interview

Jan Jaap van der Wal, comedian zonder zijwielekes: ‘Humor ruimt de boel op’

© Ivan Put

Met III-ième breit Jan Jaap van der Wal, na De nieuwe Belg en Schoon, een slot aan een trilogie die de Nederlandse comedian steeds dieper de Vlaamse klei in moet trekken. Een genereuze hoeveelheid vaseline komt in de vorm van nachtwinkelkomkommers en fietsen zonder zijwielekes, vaderschap en natiebouwers zonder land, een breekbare Brel en krasjes in de ziel.

Vrijdagavond 11 maart, C-mine in Genk. Goed vijfhonderd Limburgers vullen de grote zaal van het cultuurcentrum tot de nok toe. Op het podium vergaart een vermassacreerde, met graffiti overspoten piano een dikke wolk smog, die ook de rest van de zaal in nevelen legt. “Zodat de Covid netjes in de ruimte blijft hangen,” prikt Jan Jaap van der Wal in de omvangrijke en voor het eerst weer maskerloze bubbel.

De Nederlandse comedian, die tijdens the rona een heen-en-weertje deed tussen het satirische Canvas-programma De ideale wereld, een zitje in de jury van De slimste mens ter wereld, zijn rol als team captain bij de AVROTROS-actualiteitsshow Dit was het nieuws en zijn ongewilde maar van verlangen lillende stand-upvoorstelling #Huidhonger, is blij weer gezichten te kunnen plakken op de lach, al moet hem iets van het hart. Waar hij in De nieuwe Belg (2015) zijn verse landgenoten nog begroette met een broek vol goesting en in Schoon (2018) die rauwe aantrekkingskracht was uitgegroeid tot een propere, vastige liefde, is III-ième, het slotstuk van zijn trilogie dat hier in première gaat, zijn manier om het toch even te hebben over de barstjes die nu en dan, hier en daar opduiken in het glazuur rond zijn uit Vlaamse klei opgetrokken thuis.

“Er zit een soort beschaafdheid en bedeesdheid in de mensen hier, die heel erg connecteert met Friesland, waar ik vandaan kom,” vertelt Jan Jaap van der Wal, een uurtje voor hij het podium op moet. “Je kan een lijn leggen tussen West-Vlaanderen en Friesland, in dat idee van ‘doe maar normaal’, en dat bevalt me erg. Maar gisteren bij de try-out van Louis C.K. (de Amerikaanse stand-upcomedian en acteur die zichzelf eigenhandig in een #metoo-schandaal dropte, red.) in Antwerpen sloeg dat normaal zo stille, aandachtige publiek plots aan het joelen toen het zaallicht dimde. Toen dacht ik wel even: ‘Hypocrieten! Dit hebben jullie nog nooit voor mij gedaan.’” (Lacht)

In III-ième doe je kond van je liefdesverhouding met België en Vlaanderen. Liefde was niet de reden voor je verhuizing naar Antwerpen in 2015. Wat wel?
Jan Jaap van der Wal: Jaren geleden speelde ik een van mijn voorstellingen in Gent. Dat was een ontzettend leuke avond. De mensen begrepen wat ik deed, er was communicatie en connectie… Het is die avond almaar later geworden en de pintjes smaakten me beter dan thuis. Meer had ik niet nodig. Ik ben dan drie maanden in een appartement in Antwerpen gaan zitten om een show te schrijven voor en over Vlaanderen. Dat beviel zo goed, dat ik hier ook een plekje wilde hebben. Het is dus in fases gegaan, zoals een echte liefde ook evolueert. Het is allemaal nog relatief nieuw en overzichtelijk, maar zoals in een echte liefde komen er na verloop van tijd ook wel wat irritatietjes bovendrijven.

Een comedian mag zijn vinger in de open wonde steken. Steek van wal: wat is die van ons?
Van der Wal: Goh, communicatie is een issue. (Lacht) Er wordt hier heel veel onder het tapijt geschoven. Heel veel pijn wordt niet aangegaan. In de plaats daarvan maken jullie van ieder trauma een biertje. Da’s ook een manier om de dingen te verwerken, natuurlijk. En binnen het land gaat het heel vaak over de tegenstellingen tussen Wallonië, Vlaanderen en Brussel, al is dat thema nu wat naar de achtergrond verdwenen. Niet voor eeuwig, vrees ik. Je voelt aan alles dat er in 2024, bij de volgende stembusgang, iets te gebeuren staat. Dat wil ik nog even meepikken, ja.

MICROFOONS OP HUN KOP
Het is geveinsd leedvermaak. Een kwarteeuw al staat de Nederbelg op het podium, en nog steeds geselt hij met graagte onze kleine en grote kantjes. Maar ergens diep in die Friese inborst is Jan Jaap van der Wal gehecht aan het volkje dat weigert te geloven dat Max Verstappen een Hollander is, dat als excuusautochtoon zijn WhatsApp doet ontploffen, dat kan spreken met louter klanken, en dat gebukt gaat onder het co-ouderschap van disfunctionele burgervaders en -moeders… Het is zoeken naar een gezamenlijke toekomst, bij gebrek aan een gemeenschappelijk verleden. Want terwijl in 1997 in de rest van de wereld het eerste deel van J.K. Rowlings Harry Potter-saga verschijnt, Tiger Woods zijn eerste Masters wint, Renault Vilvoorde de deuren sluit, Marco Borsato nog De waarheid predikt en in Hasselt – Hasselt! Als in België! – Max Verstappen geboren wordt, zegt een piepjonge Jan Jaap van der Wal zijn studies kunstgeschiedenis na zes maanden vaarwel om met veel branie op een podium te kruipen.

Jan Jaap van der Wal
© Ivan Put

“Ik was zeventien toen ik van Friesland naar Amsterdam trok en begon te stand-uppen in Toomler, de club waar het collectief Comedytrain speelde. Dat was letterlijk: zondag auditie doen, dinsdag op gesprek gaan, vrijdag spelen. En als je speelt, krijg je betaald, dus voor ik het goed besefte, was het mijn beroep. Datzelfde jaar ben ik gaan schrijven voor Dit was het nieuws, en ook daar kreeg ik geld voor. Dat ging nog met handgeschreven grapjes, die ik met een faxmachine – zo’n ding dat de helft van mijn studentenkamertje inpalmde – moest doorsturen. Tot hij liet weten dat mijn handschrift onleesbaar was, en we dus ook een typemachine moesten gaan kopen. Zo had ik plots een kantoortje. Dat was een heel fijne tijd, heel overzichtelijk, in dat nest van die hechte groep comedians van Comedytrain en nog voor er sprake was van social media. Dat heeft me toegestaan heel rustig te groeien. Met alle fouten die daarbij horen. En ik ben tegen muren gelopen, hard. Er zijn dingen mislukt, maar wat je maakt als je weer rechtkrabbelt, wordt er alleen maar interessanter op.”

Hoorde ik je nu voor de tweede keer het woord ‘overzichtelijk’ gebruiken? Is dat een dingetje?
Van der Wal: Blijkbaar… (Lacht) Blijkbaar heb ik daar behoefte aan, ja. Ik ben ook een opruimer. Mijn kleedkamer moet opgeruimd zijn voor ik opga.

En als je die kleedkamer achter je laat, welke belofte houdt dat podium dan in zich?
Van der Wal:
Het is wat dramatisch geformuleerd en ook niet hélemaal waar, maar ik voel mij op het podium meer thuis dan daarbuiten. Op de een of andere manier voelde die plek vanaf seconde één heel vertrouwd en prettig. Dat was meteen de belofte die comedy in zich had. Ik denk dat ik met humor al zolang ik leef, van kinds af aan heb geprobeerd mijzelf te positioneren, in de klas, in het voetbalteam, in de samenleving… Het is een deel van mijn identiteit. Humor loopt als een rode draad door mijn leven. De eerste keer dat ik optrad in Toomler in Amsterdam deed ik bij wijze van spreken grapjes die ik drie maanden ervoor had bedacht voor het schoolfeest. En vijf, zes jaar geleden merkte ik opnieuw dat wat ik bedenk in mijn kantoortje in Amsterdam dus ook werkt in Genk of Brussel. In 2013 heb ik een documentaire gemaakt over stand-upcomedy in de Balkan, en daar heb ik gezien wat de kracht van comedy kan zijn: het is er een enorme uitlaatklep voor jonge mensen om dingen te zeggen, te benoemen en te confronteren. Op het scherpst van de snee. Humor is een vorm van verwerking.

