interview

Fietsflik David Stevens: 'Je moet de stad voelen'

© Bart Dewaele

Hij staat aan het hoofd van de fietsbrigade, is een buitengewoon goede loper en sinds een recente Terzake-reportage ook een bekende Brusselaar. David Stevens (34) is wat je een geëngageerde agent noemt, die tot het uiterste wil gaan voor leefbaarder verkeer in de stad. “Desnoods kampeer ik ergens dag en nacht om overtreders te overtuigen.”

Zeggen dat David Stevens een sportief profiel heeft, is een understatement. In de marathon van Brussel finishte hij vorig jaar als eerste Belg. En de 28 kilometer van Roosdaal naar hartje Brussel legt hij regelmatig al lopend af. De dienstchef van de fietsbrigade houdt er ook een competitief spreektempo op na, waarnaast zelfs Pascal Smet een slome slaappil lijkt.

Stevens heeft dan ook veel te vertellen. Over zijn fietsbrigade, die erin slaagde om orde te scheppen op en rond de ooit chaotische centrale lanen. Met tienduizenden boetes, maar ook door het vertrouwen te winnen in evenveel gesprekken met bewoners, handelaars en andere stadsgebruikers. “Wij hebben geen carrosserie rond ons, dus komen mensen naar ons toe.”

Waarom hebt u voor Brussel gekozen?
DAVID STEVENS:
Omdat het een uitdaging was, het is een grootstad. In Vlaanderen wordt de stad vaak scheef bekeken. Zelf ben ik Brussel gaandeweg meer in mijn hart gaan dragen dan Gent, waar ik nochtans opgegroeid ben. Je kan de hele dag door zitten zagen over wat er fout loopt in Brussel, maar je kan ook naar het potentieel kijken. Het is een stad die leeft, met veel culturen bij elkaar, een stad met heel veel geëngageerde mensen die daarom niet in de kijker lopen.

Je ziet hier nogal wat dubbelparkeerders, chauffeurs die hun richtingaanwijzer maar niets vinden of fietsers die door het rood rijden. Is er zoiets als een Brusselse verkeerscultuur?
STEVENS:
Dat denk ik niet. Vanuit mijn positie heb ik wel zicht op de boetes en die gaan vooral naar mensen uit Wallonië of Vlaanderen. Diplomaten ook. En Brusselaars.

Is het dan de infrastructuur?
STEVENS:
Je kan Brussel moeilijk met een andere Belgische stad vergelijken. We hebben hier een enorme autodruk op de infrastructuur. Tegelijk zijn er ook veel fietsers en openbaar vervoer. Toch zijn de ongevallenstatistieken voor Brussel niet dramatisch. Dat heeft onder meer met de lage snelheid te maken. Er zijn veel zones 30 en 50.

En veel files.
STEVENS:
Dat speelt ook mee, ja.

De fietsagenten zijn vooral bekend van de tienduizenden boetes die ze uitschrijven rond de voetgangerszone. Doen jullie nog iets anders?
STEVENS:
Ja, ook het gewone contact is heel belangrijk. Met buurtbewoners, handelaars, daklozen. De mensen komen naar ons toe om te praten over dingen die hen bezighouden. Dat kan omdat we geen carrosserie rond ons hebben. Zelfs mensen die ik al vijf of zes keer een boete gegeven heb, komen informatie vragen. ‘Ja meneer, we hebben elkaar al in andere omstandigheden leren kennen, maar …’

We stoppen enorm veel tijd in contacten leggen, via sociale media, via wijkcomités … In elke wijk waar we werken, heb ik iemand die de buurt voor mij in het oog houdt. Ook ’s nachts als er minder politie rondrijdt. Als politie mag je geen blinde organisatie zijn, je moet de stad voelen. Soms is het een artikel in de media dat iets in beweging zet, zoals toen BRUZZ over wildparkeren schreef aan de Hallepoort.

Hoe kiezen jullie de plekken waar bekeurd wordt?
STEVENS:
We hanteren een olievlekprincipe. Heel gefocust in de voetgangerszone en dan uitbreiden. Zomaar overal een beetje verbaliseren, haalt niet veel uit. We werken plein per plein. Neem het Sint-Katelijneplein. De marktkramers vergaten daar na afloop van de markt vaak de paaltjes weer naar boven te doen. We hebben duidelijk gemaakt dat ze zo hun plek op het plein op het spel zetten. Ze hadden snel een paaltjesverantwoordelijke aangeduid. Soms vraagt het wat meer inspanning. Aan het Bloemenhofplein ligt een klein straatje waar auto’s regelmatig tegen de rijrichting rijden. Pas na een duizendtal boetes was het min of meer opgelost.

Zelf hanteert u nogal een assertieve stijl tegenover overtreders, zagen we onder meer in de Terzake-reportage. Levert dat nooit problemen op?
STEVENS:
Soms wel. Mensen gaan al eens zwaar in discussie en een enkele keer heb ik me al moeten verdedigen. We horen bijvoorbeeld regelmatig ‘Ja, maar waar moet ik mijn auto dan zetten?’ Als politie doen we niet aan politiek en zeggen we niet dat mensen geen auto mogen kopen, maar als je er in Brussel een hebt, weet je natuurlijk dat je in de file zal staan, dat je vervuilt en dat je een parking zal moeten betalen of lang naar een plek zal moeten zoeken.

Wordt het soms ook fysiek?
STEVENS:
Dat was in het begin van de brigade, toen we in wijken kwamen waar voordien niet werd opgetreden tegen foutparkeren. Voor 2005 was dat geen prioriteit voor de politie. Nu wel. Dat levert een mooi neveneffect op: omdat je de regels laat respecteren, neem je er ook de criminaliteit weg. Die is fors gedaald in en rond de voetgangerszone.

Ook fietsers durven de regels al eens aan hun laars te lappen. Pakt u ze even streng aan als automobilisten?
STEVENS:
Fietsers en voetgangers spreken we aan op inbreuken, maar verbaliseren doen we minder snel. Waarom? Omdat ze geen mensen doodrijden. Fietsers die door het rode licht rijden zijn in 0,9 procent van de gevallen de oorzaak van een ongeval. Qua verkeersleefbaarheid focussen we op die andere 99,1 procent. In de voetgangerszone vinden de fietsers ook langzaam hun plaats en tempo. We hebben wat snelheidsduivels moeten uitleggen dat ze de oma die daar wandelt niet drie keer mogen laten ronddraaien als ze passeren.

Welke uitleg krijgt u zoal van mensen die inbreuken begaan?
STEVENS:
Ze proberen alles. Hoeveel mensen er in mijn carrière al gestorven zijn, dat hou je niet voor mogelijk. Maar voor een auto op een fietspad is er geen excuus, behalve als je er na een ongeval op gekatapulteerd bent. De hardleerse overtreders worden zeldzamer. Sommige mensen heb ik zeven of acht keer beboet, maar tegen een tarief van 110 euro per overtreding voelen ze dat uiteindelijk wel.

Veel boetes uitschrijven is een ding, maar worden die wel betaald?
STEVENS:
Ja, omdat we administratieve sancties uitschrijven en de stad Brussel dat heel goed opvolgt, tot en met de inzet van deurwaarders. Vroeger gingen die boetes naar het parket, maar dat had andere katten te geselen en veel van die pv’s werden geseponeerd.

David Stevens BRUZZ ACTUA 1624
© Bart Dewaele

Brusselse politieagenten hadden de voorbije jaren een wat autoritair imago: er hing soms een geur van politiegeweld aan. U komt meer over als iemand die voeling heeft met stadsverenigingen zoals de fietsersbond. Bent u geen vreemde eend in de bijt in het korps?
STEVENS:
In het begin, rond 2005 wel. ‘Ga je echt met de fiets rijden?’ Dat was de teneur. We hameren op de voorbeeldfunctie: zelf niet op het fietspad parkeren bijvoorbeeld. Beetje bij beetje hebben we voet aan de grond gekregen. Een collega die lang een tegenstander was van de bikers kwam me na de reportage op Terzake feliciteren. Na die uitzending kregen we vijf spontane sollicitaties van agenten.

Zullen jullie het werk ooit kunnen afbouwen?
STEVENS:
Daar vrees ik voor. De busbanen aan het Centraal Station of aan het Troonplein bijvoorbeeld: in het begin schreven we daar honderd tot honderdvijftig pv’s per uur uit voor auto’s op een busbaan. Dat waren ware slachtingen, waarbij we letterlijk kramp kregen van het schrijven. Onlangs heb ik er nog eens gecontroleerd, ik kwam aan twee boetes in twee uur. Maar als je niet af en toe terugkomt, beginnen de inbreuken opnieuw.

Moet de fietsbrigade nog groeien in de toekomst?
STEVENS:
Vandaag zijn we met dertig agenten. In een ideaal scenario worden dat er dubbel zoveel.

Jullie delen jaarlijks zo’n 40.000 boetes uit. Is daar politieke steun voor?
STEVENS:
Ja. De huidige burgemeester Philippe Close (PS) feliciteert ons zelfs uitdrukkelijk. Die leefbaarheid in het verkeer vindt hij heel belangrijk. Ooit was dat anders.

De schepen van Mobiliteit Els Ampe (Open VLD) steunt ons voor de volle honderd procent. En ook de contacten met Brussels minister Pascal Smet (SP.A) zijn uitstekend. Ondertussen zie je dat die verkeers­leefbaarheid op andere plekken aan belang wint, zoals in Schaarbeek. Die 40.000 boetes leveren trouwens een paar miljoen euro op die terugvloeien naar stad en gewest.

Ik zie wat wij doen als de politie 2.0, een mix van verschillende stijlen. Menselijk, maar ook kordaat. Ooit kwam een vader met zijn zoon naar me toe omdat hij wou laten zien dat de politie niet de boeman is. Dat kind was op school bang gemaakt voor agenten. Maar overtreders, die moet je in de portefeuille zitten, want anders verandert er niets. Dat we mensen en plein public aanspreken, op de Stalingradlaan bijvoorbeeld, heeft ook effect. De hele wijk heeft dan meteen gezien dat we iemand wegsturen.

U bent een perfectionist.
STEVENS:
Misschien. Als ik soms hoor dat in Brussel alles kan, heb ik het daar moeilijk mee. Bij ons is laisser-aller in elk geval niet waar. Mocht ik geruchten horen over een plek waar je de hele tijd kan parkeren zonder boete, dan zou ik daar dag en nacht kamperen om die de kop in te drukken.
Als politieman word je goed betaald en mag je je afvragen: ben ik mijn loon wel waard? Halen we er het maximum uit? Onze mensen mogen bijvoorbeeld een pauze nemen, maar ik vraag om dat aan de Beurs te doen, waar iedereen hen kan zien, in plaats van ergens verborgen in een commissariaat. Zo blijven ze aanspreekbaar.

Hoe is het verkeer in de Vijfhoek geëvolueerd sinds de komst van de voetgangerszone?
STEVENS:
Sommige mensen vreesden dat de autodruk rond de bestemmingslus zou toenemen. Ik heb net de indruk dat er steeds minder auto’s in de woonwijken zijn. In de voetgangerszone is het dan weer erg levendig. Ik lees soms dat het daar een soort woestijn is, maar dan vraag ik me toch af over welke voetgangerszone die mensen het hebben. Op patrouille raken we er soms amper door.

Je ziet hoe er in de voetgangerszone wat kleine gemeenschappen ontstaan. De fietskoeriers hebben hun plek, de daklozen … De Anspachlaan was vroeger een grens in de stad, nu is het een levende verbindingsplek.

De voetgangerszone is levendig, maar ook een rommeltje.
STEVENS:
Soms is het er nog wat vies, ja. Qua burgerzin is er nog werk, want die zone maakt zichzelf natuurlijk niet vuil. We beboeten daar trouwens voor. De politie of de netheidsdiensten kunnen het niet alleen: leefbaarheid, dat is iedereen samen.

In de Stalingrad­laan was ik de eerste politieman die daar naar de kapper ging. Ondertussen werd ik op de boetes aangesproken en kon ik een en ander uitleggen. Zo overtuigen we mensen wijk per wijk. De handelaars worden daarbij langzaam vooruitgeschoven politieagenten, die klanten waarschuwen en hen aan de regels herinneren.

Handelaars als politievertegenwoordigers. Dat klinkt te mooi om waar te zijn.
STEVENS:
Je bouwt langzaam vertrouwen op. Nog een voorbeeld uit dezelfde wijk: begin dit jaar kwamen twee agenten van de fietsbrigade in moeilijkheden aan de Stalingradlaan toen ze belaagd werden door jongeren die uit Kuregem waren gekomen om keet te schoppen. Ik ben zelf snel ter plaatse gegaan, maar we hebben geen versterking moeten oproepen. Het zijn de bewoners en jongeren uit de wijk zelf die zich tussen de herrieschoppers en de agenten hebben geplaatst.

‘Het zijn onze agenten, bol het af,’ was de boodschap. Mensen die waarschijnlijk al verschillende keren een boete hebben gekregen, namen het daar op voor diezelfde politie. Omdat ze weten dat we iedereen gelijk behandelen: rijk of arm, jood of moslim, blank of zwart.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.