Verhalenwedstrijd: Manu

Schrijf een verhaal met Brussel als onderwerp, zo luidde de opdracht voor de schrijfwedstrijd van Brussel Deze Week. Maar liefst 67 aspirant-schrijvers gingen de uitdaging aan. De acht beste inzendingen zien hun verhaal in de stadskrant en op deze website gepubliceerd. Op de zevende plaats: ‘Manu’ van Lucien Roosen uit Anderlecht.

Eerst was ze gewoon een mooie jonge vrouw op het terras van de Markten aan de Sainte-Cathérine. De zon brak een eerste keer door het wintergrijs en verlichtte het pleintje tot een festival van zonnebrillen, blote billen en exuberante modegrillen. Op een catwalk van kinderkopkes paradeerden meisjes met ogen als maagden en boezems als hoeren. Leernichten slaakten gilletjes boven een Spa, gepiercete kunstzinnige types rolden hun sigaretten tot kleine toetertjes en een koppel zakenlieden molenwiekte enthousiast naar het vrijgekomen tafeltje. Mijnheer bestelde van de weeromstuit een fles Champagne, mevrouw rechtte ongezien haar kousen en staarde met professioneel dédain naar het opengeslagen dossier. De bomen waren nog niet in bot maar er hing al zomer in de lucht. De mooie jonge vrouw zat alleen; voor haar een gsm, een asbak en een glas witte wijn. Ze keek met gesloten ogen het zonlicht in, de rood aangezette lippen getuit tot een kus voor de hele stad, de hele wereld. Ze droeg een lang, bloemig, bijna zigeunerachtig kleed waaronder één voet op en neer wipte terwijl de andere vanuit zijn rode laarsje gedwee geplant bleef op de kasseisteentjes. Af en toe liet een nog frisse bries haar ruglange lokken als blond zeewier waaien in de stroom stadslucht. Ik betrapte er mezelf op verliefd te worden, moest dringend ingrijpen, stoppen met dit schaamteloze gestaar. Zoiets kan je voelen, zelfs met je ogen dicht. Ik tastte naar mijn sigaretten maar vond weer eens geen aansteker. Dit was het lot. Haar zelfgerolde saf lag uit te doven naast het wijntje. Ik raapte mijn moed bij elkaar en vroeg haar vuur, gaf haar een compliment voor haar bottines en bedankte haar met een opmerking die me verbaasde door de schaamteloosheid en het aplomb: “Waar zat je aan te denken?”

Gedurende een volgende volledige halve seconde wilde ik me tegelijk verontschuldigen, heel hard weglopen en doen alsof ik die vraag nooit had uitgesproken; ervan overtuigd dat nu zoiets zou volgen in de zin van: ‘Dat zijn uw zaken niet!’, ‘Rot op!’, ‘Get a life!’

In een flikkering van haar ooghoeken zag ik messen, schietijzers en valkuilen maar toen ze mijn ontreddering merkte, trok een vergevingsgezinde glimlach over haar lippen.

“Waar ik zat aan te denken?” herhaalde ze. “Aan mijn leven, aan het leven, aan Brussel, aan de zon, aan dit moment, aan alles.”

“Aan het leven, aan Brussel, aan alles.” echoode ik, “Ben je van Brussel?”

En of ze van Brussel was.

Als kind woonde ze met haar moeder op de Charles Quint, en ik bedoel niet aan de Karel de Vijfdelaan maar echt op de Charles Quint; pal op de autosnelweg die Brussel ingepompt wordt, vier rijbanen dik, file en getoeter, 24 op 24. Daar heeft ze geleerd dat Brussel elke dag wordt gegaveerd als een mishandelde foie-gras-gans. Eentje die dag en nacht massale hoeveelheden petrol door de strot geramd krijgt tot ze erbij ontploft, ziek en gezwollen. Net zoals haar moeder, wat misschien wel de reden was waarom ze nooit of te jamais Brussel uitkwam. De stad Brussel en haar moeder: die twee leken te veel op elkaar. De mooie jonge vrouw zei: “Als spiegelbeelden van lelijkheid en verleptheid.” Het waren woorden die eigenaardig genoeg niet vloekten met de zon in haar glas wijn. C’était le temps... ‘s Avonds trad moeder op in cafés, zo een beetje chanson populaire, van Piaf tot Brel quoi, voor toeristen, studenten van de campus aan Koekelberg en voor de artiesten van de vaart. Haar moeder was er serieus beginnen drinken, ook als ze niet op café was.

De mooie jonge vrouw vertelde met fluisterende, hypnotiserende stem. Ze sprak tot zichzelf, als in een monologue intérieur. Ik wenkte de ober en bestelde voor ons beiden nog een glas wijn. We toastten op de zon en de mooie mensen, op de kunst van het genieten. En met mijn kenmerkende talent voor het verkeerde woord op het verkeerde moment, voegde ik ploerterig toe: “Aux bons souvenirs.”

Ze fronste minzaam en ging voort op haar zachte toon. Dat ze ze niet meer kon tellen, de alcooliques die ze als kind had moeten wegjagen van haar zetel. Les souvenirs douces de l’enfance, dat rook voor haar naar mannenkots en die eeuwige gaz van die eeuwige file op de Charles Quint. Die eeuwige nooit eens stoppende, dag en nacht toeterende Vlaamsche navetteurs, allemaal gestresseerd, allemaal zo rap mogelijk die autostrade op, die autostrade af, die tunnel in, die tunnel uit, et que çà gaze. Het enige grappige aan die buurt is die Zavelenberg rechtover het shoppingcentrum. Plots in het centrum van Brussel: een bult, een wei met koeien. Het is alsof ze het er voor gedaan hebben; opdat de Flamands die dan van de buiten komen niet te veel choqué geraken bij het binnenrijden van de stad. Het heeft iets symbolisch.

“Ah,” zei ik, “de surrealistische charme van deze stad.”

“Nee,” antwoordde ze, “geen surrealisme, het is symbolisme. Komen ze allemaal bumper aan bumper van hun E40 de stad ingereden in hun dure, altijd blinkende, altijd grijs en antracietzwarte autookes, moeten ze eerst aanschuiven tussen langs de ene kant een shopping – dat kennen ze, dat zijn ze gewoon, daar rijden ze in het weekend ook naartoe – en langs de andere kant een groene heuvel van een grasveld met daarop een paar altijd onverstoorbare koebeesten met van die zachte gelaten koeienogen, met altijd dezelfde herkauwende kinnebakken, volstrekt ongenaakbaar knabbelend op dat van de uitlaatgassen zwart uitslaande gras.”

“De koe als symbool voor Brussel. Dat is origineel.” bedacht ik, “maar toch ook een beetje surrealistisch.” Ze bleef hameren op het symbolische. Ze noemde het een passage en douceur voor de Vlamingen die dan doorschuiven, langzaam, langzamer, langzaamst, voorbij de wasserettes, de zuipcafés, de garages d’entretien en al de andere Belgacomwinkels of tapijtenverkopers, tot ze wegduiken onder een gigantisch rood neonlichtend kruis bovenop een mastodont van een koperen kerkkoepel, overdonderend als het hemelgewelf zelve, uitnodigend als een hoepelrok, dwingend en overtuigd van de eigen heilige geilheid. Ze moeten er onderdoor; niet erlangs, niet links, niet rechts maar recht onder de rokken van de basiliek. Als kleine, minuscule spermatozoïden die dagelijks in die gigantische vulva van Brussel worden gepompt, rijden die Vlaminkjes in hun autootjes onder de basiliek door de tunnel in, op zoek naar het plekske, het zachte warme plekje waar ze het harde bolstertje van hun voitureke kunnen achterlaten om zacht en feutré op te gaan in de gloedvolle warmte van een nieuwe dag op kantoor.

“Wat een fantasie!” riep ik uit; te luid, te enthousiast. Mezelf herpakkend bleef ik toch hangen bij het idee van de pendelaars als zaadcellen die de bronstige deerne Brussel dagelijks bezwangeren met hun gewriemel, hun gehijg, hun getoeter. “Er valt wel iets voor te zeggen,” zei ik. “Weet je wel hoeveel daghotels deze stad telt? Al die opgefokte lieden, al die hoeren, al die escortes in dienst van lobby’s uit binnen- en buitenland. Naar het schijnt raken na de middagpauze de riolen ei zo na verstopt door die dagelijkse stortvloed aan rubbertjes. Tonnenladingen zaadzakjes worden dagelijks doorgespoeld; deze stad verkeert in een permanente staat van opwinding, wat zeg ik, het is een nooit stoppend, lillend, hijgend, trillend orgasme. Ik vraag me af wat de kardinaal zou denken van zijn basiliek als de vulva van Brussel.”

“Het enig wat ik wist, als kind, was dat ik er weg wou,” zei de geblondeerde schoonheid. Het besef kwam al zeer vroeg door een tante – ze noemde haar liefdevol “een naar Bastos-stinkend viswijf” – die de wasserette openhield waar ze elke zaterdagmorgen naartoe moest met een shoppingkarretje vol natte was. Dat mens moest elke week opnieuw vertellen hoe zij ook naar Notre Dame de la Sagesse was geweest en dat ze in gedachten zichzelf zag lopen als ze haar zag en dat zij ook kind was geweest in Koekelberg. Ze zat daar ondertussen wel met haar rokershoest en haar waspoederkes en haar zagende oude vrouwkes waarvan ze op een dag nog eens de caniches mee zou proppen in de droogtrommel. De mooie jonge vrouw, die toen nog een lief klein meisje was, besefte dat ze ‘coûte que coûte’ weg moest van een toekomst vol incontinente poedels en paarse permanenten. Nooit, nooit van mijn leven, bedacht mijn mysterieuze Brusselse daar, zal ik een wasserette ophouden op de Charles Quint. Ik niet, ik doe andere, plezierigere dingen.

“That’s the spirit!”, zei ik. “Alles overboord gooien. Alles moet weg. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Niet versagen. Aanpakken.”

Ze vond dat ik klonk als een soort van reclame voor wasproducten, dat ik onzin sprak als een publiciteit voor een slecht tv-programma. “Het leven is niet in slogans te vatten, ge hebt er te weinig vat op, soms. Had ik Manolo niet ontmoet, was alles anders geweest.”

“Manolo” herhaalde ik, niet zonder een ondertoon van jaloezie voor de kerel die het voorrecht had gehad mijn schone te redden uit de klauwen van de wasserettes en uitlaatgassen.

Ze nam een trek van haar sigaret, schudde haar lange haren, sloot de ogen en mijmerde onbezorgd tot in de armen van haar Manolo. Haar eloquentie verstomde tot een paar gestamelde halve woorden; “Argentina, de lucht, Algarroba del Aguila, paarden, zwanger.”

“Ik versta u niet,” zei ik.

“Je kan mij ook niet begrijpen,” repliceerde ze, “Met Manolo was het liefde op het eerste gezicht. Hij was een Argentijn. Hij deed een Erasmusjaar in Brussel maar weerstond niet aan de lokroep van zijn pampa, zijn paarden, zijn grote luchten. Ik ging mee. Natuurlijk. En toen werd ik zwanger. Een kindje krijgen op een dagreis van Algarroba del Aguila, dat verandert een mens. Het was een tijd vol passie en liefde, hoogoplopende ruzies en tomeloze verzoeningen. Soms mis ik Zuid-Amerika; de mengeling van uitzichtloze verveling en authentieke menselijkheid. De natuur. Soms mis ik ook Manolo: zijn grote handen, de pampageur in zijn zwarte haar, zijn blik die van kleur veranderde als hij op een paard zat.”

Ze dronk haar glas in één teug leeg, keilde haar peuk weg, blies de rook uit in een kus aan het verleden en verklaarde vrolijk: “Maar ik zie hem nog elke dag. In de ogen van Manu. Mijn zoontje. En daarbij, het leven gebeurt hier en nu. Met het zonnetje in een glas Chardonnay en een jongetje dat ik subiet van school ga halen. Oh, là, là, zo laat al. Ciao, ciao. By the way, vanavond is er een meet & greet met een Cubaanse kunstenaar die exposeert in mijn vintage winkel annex lounge bar annex kunstgalerij.”

Ze wierp een roodgestift luchtkusje naast mijn oor en verdween met een zwierig zwaaien van lange rokken.

Vanavond ga ik, denk ik, eens wat Cubaanse kunst ontdekken.

 

DE BIOGRAAF VAN WILLEM VAN RUBROUCK

Lucien Roosen (43) uit Anderlecht geeft zowel Nederlandse als Franse les aan het CVO - Brussels Education Centre, veelal aan doctorandi die voor langere tijd in Brussel verblijven. In zijn vrije tijd schrijft hij verhalen, en onlangs werkte Roosen samen met enkele historici van de KU Leuven nog een biografie over de Franse franciscaan en ontdekkingsreiziger Willem van Rubrouck af. "Van Rubrouck maakte  in 1253 een lange reis naar Mongolië. Zijn reisverslag is zelfs vandaag nog een belangrijke bron over het Centraal-Azië van die tijd. We zijn wel nog op zoek naar een uitgever voor het boek, dus als iemand zich geroepen voelt..."

Waar Roosen de inspiratie voor zijn verhaal van de schrijfwedstrijd haalde? "Op het terras van De Markten, natuurlijk! Maar alle gelijkenissen met echte personen berusten op puur toeval (lacht)."

Meer over Willem van Rubrouck: www.willemvanrubrouck.be

BDW's verhalenwedstrijd

Stadskrant Brussel Deze Week lanceerde enkele maanden terug een schrijfwedstrijd. Maar liefst 67 auteurs kropen in hun pen en stuurden hun kortverhaal door. Het verhaal van de 8 winnaars kan u de komende maanden hier lezen. 
Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook
BRUZZ Magazine
deze week
  • Korpschef Michel Goovaerts: 'Natuurlijk heb ik sympathie voor sommige betogers'
  • Minister Benjamin Dalle: 'Vlaanderen kan Brussel versterken'
  • Thomas Gunzig over zijn nieuwe boek.
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Brihang: in de speeltuin van de seriewoordenaar
  • Filem'On: Lorenzo Mattotti sort de sa tanière
  • Burna Boy: Nigerian superstar with a mission
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement