interview

Stef Kamil Carlens verklaart zijn liefde voor Franstalige muziek

© Tom Cornille

De Antwerpse muzikant en beeldend kunstenaar Stef Kamil Carlens viert vijftig jaar op planeet aarde met een avond à la française op het FrancoFaune-festival. “Creëren is mijn manier om te overleven.”

Ooit droomde Stef Kamil Carlens ervan om Freddie Mercury of David Bowie te worden, en anders zou hij wel de blues vertimmeren à la Tom Waits. Maar gaandeweg slopen er tussen zijn helden uit de Engelstalige muziekwereld ook Franstalige grootheden. Léo Ferré, Alain Bashung, Brel, Dalida, de lijst werd almaar langer. Op de albums met Zita Swoon doken er nummers in het Frans op, schoonheden als 'Je range', 'L'opaque paradis' en 'De quoi a besoin l'amour', een duet met Axelle Red. Carlens raakte bevriend met Franse zangers als Daniel Darc en Bertrand Belin, en werkte samen met onder meer Miossec.

Zijn liefde voor het Franstalige lied culmineert nu in een soloset op FrancoFaune, het Brusselse festival “pour la biodiversité musicale” dat hem uitnodigde om in Théâtre 140 door zijn en andermans Franstalige repertoire te struinen. Carlens zal er in zijn uppie “des chansons d'amour, des chansons de joie de vivre, et des chansons de malheur” zingen, zoals hij het zelf onlangs aankondigde. Eigenlijk is het gek dat het zo lang geduurd heeft, met een Franstalige vrouw en een vader die zich altijd heeft verdiept in de Franse cultuur.

“Ik zing al lang songs in het Frans,” vertelt Stef Kamil Carlens enthousiast aan de telefoon vanuit zijn Hobokense hotspot, The Rabbit Field, waar niet de konijnen maar de kippen in de achtergrond de aandacht opeisen. “Maar ik vond het een uitdaging om die allemaal een keer te bundelen. Ik ben al maanden bezig met de voorbereiding. Dat er nu zoveel aandacht naartoe gaat, zet toch wat druk op de ketel.”

FrancoFaune noemt je niet voor niets “depuis 25 ans une légende de la frite-pop.”
Stef Kamil Carlens:
Haha! Ik weet niet of ik dat geslaagd vind, maar waarom niet?

Kwam het idee om in je Franse ziel te spitten van hen?
Carlens:
Ik weet niet meer exact hoe het gelopen is. Als alles goed gaat, doe ik volgend jaar een uitgebreide solotournee. Daarvoor was ik al een tijdje intens aan het oefenen en arrangeren. Ik speel met een heel uitgebreide set instrumenten. Gitaren, en tegelijkertijd dingen die ik met mijn voeten bedien. Ik omring me ook met een reeks keyboards en twee drumcomputers, waaronder een Roland CR-8000, een van de eerste programmeerbare drummachines van begin jaren 1980. Ik ga niet al mijn instrumenten gebruiken, dan zou ik een oplegger moeten huren, maar het wordt wel een hele choreografie. Lang verhaal kort: ik was sowieso mijn songs naar die setting aan het vertalen, en daar zaten ook veel Franstalige liedjes bij. Daaruit is het gegroeid, denk ik.

Wie heeft er destijds voor gezorgd dat de Franstalige cultuur steeds meer begon binnen te sijpelen?
Carlens:
Voor een groot stuk Laurence, mijn vrouw. Ze is opgegroeid in de buurt van Doornik. We hebben samen veel door Frankrijk gereisd. Om te spelen, maar ook voor ons plezier. Ik heb er veel mensen leren kennen, onder wie een pastoor uit de Cevennen, Jean-Pierre. Hij heeft me Alain Bashung doen ontdekken, ten tijde van diens album Fantaisie militaire, een megasucces in Frankrijk. Ik was daar echt ondersteboven van. Daarna ben ik alles van hem beginnen te beluisteren. Ik vond dat een prachtig universum. Hij was de brug naar oudere chansonniers, Bécaud, Ferré, Dalida... Er is zoveel.

