Van Gogh in Brussel: 'Een droevig en diep melancholiek toneel'

© Mercatorfonds

Vincent van Gogh verbleef negen maanden in Brussel: drie maanden voor en een half jaar na zijn mislukte avontuur als evangelist tussen de mijnwerkers van de Borinage. Tijdens zijn eerste Brusselse periode volgde de diepgelovige Vincent een opleiding als zendeling aan een protestantse school op het Sint-Katelijneplein. Maar de nachtelijke kleuren en klanken van de havenbuurt fascineerden hem meer dan de lesstof.

H et had gesneeuwd, die dag na Kerstmis in 1878, toen Vincent van Gogh van de trein stapte in het station van het straatarme Borinagedorp Pâturages. Met zijn rode krullen en bleke, diepliggende ogen viel hij meteen op als een buitenstaander. Bovendien was hij “goed gekleed” en vertoonde hij “alle kenmerken van Hollandse reinheid”, zoals een dominee uit een naburig gehucht zich later herinnerde.

Van Gogh was vijfentwintig. Hij had enkele donkere jaren achter de rug met lange periodes van angst, twijfel en sluimerende neerslachtigheid. Zijn beroepsleven was een aaneenschakeling van teleurstellingen geweest. Hij was mislukt als bediende in de kunsthandel van Londen en Parijs, als onderwijzer in Ramsgate, als predikant in Isleworth, als boekverkopershulp in Dordrecht en een studie klassieke theologie in Amsterdam bleek te hoog gegrepen. Voorts was hij een verliezer in alles wat sociaal belangrijk werd geacht: hij had geen werk, hij kon niet in zijn eigen onderhoud voorzien en was er niet in geslaagd een gezin te stichten. De relatie met zijn ouders en andere naaste familieleden was gespannen. Maar nu, in de winter van 1878, nog worstelend met een depressie, zou alles anders worden: hij zou voortaan gaan leven als zendeling onder de mijnwerkers in de Borinage.

Ceders en klimop
Zijn plan was gaan rijpen in Brussel waar hij net een driemaandelijkse proefperiode als aspirant-evangelist doorlopen had. Op voorspraak van zijn vader, dominee Dorus van Gogh, had hij zich ingeschreven aan de school verbonden aan de Nederlandse Evangelische Kerk op het Sint-Katelijneplein nummer 5. Van de studenten werd vooral welsprekendheid verwacht. Dat lichte programma moest Vincent beter liggen dan een volwaardige theologiestudie. Bovendien was Brussel hem goed bevallen tijdens eerdere bezoeken.

De school, in een omgebouwd, voormalig pakhuis, bestond bij nader inzien uit welgeteld één lokaaltje. Er was geen secretariaat, geen budget. Er werkte één leraar, de eenbenige Dirk Bokma die regelmatig gratis assistentie kreeg van protestantse evangelisten uit de buurt. Er waren slechts enkele leerlingen.

Tijdens de week zat Vincent veertien uur per dag in de klas. Volgens zijn leraar was hij intellectueel superieur aan zijn drie studiegenoten, maar was hij ook tegendraads. Toen hem gevraagd werd naar het verschil tussen de nominatief en de accusatief, antwoordde hij dat hem dit geen zier interesseerde. Hij weigerde om notitie te nemen aan een tafel en wilde niet afwijken van zijn gewoonte om zijn schrift op de dijen te leggen. Het viel hem steeds moeilijker om aanvallen van nervositeit en agressie te onderdrukken. Zo gebeurde het dat hij aan het eind van een les een klasgenoot vol in het gezicht sloeg na een discussie. Na dit soort incidenten was het de schoolleiding duidelijk dat hij niet over voldoende zalvend talent beschikte. Zijn proefperiode werd niet verlengd, officieel omdat hij onvoldoende bespraakt was om te improviseren als prediker.

In Laken begon van Gogh zich steeds meer terug te trekken op de kamer van zijn kosthuis aan de Trekweg 6, ongeveer waar de Havenlaan begint bij Sainctelette (het huis werd begin twintigste eeuw afgebroken). Hij at niet meer, lag ’s nachts slapeloos op de grond naast zijn bed en zonk steeds dieper weg in neerslachtigheid. Om zichzelf te tuchtigen ging hij schaars gekleed langs het koude, tochtige kanaal lopen. Hij bezocht het kerkhof van Sint-Gillis (“vol ceders en klimop en waar men over de stad kan zien”) en verkende Vorst (“De streek is daar zeer schilderachtig. Men ziet er alle mogelijke handwerk verrichten, koren zaaien, aardappels rooien, knollen wassen. Het heeft veel van Montmartre”).

Hij voelde zich onweerstaanbaar aangetrokken tot het verweerde Brussel van de maritiemwijk. De schamele straten deden hem nadenken over zijn eigen vergankelijkheid, over leven en lijden, over de zin en onzin van dit alles.

‘Klein estaminet’
In zijn enige Lakense brief aan broer Theo, gedateerd november 1878, doet hij verslag van zijn wandelingen. In het bijzonder werd hij getroffen door een tafereel dicht bij zijn woonplaats aan het kanaal. Op de Voiriekaai, vlak bij de Citroëngarage, bevond zich de stadsdienst die de straten schoonmaakte. Van Gogh sloeg er de straatvegers gade die ’s avonds na gedane arbeid weer terugkwamen. Hun vuilniskarren werden getrokken door oude witte paarden. Het tafereel deed de romantische Vincent denken aan een gravure van een eenzaam paard onder een stormachtige lucht, geëtst door de Franse kunstenaar Hippolyte Lecomte.

