reportage

De wonderlijke keerzijde van De Munt: een bezoek aan de ateliers achter de opera

In het decoratelier er staat nog een enorme zwarte raaf uit Der Rosenkavalier gestockeerd. ”We moeten altijd de juiste materialen vinden: licht, maar tegelijk stevig genoeg.”© Ivan Put

Net als alle theaters is de Muntschouwburg momenteel gesloten. Toch wordt achter de schermen hard gewerkt aan nieuwe producties. BRUZZ reist door de wondere wereld van de ateliers waar de kostuums, decors en rekwisieten van de opera ontstaan.

Letterlijk en figuurlijk achter de schermen van de schouwburg, in de mooi gerenoveerde ateliers aan de overkant van de Leopoldstraat, bevindt zich de machinekamer van de opera. Op de verschillende verdiepingen van dit statige gebouw wordt meestal al vanaf een jaar voor de première aan nieuwe producties gewerkt. Daardoor zijn verschillende vakmensen van de kostuum-, decor- en rekwisietenateliers nu toch al op een coronaveilige manier aan de slag om de uitgestelde, de reizende en de toekomstige producties – zoals Henry VIII, Bastarda, Falstaff of Der Rosenkavalier – voor te bereiden. Ook al zijn verschillende collega's nog afwezig door thuiswerk.

De grote goederenliften brengen ons eerst naar het afdelingshoofd kostuumateliers Regine Becker voor een enthousiaste rondleiding. In de gangen staan flightcases en dozen met kostuums van reisvoorstellingen opgestapeld om verscheept of juist weer uitgepakt te worden. Hier en daar worden zaken herschilderd, herschikt en opgeruimd: de kleine klusjes die vroeger al te vaak moesten worden uitgesteld, kunnen nu worden uitgevoerd om de werking in de toekomst te optimaliseren.

1738 atelier DeMunt09 2021
© Ivan Put
| Achter de schermen van De Munt

Dan geeft een inkijk in de grote opslagplaats, waar een deel van de kostuumreserve is ondergebracht, meteen een idee van het wonderlijke universum waarin we beland zijn. Kazuifels, ridderkostuums, dassen, hemden en pakken zo ver je kan kijken. Noem iets en Christine Van Loon, die over de reserve waakt, kan het tevoorschijn toveren. “De reserve is een beetje onze grot van Ali Baba,” legt Regine uit. “Hier kunnen we terecht als we tijdens repetities al kostuums willen simuleren op het moment dat de echte nog niet klaar zijn. Soms worden de gebruikte exemplaren die hier hangen ook vermaakt tot nieuwe kostuums. Daarvoor hebben we trouwens ook nog een opslagplaats waar vaak voorkomende stukken hangen, zoals witte hemden of zwarte jurken. En binnenkort verhuist ook ons depot in Evere met de kostuums van de repertoirestukken naar hier.”

Ten slotte is er ook een goede verklaring voor de trossen blauwe dildo's die aan het plafond van de kostuumreserve hangen te bengelen. “Die waren ooit voor een productie bedoeld,” grijnst Regine, “ik ben waarschijnlijk de enige die ooit honderd piemels besteld heeft. Uiteindelijk zijn ze nooit op de scène gebruikt, maar ze zorgen nog altijd voor hilariteit tijdens rondleidingen.”

Regine werkt bij De Munt sinds 1996 en stuurt nu een team aan van een veertigtal vakmensen die niet alleen in de reserve te vinden zijn, maar ook in het secretariaat, de stoffenreserve, het naaiatelier voor mannenkostuums, het naaiatelier voor vrouwenkostuums, het schoenenatelier, het atelier voor de hoeden en accessoires, en de ververij. Ze toont ons een hele serie tekeningen van kostuums die in de gang aan de muur hangen. “Het begint allemaal bij de tekeningen van de kostuumontwerper. In optimale omstandigheden krijgen we die een jaar voor de première. Het is altijd de bedoeling om die ontwerpen zo juist mogelijk en in detail uit te voeren. Maar als dan blijkt dat de hoepelrok van 1 meter 80 breed niet over het brugje in het decor kan, dan moet je in samenspraak kunnen bijsturen.” Op dit ogenblik bemoeilijkt corona natuurlijk dat soort overleg met de ontwerper, zeker als die laatste in het buitenland vertoeft. “Je kan op een tekening nooit de exacte kleuren, de stoffenkeuze en de pasvorm bepalen. Dus moeten we de stalen van stoffen die we in verschillende landen aankopen heen en weer sturen, en ondertussen via Zoom onze prototypes in wit linnen filmen.”

1738 atelier DeMunt08 2021
© Ivan Put
| Afdelingshoofd kostuumatelier Regine Becker: “In dit huis laten we niets aan het toeval over. Het is een grote boot die langzaam vaart, maar wel recht naar de bestemming.”

Wanneer eigen makelij niet kan of niet aangewezen is, koopt het atelier ook aan, nieuw of tweedehands. “Sommige kostuums kan je voor 100 euro nieuw kopen. Andere moeten er dan weer gedragen uitzien. Je kan dan kleren maken en ze vervolgens beschadigen, maar zo werkt het meestal niet. We doen een beroep op een heel netwerk van tweedehandswinkels en rommelmarkten.” Hergebruik en recyclage zijn trouwens een belangrijk aandachtspunt. “We hebben al eens een productie gemaakt met alleen maar hergebruikte kostuums. En voor Schoppenvrouw zitten we aan vijf procent eigen productie, dertig procent uit de reserve, terwijl de rest tweedehands is gekocht.”

SPINNEN OP LSD
We lopen voorbij de stoffenreserve, waar ook talloze kisten met knopen, elastiekjes, kant, vilt en boorden te vinden zijn. In de naaiateliers valt het licht op de kilometervretende naaimachines van Pfaff. We vragen of alle vakmensen hier van opera houden. “Ja hoor,” klinkt het in koor, en Regine beaamt: “Ik ben hier eerder bij toeval terechtgekomen, maar elke keer als het orkest begint te spelen, raakt dat me weer enorm. Dat is echt een gelukzalig gevoel. Ook wanneer de kostuums tot vlak daarvoor op mijn zenuwen hebben gewerkt omdat het toch nog begon te spannen. Opera is ook echt Gesamtkunst. Er is constant overleg tussen onze afdelingen, maar ook tussen de regisseur, de decor-, de kostuum- en de lichtontwerper en via Opera Europa wisselen we zelfs met de verantwoordelijken van de kostuumateliers in andere operahuizen informatie uit. We houden van elk kostuum een apart dossier bij, en het is nog nooit gebeurd dat iets niet lukte. Dat is het mooie: in dit huis is alles overdacht en gepland, we laten niets aan het toeval over. Het is een grote boot die langzaam vaart, maar wel helemaal volgens plan recht naar de bestemming.”

1738 atelier DeMunt06 2021
© Ivan Put
| Petra Van Dorpe en Marie De Ryck van het schoenenatelier. “Als het nodig is, bewerken we schoenen zelfs met wat modder.”

Wie daar ook van kan meespreken, is Jérôme Lambert. Hij werkt al 42 jaar in zijn met maskers, hoeden, juwelen, accessoires en kostuumdecoratie volgestouwde atelier. “Ik doe alles en werk met alle materialen en met allerlei technieken,” legt hij uit tussen een stapel rode mijters voor Henry VIII, en een set valse juwelen die volgens hem ook nog best wat geld kosten. “Het meest bizarre dat ik al moest maken? Dat zal dan toch die sjaal met als richtlijn 'spinnen op lsd' zijn. Het straffe is: als je dat opzoekt op internet, dan blijken spinnen op lsd nog te bestaan ook. Nu ja, we zijn hier ook niet om normale dingen te maken,” lacht Jérôme, die in zijn positie tussen ontwerpers en vertolkers wel moet zorgen dat alles ook wat draagbaar blijft. “Een zanger moet goed kunnen bewegen en zingen. Sommige zangers zijn daarom in het begin veeleisend, en nadien ook tevreden. Terwijl je er ook hebt die in het begin van het proces alles goed vinden, om dan op het einde te komen klagen, wanneer je geen tijd meer hebt om nog veel te veranderen. Dan komt er soms wel wat tact en mensenkennis aan te pas.”

Door de hedendaagse eisen van fotografie en streaming moet Jérôme steeds fijner en in detail werken. Daarnaast zijn er trends die komen en gaan. Sommige jaren is het meer epoque, soms meer hedendaags. Dan weer is het trashy of allemaal zwart-wit. Er is ook eens een seizoen geweest met opvallend veel ingewanden. Het toenemende aandeel naaktperformances betekent ook niet sowieso minder werk voor het kostuum­atelier. Zo heeft Jérôme eens een mannelijk geslacht moeten nabootsen voor een vrouwelijke performer. Waarmee het gesprek toch weer op de blauwe dildo's komt waarvoor hij de bijpassende testikels moest maken. “Toen alles in de ververij blauw werd geverfd, bleek de verf te kleven, waardoor we de hele handel ook nog eens hebben moeten talken.”

1738 atelier DeMunt07 2021
© Ivan Put
| In het naaiatelier. “We hebben een netwerk van tweedehandswinkels en rommelmarkten.”

Hoog tijd om naar de volgende schatkamer te trekken: het schoenenatelier waar Marie De Ryck en Petra Van Dorpe aan de slag zijn. De vraag of zij dan echt schoenen kunnen maken, is wat dwaas: daarvoor zijn ze inderdaad aangeworven. “Grote reeksen van dezelfde schoenen kopen we aan, maar de specifieke modellen maken we op maat,” zegt Marie, die haar eerste paar mooie witte laarzen nog boven haar werktafel heeft bewaard. Daarnaast staat een rek met heel uiteenlopende schoenen die als inspiratie blijven dienen. En dan is er ook nog een grote stock. “Daar staan de sneakers, daar de militaire schoenen, de winterlaarzen, de achttiende-eeuwse modellen, pumps met bobijnhak, pumps met gewone hak, zwarte schoenen, bruine schoenen…” Dat veel schoenen er wat versleten uitzien, heeft niet altijd met intens gebruik te maken. “Soms komt een regisseur zeggen dat de schoenen er te nieuw uitzien. En een landloper met mooie schoenen kan al helemaal niet. Die schoenen worden dan bewerkt, desnoods met wat modder.”

CONSTRUCTIES TOT IN DE WOLKEN
Tijdens het laatste bedrijf van onze reis rond de wereld belanden we in het decor en tussen de rekwisieten. De decorateliers zijn het terrein van de stoffeerders, beeldhouwers, schrijnwerkers, smeden en schilders. Centraal bevindt zich een enorm hoge ruimte met een uitgeruste theatermachinerie en passerelles rondom, waarin ook de grote stukken kunnen worden uitgetest. Er slingeren nog een metershoog oor en een gigantische oogbal rond, en er staat nog een enorme zwarte raaf uit Der Rosenkavalier gestockeerd.

1738 atelier DeMunt05 2021
© Ivan Put
| Beeldhouwer Thierry Springael in het sculpturenatelier.

“Decors worden steeds groter en ambitieuzer, waardoor we hier bijna gebouwen maken,” weet beeldhouwer Thierry Springael, die in het sculpturenatelier bezig is met de ornamenten die op de houten façades voor Henry VIII moeten komen. Zijn werkmaterialen zijn onder andere plaaster, silicone, hars en verhitte pvc. Dat de balustrades een beetje scheef staan en de moulures verschillende formaten hebben, is alleen maar te danken aan zijn vernuftige perspectieftechnieken. Ondertussen moeten de steeds grotere ontwerpen ook nog altijd in de liften en vrachtwagens kunnen. Vandaar dat losse oor van daarnet: “Grote sculpturen zijn demonteerbaar om te kunnen stockeren en transporteren. Om dezelfde reden moeten we ook altijd het juiste compromis vinden: lichte materialen die tegelijk stevig genoeg zijn. Vandaar ook het toenemende belang van het metaalatelier, dat voor de stabiele basis en stevige structuren van de constructies moet zorgen. Vroeger waren de veiligheidsvoorschriften iets minder strikt – gelukkig zijn er nooit ongelukken gebeurd – maar vandaag hebben we een heel studiebureau om de juiste inschattingen te kunnen maken.”

In het schilderatelier is Peter Tuyaerts ook al op verschillende fronten aan het werk: een beetje Bastarda, een beetje Henry VIII. Er moeten grote decorstukken zwart worden gespoten, maar Tuyaerts heeft ook net een indrukwekkend dreigend wolkendek geschilderd dat op een bewegend mechanisme aan het oog van de toeschouwers zal voorbijtrekken. “Dat was een van de artistiek uitdagendere projecten. Tegenwoordig werken we ook veel met prints en projecties, of met grijs beton en donkere kleuren.” Dat vindt de kleurrijke Tuyaerts dan weer wat minder interessant, al is hij zichtbaar op zijn plaats en in zijn nopjes op deze creatieve plek, en kijkt hij net als alle anderen uit naar het eind­resultaat waaraan hij heeft meegewerkt.

Zo komen we via de laatste gangen en trappen uit bij de rekwisieten. Ook dit atelier herbergt weer een heel universum. “De peper en het zout van het decor,” omschrijft verantwoordelijke David Bodson de creaties van zijn team, terwijl hij zich van het archief met dozen vol plastic kreeften, nepeieren, oesters, flessen en kurken naar de werktafel begeeft. “Dat archief dient voor noodgevallen of voor wanneer we tijdens repetities snel iets moeten aanreiken om uit te proberen.”

1738 atelier DeMunt03 2021
© Ivan Put
| Peter Tuyaerts van het schilderatelier: “Ik kijk altijd uit naar het eindresultaat waaraan we allemaal samen hebben meegewerkt.”

Soms levert zijn ploeg ook seriewerk, bijvoorbeeld wanneer een rekwisiet in het stuk wordt kapot geslagen, waardoor je voor elke voorstelling een nieuw exemplaar nodig hebt, of wanneer alle koorleden hetzelfde rekwisiet moeten hebben. Maar meestal brengt elke nieuwe productie weer nieuwe rekwisieten met zich mee, klein en groot. Zo is er voor The turn of the screw van Benjamin Britten een sculptuur in piepschuim in de maak van een kat die van een schoteltje melk drinkt, en daarbij een kleine beweging moet kunnen maken. Maar evengoed een piano waar geen muziek uit moet komen, maar wel een zanger doorheen moet kunnen kruipen. Deze mensen moeten dringend voortwerken, dus we zeggen deze boeiende parallelle wereld gedag. Hopelijk zien we al dit moois snel terug op de scène.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?