Wat heb je in die Franse cultuur gevonden wat de Engelstalige muziek niet kon geven?
Carlens:
Ik zie geen grenzen tussen Engelstalige, Franstalige of Nederlandstalige muziek. Muziek is muziek. Als de luisteraar de taal beheerst, is dat natuurlijk een heel andere beleving. Ik hou erg veel van de verhalen die in liedjes verteld worden. Maar ik kan ook genieten van pakweg Indiase muziek, in een taal die ik niet begrijp.
Met Zita Swoon speelden we veel in Frankrijk, op den duur wilde ik toch op een directere manier communiceren. Ik spreek sowieso elke dag Frans met mijn vrouw. En mijn vader is romanist, hij gaf les aan de normaalschool en heeft zich altijd verdiept in de Franse literatuur en kunst.

Klopt het dat hij je teksten corrigeerde?
Carlens:
Als de gelegenheid zich voordeed, ja. Hij beheerst het Frans dan ook beter dan gelijk welke Franstalige. (Lacht)

Welke Franstalige song van jezelf ga je zeker op de setlist zetten in Théâtre 140?
Carlens:
Verschillende, maar alvast zeker 'Je range'. Dat liedje heb ik geschreven nadat een goede vriend van mij, Bart, zelfmoord had gepleegd. Hij was een paar dagen daarvoor nog bij mij geweest en was in een dronken bui zijn muts en sjaal vergeten. Die twee objecten waren een bevreemdende echo van zijn aanwezigheid in mijn kamer. Ik stopte ze in een doos, en daar zitten ze nog steeds. Vandaar kwam het idee om alles op te ruimen, en al die gevoelens en gedachten die zijn dood hebben getriggerd in lades te stoppen, om een soort van emotioneel overzicht te krijgen.

1726 Stef Kamil Carlens
© Johan Jacobs
| Voor zijn solosoiree in Théâtre 140 diept Stef Kamil Carlens zijn mooiste outfits én instrumenten op

In het VTM-programma Liefde voor muziek toonde je dat je elk liedje kan hertalen in een emotionele rollercoaster. Welke Franstalige songs ga je zo'n behandeling geven in Brussel?
Carlens:
Onder meer 'C'est comment qu'on freine ?' van Alain Bashung, een kwaad new-wavenummer van begin jaren 1980 van zijn album Play blessures, waarvoor Gainsbourg de teksten schreef. Ik werk ook aan een versie van 'La mort' van Barbara, over een vrouw die tegelijk sensueel is en de verpersoonlijking van de dood. Heel bevreemdend.

Welk Frans liedje betovert je elke keer opnieuw?
Carlens:
'Gigi l'amoroso' van Dalida. (Lacht) Dat is zo'n frivool, simpel nummer, maar het moment waarop Gigi naar dat dorpje terugkeert met zijn staart tussen zijn benen en zij hem erbij roept en zegt, komaan, we kennen je nog, je bent hier thuis, dan krijg ik altijd tranen in de ogen. Ik krijg nu al kippenvel als ik er nog maar aan denk. Er zit veel trash in het oeuvre van Dalida, maar ze heeft ook pareltjes uitgebracht. Ik hou van haar stem, haar présence. Mijn vriend Jean-Pierre begon altijd liedjes van haar te zingen wanneer hij wat te veel gedronken had. Misschien komt die liefde voor haar ook door hem. (Lacht)

DRIJVEN
“Woow! Sorry, ik ben soep aan het maken,” verklaart de Antwerpse song and dance-man zijn plotse kreet. Carlens producet de comebackplaat van de Antwerpse zangeres Leki, straks komt ze opnemen in The Rabbit Field, “maar niet zonder de magen te spijzen.” Vorige week ging hij dan weer op café met Arno in Brussel, vertelde ons een foto op Facebook. Gaat hij niet komen meezingen? “Nee, ik ga het echt helemaal alleen doen. Maar nu je het zegt, ik heb al vaak met Arno gezongen, maar nog nooit in het Frans. Hij heeft mij wel altijd aangemoedigd om in het Frans te zingen. Als jonge gast droomde ik ervan om ooit iets voor hem te kunnen schrijven. Begin jaren 2000 heb ik voor hem een Franstalig liedje gemaakt, 'Vide'. Ik was superzenuwachtig toen ik hem een cd'tje overhandigde met dat nummer, maar tot mijn grote vreugde nam hij het op en bracht hij het uit op zijn album French bazaar. Ik ga het ook brengen in Le 140, in een eenvoudige versie met mezelf alleen op Wurlitzer.”

Arno heeft altijd zijn eigen, 'Europese' versie van de blues willen maken. Had jij ook zo'n welgevormd idee van hoe je muziek moest klinken?
Carlens:
Ja, en dat kwam honderd procent door Arno. Ik had al snel gezien hoe hij op albums als Choco van TC Matic heel veel werelden bij elkaar bracht – blues, volksmuziek, new wave, chanson – en hoe hij daar een eigen taal uit puurde. Dat Europese aspect werd bij hem een soort van poëtische identiteit. Dat vond ik ongelofelijk inspirerend, hoe je je kon laven aan Amerikaanse bluesmannen als Sonny Boy Williamson en John Lee Hooker, en daar toch je eigen versie van maken. Ik kende Arno toen nog niet, maar op de een of andere manier voelde ik zijn goedkeuring om dat te kunnen doen.

Verwijst je driedelige naam ook niet naar die oude bluesrotten?
Carlens:
Absoluut. (Lacht) Ik heet ook echt Stefan Martha Camille Carlens. Mijn grote voorbeeld was de Amerikaanse bluesgitarist Stevie Ray Vaughan. Ik wilde daar een Vlaamse versie van maken.

Ondertussen ben je “vijftig jaar op Planet Earth”. Is dat voor jou een mijlpaal?
Carlens:
Nee, jong, ik ben daar totaal niet mee bezig. Ik geef ook maar om de tien jaar een feest, alleen dit jaar helaas door corona dus niet.

“Oh my Lord I must admit I don't know how to live my life,” zong je aan het begin van je carrière in 'She = like meeting Jesus'. Weet je dat nu beter?
Carlens:
Amai, dat is een moeilijke vraag zo vroeg 's morgens. (Denkt na) Een belangrijk aspect aan het leven is een plek vinden waar je jezelf kan zijn en ontplooien. Bij mij is dat hier, in The Rabbit Field. Ik ben echt een maker. Als je dat vermengt met die eigenheid van daarnet, geeft dat een soort rust. Ik zag onlangs een reportage over Miró, die heeft tot zijn 90e gecreëerd. Dat is een droom.
Maar goed, voor de rest blijft het leven zoeken en improviseren. Als kind leer je véél dingen, maar niet hoe je moet leven. En wanneer je dan een ander leven op de wereld zet, moet je dat ook allemaal uitvlooien want niemand heeft je verteld hoe je dat moet doen. Ik probeer mij te informeren, ik lees veel, en kijk hoe andere mensen de dingen aanpakken. Maar het blijft een mysterie, net zoals die kippen die hier elke ochtend een concert geven. (Gekakel) Sorry, wat zei je?

(Luid) Dat er minder kwaadheid in jou zit, las ik, en dat je meer evenwicht hebt gevonden.
Carlens:
Dat heb ik voor een groot deel aan mijn vrouw te danken, ze heeft me veel geleerd over de balans tussen lichaam en geest.

“Ik hoop dat er nog veel verrassingen komen, zowel voor het publiek als voor ons,” vertelde je in een interview met Jan Douwe Kroeske tijdens een 2 meter sessie 25 jaar geleden. Word je nog verrast?
Carlens:
Voortdurend, en dat maakt het zo fantastisch. In 2009 hebben we met Zita Swoon een best of uitgebracht met als titel To play, to dream, to drift. Dat vat het voor mij samen. To play is evident: het samenspelen, creëren. To dream is het dromen van wat je wilt creëren, het nadenken over de inhoud en de vorm, en over de methode om uiteindelijk tot het resultaat te komen. Maar het derde is het allerbelangrijkste, to drift, en dat blijft zo. Na 2009 had ik me voorgenomen om minder te 'drijven', maar uiteindelijk drijf ik toch nog altijd iemands wereld binnen, of zij de mijne.

Je bent altijd de katalysator van je eigen vrijheid geweest. Net toen dEUS ging ontploffen, stapte je uit de band. Zita Swoon liet je vervellen tot Zita Swoon Group, om uit het harnas van de band te ontsnappen. Drie jaar geleden ging je solo.
Carlens:
Zita Swoon Group was mijn ideale manier om interactie aan te gaan met artiesten uit andere artistieke disciplines of andere culturen. Ik wilde het klassieke idee van een zanger die begeleid door een band zijn verhaal vertelt, loslaten. Ik trok naar Burkina Faso om er samen te werken met Awa Démé en Mamadou Diabaté Kibié, in België ging ik een verbond aan met dansers als Inge Van Bruystegem en choreografen als Anne Teresa De Keersmaeker, ik schoof bandleden als Eva en Kapinga Gysel naar voren. Ik heb zes jaar muziekgemaakt en tegelijk stukken geregisseerd en decors ontworpen. Dat was heel intens. Daarna wilde ik weer iets simpels doen. Solo. Vroeger was alles altijd een groepsgebeuren, nu ligt de regie bij mij.

Op je laatste album, Making sense of infinity, kijk je minder naar jezelf en meer naar buiten. “The problems we have can all be solved at the same level of thinking we were at when we created them,” filosofeer je in 'Fresco'. Zijn kunstenaars meer 'woke' dan vroeger?
Carlens:
Ik denk dat er veel veranderd sinds 9/11, en de financiële crisis van 2008. Er is een soort van wantrouwen gekomen, over hoe de politiek werkt, hoe een democratie draait, hoe het financiële systeem in elkaar zit. Dat citaat is trouwens van Einstein. (Lacht) 'Fresco' is een ode aan de Amerikaanse futurist Jacque Fresco, die opgegroeid was tijdens de crisis in de jaren 1930. Hij vond het absurd hoe de warenhuizen vol goederen lagen die de mensen niet konden betalen. Hij heeft daarna zijn hele leven gewijd aan het bedenken van een fictieve, alternatieve maatschappij, een soort utopie waarin de fysieke werkelijkheid van een plant die groeit of een mecanicien die een wiel aan een auto draait niet losstaat van een abstract financieel systeem. De tekst van dat liedje is een hertaling van een interview dat Fresco deed met Larry King begin jaren 1970. En daarin citeerde hij Einstein.

Wat verwacht je zelf van kunst?
Carlens:
Veel. Een wereld om in te wonen. Mijn zoon zei gisteren: zonder muziek zou ik niet kunnen leven. Hij is achttien, ik vond dat heel mooi om uit zijn mond te horen. Ik heb dat heel lang geleden ook voor mezelf gezegd, dit is een manier om te overleven. Kunst heelt en entertaint, ze is een drager van gedachten en verhalen, ze voedt, ze geeft vorm aan wereldvisies én aan de kleinste persoonlijke emoties.

Wanneer wist je dat muziek jouw taal zou worden?
Carlens:
Toen ik veertien was en één dag. (Lacht) Ik kreeg een gitaar en ik wist: dit wordt het.

“C'est la seule chanson du monde qui ne finira jamais,” zingt de betreurde Dalida in 'Histoire d'un amour', een liedje dat je zelf ook speelt. Is dat wat muziek doet, het oneindige leven geven?
Carlens:
Niet alleen muziek, maar kunst in het algemeen kleurt alles, geeft inhoud, betekenis, zin, joie de vivre. De schoonheid, in de heel brede zin van het woord, is de motor.

17/10, 20.00, Théâtre 140, www.francofaune.be

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees ook

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?