“’t Is een droevig en diep melancholiek toneel en dat ieder treffen moet die weet en voelt dat ook wij eenmaal moeten gaan door ’t geen wij sterven noemen. Het treft mij altijd en het is iets eigenaardigs, als wij zien het beeld van onuitsprekelijke en onbeschrijfelijke verlatenheid – van eenzaamheid – van armoe en ellende, het einde der dingen of hun uiterste dan rijst in onze geest op de gedachte aan God. Ten minste bij mij is dit het geval en zegt niet pa zelf ook – ik spreek nergens liever dan op ’t kerkhof want aldaar staan wij allen op gelijke grond.”

Een gelijkaardige ‘blauwe’ sfeer spreekt ook uit Café au Charbonnage, een tekening in potlood en inkt op papier die Vincent dubbelgevouwen mee in de enveloppe gestopt had – “een krabbeltje’, zo noemde hij het. Hij tekende toen sporadisch, maar zonder ambitie of plan. Onder een nachthemel, verlicht door een sikkelvormige maan, staat een uitgeleefd café dat zich wellicht bevond aan de Koolmijnenkaai waar enkele steenkoolbedrijven gevestigd waren. De naam van het café staat onder het doorbuigende pannendak boven de deur. Er schijnt licht in de gelagzaal en een kamer op de bovenverdieping, maar er zijn geen mensen te zien. Tegen het café is een schuur aangebouwd met een grote, hoge houten poort waarboven het opschrift ‘Charbons, cokes’ staat.

Evangelie voor mijnwerkers
“Een klein estaminet alwaar de werklui in hun schofttijd hun brood komen eten en een glas bier drinken,” aldus Van Gogh.

Vincent hield van de schemering, l’heure entre chien et loup wanneer de contouren zachter werden. Hij hield van de avond en de nacht. Op zijn twintigste schreef hij in een brief dat Avondstond van de Antwerpenaar Jan van Beers zijn favoriete gedicht was. Ook daarin komen een café en een maan voor. In de zomer van 1878, een paar maanden voor zijn komst naar Brussel beschreef hij lange wandelingen langs de oever van het Amsterdamse IJ wanneer hij troost vond in de nachtelijke hemel en de stilte: “Gods stem wordt gehoord onder de sterren”. Bepaald indrukwekkend is de lijst iconische Van Gogh-schilderijen die zich afspelen in de donkere uren, zoals De aardappeleters (Nuenen, 1885), Caféterras bij avond (Arles, 1888), Nachtcafé (Arles, 1888), De sterrennacht boven de Rhône (Arles, 1888), De zaaier (Arles, 1888), De Sterrennacht (Saint-Rémy, 1889).

In die lastige Brusselse dagen las Vincent toevallig over de inwoners van de Borinage in een boek. “Ze houden zich alleen bezig met het ontginnen van steenkool. In een indrukwekkend spektakel daalt de geachte arbeidersbevolking dagelijks driehonderd meter onder de grond af. De mijnwerker is een bijzonder mensentype in de Borinage. Voor hem bestaat de dag niet, alleen op zondag geniet hij van de zon. Onder gevaarlijke omstandigheden werkt hij, het lichaam dubbel geplooid, in het flauwe, vale schijnsel van een lamp in een nauwe mijngang. Soms moet hij kruipen. Hij werkt om aan de aarde het zo nuttige mineraal te ontrukken, in duizend, telkens weer opduikende gevaren. Maar toch is de Belgische mijnarbeider gelukkig.”

De beschrijving wekte bij Vincent opnieuw een oud verlangen: het evangelie brengen aan de mijnwerkers, de meest vermaledijde arbeiders die in hun nederige, dienende leven zelf het meest op Christus lijken. Hij besluit om Brussel te verlaten en zonder officiële aanstelling als evangelist naar de Borinage te vertrekken. Hij wil er zijn hemel verdienen, maar vindt er de hel.

Volgende week: aflevering 2. Na zijn mislukking als evangelist in de Borinage kiest Van Gogh eind 1880 voor de kunst en Brussel. Hij gaat zes maanden boven een café aan de Zuidlaan wonen en volgt les aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten.

Deze week verschijnt ‘Duistere wegen. Reis naar Vincent van Gogh in de Borinage’ (De Bezige Bij) van Pascal Verbeken. Over de onwaarschijnlijke saga van Vincent van Gogh in de Henegouwse mijndorpen.
De schilder van het licht vond zijn ware roeping in het zwarte land. Tegelijk is het boek ook een portret van een industrieel triomferend België, van de mythische Borinage, vroeger en nu. Ook de Brusselse periode komt uitvoerig aan bod.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Meer nieuws uit Brussel
BRUZZ Magazine
deze week
  • Vrouwen op straat tegen seksuele agressie
  • Union: 'We hebben de top bereikt, maar het allermoeilijkste is om daar te blijven'
  • Analyse: Hoe zou het nog zijn met Neo?
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Sunny Bergman brengt 'Oproerkraaiers' naar Beurscafé
  • Laura Wandel après Cannes, Bruxelles lui déroule le tapis rouge
  • Mohamed Toukabri dances with his mother
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement