag eisen over de relatie tussen België en Congo, of tussen wit en zwart. Ik ben in de eerste plaats een mens. Ik heb toevallig een donkere – geen zwarte – huid. Natuurlijk ken ik de spanningen die gelieerd zijn aan de kolonisatie. Maar wat als ik meer voel voor een liefdesverhaal? Ik kijk naar films uit alle windstreken en genres. Het meest hou ik van drama's die me zwaar raken omdat ik empathisch meeleef en zo aan het denken word gezet over mijn eigen leven. Met welk authentiek verhaal kan ik de mensen raken? Daar draait het om, of je nu Belgo-Belgisch bent of een Congolees in België. Ik wil niet in een vakje gestopt worden, dat motiveert me enorm om een film te maken die men totaal niet van mij verwacht.

Begrijpelijk. Vanuit een ander perspectief: als jij niet voor de dag komt met een film als Juwaa, wie zal het dan wel doen?
MUTIRI: Precies door dat argument heb ik me laten overtuigen. Ik had de kans een film te draaien, misschien was het de enige. Ik ben gepassioneerd door mensen uit Sub-Saharisch Afrika. Hun verhalen komen te weinig aan bod. En zoals Toni Morrison het zegt: “Als je vindt dat er een boek ontbreekt, schrijf het zelf.” Daarom nam ik mijn verantwoordelijkheid. Zonder goed te beseffen dat er al lang geen Belgo-Congolese film meer was gedraaid.
Ik begrijp ook wel dat het haast een verplichte passage is om bij de eerste film dicht te blijven bij wat je goed kent. Maar ik heb geen zin om het diversiteitsvakje te vullen. Juwaa is geen geschiedenisles, maar een singulier verhaal. Amani en Riziki zijn Amani en Riziki, ze staan niet voor alle Congolezen. Dat kan ook niet. Wat ik geloof en denk is niet wat mijn zus gelooft en denkt, hoewel we samen zijn opgegroeid. Binnen één gezin zijn er al grote verschillen tussen broer en zus, waarom zou je dan een heel volk over dezelfde kam scheren? Omdat er in film en televisie een gebrek is aan vertegenwoordiging en diversiteit gebeurt dat wel nog. Jammer, want in een filmzaal kan je samen met mensen die je niet kent diep geraakt worden door Iraanse, Koreaanse, Franse, Belgische personages met een heel andere religie, cultuur, huidskleur of seksuele voorkeur. Dat is de magie van cinema.

1806 nganji mituri2
© Ivan Put

Stond je erop dat het ook een mooie film werd?
MUTIRI: Ik hou van fotografie en schilderkunst, natuurlijk wil ik dat het mooi is. Voor het eerst stond ik niet zelf achter de camera. Maar goed ook, gezien het vele werk. Director of photography Quentin Devillers heeft fenomenaal werk verricht. We hebben met moodboards gewerkt. Zoals in de poëzie wil ik het allebei: een emotie of reflectie én schoonheid. Er zijn academici en intellectuelen die geen oog hebben voor de esthetiek en alleen hameren op het intellectuele debat. Maar de meesten onder ons hebben schoonheid en muziek nodig. “Ik ben zelf de eerste toeschouwer van mijn film,” zoals Sidney Lumet aanbeveelt in het boek Making movies.

Je film raakt identeitsvraagstukken aan. De ene verwijt de andere een valse Congolees te zijn. Of tot Jezus te bidden en niet tot de voorvaderen. Nog iemand anders vertelt dat het woord/begrip Afrika een Europese uitvinding is.
MUTIRI: Zoals Despo Rutti, een Franse rapper van Congolese origine, loop ik niet graag achter een vlag aan. Een vlag wappert met de wind mee. Het is ook altijd opletten met leidersfiguren die willen bepalen wie een goede Belg, Congolees of Amerikaan is, en wie niet. Let op met de identiteiten waarvoor je bereid bent te sterven. Ik wil sterven voor de mensen van wie ik hou, maar niet voor een vlag.
De primaire identiteit is het makkelijkst aan te nemen: waar ben je geboren, hoe heet je, wie zijn je ouders en hoe ben je opgegroeid? Ik heet Nganji Mutiri. Ik heb de familienaam van mijn vader, want ik leef in een patriarchale samenleving. Ik heb het geluk gehad dat ik zowel in Bukavu als in Brussel opgroeide met vrienden met uiteenlopende roots. Dat is mijn eerste identiteit. Ik vertegenwoordig tegelijk mijn familie, mijn lief, Congo, België, Brussel. Al moet ik bij Brussel een kanttekening plaatsen, want ik woon tegenwoordig in Groot-Bijgaarden: dat voelt wel als Brussel, maar het is een deelgemeente van Dilbeek. De Vlaamse Rand dus.
We hebben allen meervoudige identiteiten. Om het simpel te houden, zeg ik soms dat ik een Congolees ben die in België woont, of noem ik me een Belgo-Congolees. Maar in werkelijkheid ben ik uiteraard véél meer dan dat. Zoals een Brusselaar of een Waal meer is dan een Brusselaar of een Waal.

In Juwaa wordt zowel Frans als Swahili gesproken.
MUTIRI: Jua betekent zon in het Swahili. Om poëtische en marketingredenen heb ik daar juwaa van gemaakt. Cultureel zelfvertrouwen, weten wie je bent, is zeer belangrijk. Voor mij zou het Swahili even cool moeten zijn als Frans, Nederlands of Lingala.
Ik denk er niet aan om een Koreaanse film in een Frans of Engels gedubde versie te zien. Niet alleen het verhaal boeit mij, ik geniet ook van de cultuur op de achtergrond: hoe zien de huizen eruit, wat eten ze, waar kijken ze naar op tv, hoe klinkt hun taal? Ik moest hommage brengen aan twee belangrijke nationale identiteiten: Congo en België. Dus wordt er Swahili en Frans gesproken in mijn film. Een repliek in het Nederlands is voor de volgende keer.

JUWAA
14/7, 19.00, Cinematek, www.cinematek.be
Bioscooprelease in het najaar

Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?