Met welke ambities ben je aan comedy begonnen?
Van der Wal: Geen. In die tijd stelde stand-up ook nog niet zoveel voor. Dat was iets raars en ondergronds, het had nog geen vorm… Niet dat we onze microfoons allemaal op hun kop vasthielden, maar vandaag zit je in een heel andere context. Comedians zijn als het ware de nieuwe rocksterren. Met als gevolg dat je nu wel mensen hebt die dat ambiëren en rijk en beroemd willen worden. Een mooie ontwikkeling is dan weer dat comedy voor veel mensen met een migratieachtergrond intussen een manier is om zichzelf gehoord te zien en te weten. Maar toen ik begon, liep het zo’n vaart nog niet.

Is die traagheid ook niet net interessant?
Van der Wal: Die traagheid hoort erbij. Comedy is een ervaringsvak, niet van drie maanden maar van acht, negen jaar. Dan pas kan je echt zeggen: dit is wie ik ben. Ik heb nu wel het geluk dat mensen mij ook kunnen kennen van televisie, ze weten intussen wie ik ben. Daardoor kan ik ietsje sneller tot de kern komen.

NE ME QUITTE PAS
Die kern waaiert uit. Ja, Jan Jaap van der Wal is “normaal van de actualiteit”, van het razendsnelle verwerken van de gebeurtenissen du jour. Maar in III-ième reikt hij voorbij die toplaag ook naar dieper oorden. Het broze beestje van de liefde voor een land wordt gespiegeld in de bijwijlen genadeloze dissectie van het zelf. Het wankele maatschappelijke vaderschap van Jan Jambon in de koestering van Jan Jaap van der Wals eigen vierjarige uk Tove. De protestsong tegen het Vlaamse cultuurbeleid door charmezanger-met-de-eeuwige-glimlach Christoff in een hartverscheurend ‘Ne me quitte pas’. De lach wordt in Genk op dat breekbare moment aan die gebroken piano ingeruild voor een ontroerd “ooh”. In fragiliteit – het zit iedereen nog vers in het geheugen en verdwijnt daar hopelijk nooit meer – schuilt ook een ontzagwekkende kracht en een weerbarstige schoonheid. Ne me quitte pas, maar “hou me los, papa.”

Alles van waarde is weerloos, weet Jan Jaap van der Wal, wanneer hij het heeft over de reactie van de verpleegster toen de jongen met de hazenlip geboren werd, of over hoe hij geen kinderen bleek te kunnen krijgen en hij en zijn vrouw hun toevlucht namen tot een donor, “met een diploma”. III-ième valt van de grap in de brandende pit: “Geen echte Vlaming, geen echte vader.” Naakter dan dit wordt het niet. III-ième is fietsen zonder zijwielekes, risico’s nemen, ‘loshouden’, zoals danseres Linne Dierckx verbeeldt. En doet daarmee meer aan samenlevingsopbouw en gedeelde toekomst dan wat voor politicus met de mond vol “subsidietrekkers” en “gulden sporen” ook.

“Toen ik geboren werd, wisten mijn ouders meteen dat ze moesten gaan zorgen,” vertelt Jan Jaap van der Wal. “Ik ben letterlijk en figuurlijk als een gewond diertje ter wereld gekomen. Dan is zorg de eerste prioriteit. Gelukkig was het nest dat zij voor mij hebben gecreëerd een heel warme en zachte omgeving. Net zoals mijn school. Ik ben nooit gepest geweest, bijvoorbeeld. Dat kunnen mensen zich altijd moeilijk voorstellen, maar het was wel zo. Mijn ouders hebben daar een belangrijke rol in gespeeld. Zo gingen ze aan de klas uitleggen wat er precies allemaal met mij gebeurde en mochten mijn klasgenootjes af en toe naar het ziekenhuis komen, allemaal heel spannend. Er hing een soort opwinding omheen, die wel leuk was. Tot je ietsje ouder wordt natuurlijk, en je meer beseft wat pijn is. Maar eigenlijk ging dat heel goed. Ook op de middelbare school, die heel klein was, (nadrukkelijk) overzichtelijk. Ik ben altijd in een beschermde omgeving opgegroeid.”

Jan Jaap van der Wal
© Ivan Put
| Jan Jaap van der Wal staat dit jaar 25 jaar op de planken: “Op de een of andere manier voelde het podium vanaf seconde één heel vertrouwd en prettig.”

Die opvoeding lijkt zich te hebben voortgezet in jouw werk. Mag ik je een humanist noemen?
Van der Wal: Dat mag. Ik vind het belangrijk dat humor ergens uit voortkomt, een bestaansgrond heeft. In jezelf, de actualiteit, de maatschappij. Van daaruit ga ik iets maken. En dan mag het raar worden en surrealistisch en alle kanten op schieten. Ik weet gewoon graag waarom ik iets doe. Zoals Louis C.K. een heel stuk over incestporno maken, zal je mij niet zo heel snel zien doen. Tenzij dat dan weer ergens vandaan komt. (Lacht)

Humor is een talent, een spier die je traint. Maar je moet wel blijven kijken. Ik ben een tijdje artistiek leider geweest van Comedytrain, en met name tegen jonge comedians zei ik altijd: “Een programma ontstaat niet achter de PlayStation, je moet echt de straat op, rondlopen, dingen zien, dingen meemaken.” Dat kunnen net zo goed stomme anekdotes zijn in de buurtsupermarkt als gewichtige gebeurtenissen. Je moet gewoon je wereld groot houden, als comedian is dat je taak.

Hoed je je voor onverbiddelijkheid?
Van der Wal: Uiteindelijk besef je dat iedereen een verhaal heeft, wel ergens vandaan komt. Dan kan je niet anders dan concluderen dat we allemaal ook maar gewoon iets aan het proberen zijn. Onverbiddelijkheid is dus niet mijn ding. Wat je vertelt moet een grond van waarheid hebben. En die kern kan je dan wat gaan aanzetten en uitvergroten. Tegelijkertijd moet je bepaalde dingen af en toe wel benoemen. Dat, hoe hard je van Vlaanderen ook het beste land van Europa wilt maken, Vlaanderen simpelweg geen land is, bijvoorbeeld. (Lacht) Comedy is a man in trouble, luidt de wijsheid. Nou, dan heb je aan Jan Jambon een hele goeie.

Jij trekt na vier seizoenen de deur van De ideale wereld achter je dicht. Sarah Vandeursen deed dat onlangs al en bekende dat ze ermee stopte, omdat ze voelde dat ze, door overal de cynische grap in te moeten zoeken, geen oog meer had voor de ernst en de schoonheid van het leven. Herken je dat?
Van der Wal: Nee. Ik heb enorm veel respect voor Sarah en haar talent, en Otto-Jan Ham, mijn voorganger, heeft hetzelfde ervaren, maar voor mij ruimt humor de boel net op, haalt het cynisme weg. Humor en schoonheid kunnen perfect samengaan, maar je moet er de juiste vorm voor vinden. Op een podium is dat makkelijker, maar ik ben ervan overtuigd dat dat zelfs op televisie, in De ideale wereld, kan.

Vind je comedy kunst?
Van der Wal: (Snel) Ja.

En jezelf dus een kunstenaar?
Van der Wal:
(Grijnst) Dientengevolge. (Denkt even na) Ja. Ik bedoel: een goeie grap maken is als poëzie schrijven, kan ik me inbeelden. Als Michael Che op Saturday night live spreekt over hoe de Amerikaanse dichter en activiste Maya Angelou, sinds kort, als eerste zwarte vrouw ooit, wordt afgebeeld op een Amerikaans kwartje en erachteraan smijt: “which is not what black people mean when we demand change…” Ja, dat gaat zó diep. Dát is kunst, toch?

JAN JAAP VAN DER WAL: III-IÈME
21/3, 20.00, La Madeleine, www.livecomedy.be

Meer nieuws uit Brussel
Vooraan op BRUZZ

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?