interview

Carla Dejonghe: 'Op elf juli laat ik een tatoeage van Brussel zetten'

© Bart Dewaele

Elf juli betekent feest voor de Vlamingen. Het uitgelezen moment voor een gesprek met de voorzitter van het ‘parlement van de Brusselse Vlamingen’, of de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), Carla Dejonghe (Open VLD). “Er is nog nooit zoveel Nederlands gesproken in Brussel als nu.” 

Dejonghe komt ons lachend tegemoet in haar kantoor. Of we niet bang zijn voor honden, vraagt ze. Want ook Ned, een golden retriever, is erbij. Ze past op hem omdat zijn eigenares even met vakantie is. Ned nestelt zich aan onze voeten, en wij hebben het over 11 juli, de rol van de VGC en het leven in haar ooit volkse wijk Stokkel in Sint-Pieters­-Woluwe. “Verhuizen? Nooit! Ik zou enkel voor een daguitstap vertrekken uit Brussel.”

Is 11 juli een feestelijke dag of een verplicht nummertje?
CARLA DEJONGHE: Voor mij is 11 juli sowieso feest. Er zijn natuurlijk wel dingen die je moet doen omdat ze samenhangen met je functie, zoals naar het stadhuis gaan om naar de collega’s van het Vlaams parlement en de Vlaamse schepen te luisteren. Maar ik probeer ook altijd een deel van de feestelijkheden mee te pikken. Dit jaar heeft Muntpunt een heel fijn programma uit de grond gestampt. Dat trouwfeest op de Grote Markt spreekt mij echt aan. Het is een positieve benadering van de band die de Vlaming met zijn hoofdstad heeft.

Vlaanderen en Brussel zijn heel sterk met elkaar vergroeid. Niet alleen omdat Brussel een enorme tewerkstellingspool is, maar ook sociaal en cultureel. De meeste Vlamingen hebben hier in Brussel een en ander meegemaakt: de eerste keer verliefd worden, studies, Couleur Café. Er is een enorme verbondenheid. Ik ga er zeker een - tijdelijke - tatoeage van Brussel laten zetten.

De Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die u voorzit, wordt ook het parlement van de Brusselse Vlamingen genoemd, maar er zijn er steeds minder. Het aantal Nederlandskundigen neemt echter toe. Zal de Raad van de VGC zich op een dag moeten hervormen?
DEJONGHE: Het aantal Nederlandskundigen stijgt inderdaad. Dat komt ook door wat de VGC verwezenlijkt. Denk aan onze investeringen in het onderwijs. De laatste tien jaar is er meer dan 350 miljoen euro in geïnvesteerd en hebben we meer dan tienduizend plaatsen in het basisonderwijs en zo’n drieduizend plaatsen in het secundair onderwijs gecreëerd.

Denk ook aan de investeringen in de gemeenschapscentra. Daardoor wordt het Nederlands vaker gebruikt. De Raad van de VGC bepaalt mee het beleid. Dat gaat over dingen die heel dicht bij de bevolking staan: onderwijs, cultuur, sport. De VGC kan je niet zomaar schrappen. De Raad zal zeker een rol blijven spelen, wat mij betreft.

Sommigen zouden de VGC en de Cocof (Franse Gemeenschapscommissie, red.) het liefst opdoeken en in het gewest laten opgaan, anderen willen die laten verdampen en de Vlaamse Gemeenschap voluit bevoegd maken. Wat vindt u daarvan?
DEJONGHE:
Dat is iets wat het in het federaal parlement beslist moet worden. Brussel heeft daar niets over te zeggen. Je kan de VGC en de Cocof trouwens niet met elkaar vergelijken. De VGC en de Vlaamse Gemeenschap werken heel goed samen. Ik denk dat het nuttig zou zijn als de Franse Gemeenschap en de Cocof eens zouden nagaan hoe ze beter kunnen samenwerken vooraleer ze voor een volgend rondje staatshervormingen pleiten.

Wat hoort u dan zoal over die slechte samenwerking?
DEJONGHE:
We zien bijvoorbeeld een probleem op het vlak van onderwijs. Kijk naar de resultaten, waarom wil iedereen zijn kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs sturen? Dat heeft vooral te maken met de kwaliteit van ons onderwijs. Als er meer capaciteit zou zijn in het Nederlandstalig onderwijs, zouden we nog meer kinderen kunnen opvangen.

Bent u voor zo’n uitbreiding?
DEJONGHE:
Ja. In Brussel heeft iedereen de keuze, maar dan moeten de ouders ook het aanbod hebben dat aan hun keuze beantwoordt. Dat neemt niet weg dat ook de Franstaligen moeten investeren. Dat moet in gelijklopende tred, want het aantal kinderen stijgt. Wij zijn het jongste gewest.

Wat met het idee van ‘Brussels’ onderwijs, met tweetalig onderwijs en focus op bepaalde thema’s die in de Brusselse context belangrijk zijn, en dus afstappen van het verschil tussen Nederlands- en Franstalig onderwijs?
DEJONGHE
: We zouden daarover kunnen nadenken, maar op dit moment lijkt het me gevaarlijk. Vooral als we zien hoe het Franstalig onderwijs werkt. Kijk naar de tweetalige lerarenopleiding (van de Erasmushogeschool Brussel en Haute-École Francisco Ferrer, red.). Ik vind dat een heel goed idee, maar we zien wel dat Nederlandstalige studenten het beter doen en dat hun Franstalige collega’s soms afhaken. We moeten dus heel voorzichtig omgaan met het idee van Brussels onderwijs. Er mag geen sprake zijn van kwaliteitsverlies.

Volgens Philippe Van Parijs is de verengelsing van Brussel volop aan de gang en moeten we die stimuleren. Denkt u dat de dag komt dat de debatten in het Brussels parlement in het Engels plaatsvinden omdat er behalve Nederlands- en Franstaligen ook veel anderstaligen zijn en Engels als lingua franca wordt gebezigd?
DEJONGHE:
Engels is natuurlijk een realiteit in de straat, dat zie ik ook in mijn gemeente Sint-Pieters-Woluwe. Als wij een buurtfeest organiseren, hoor ik evenveel Engels als Frans en een beetje Nederlands. Het zou me zelfs niet verwonderen als er meer Europeanen dan Nederlandstaligen gaan stemmen. Ook de dienstverlening in gemeentehuizen kan in de drie talen. Maar begrijp me niet verkeerd, het Engels kan geen officiële taal worden. We zitten met de taalwetgeving. Dat is een historisch gegeven. Daar moet je niet te veel aan potelen. In het parlement gaan we netjes Nederlands en Frans blijven praten.

Dus wij maken het niet meer mee dat de debatten er in het Engels gevoerd worden?
DEJONGHE:
Ik denk dat ik het ook niet meer zal meemaken (lacht). Weet je, het grappige is dat veel Europeanen Nederlands beginnen te leren. Met de Engelsen, Italianen en Spanjaarden in mijn straat spreek ik Nederlands. Ik heb nog nooit zoveel mensen Nederlands weten praten in mijn gemeente als tijdens de jongste jaren. Dat was vroeger ondenkbaar.

We hebben gehoord dat de voertaal op de markt in Stokkel vaker Engels dan Frans is.
DEJONGHE:
Dat klopt. Maar veel Europeanen vinden het tegelijk niet meer dan logisch om de twee talen te leren. Kijk naar de inschrijvingen bij het Huis van het Nederlands en de conversatietafels in onze gemeente. Die doen het ongelooflijk goed.

Maar er is toch nog marge voor groei? In sommige winkels wordt er bijvoorbeeld nog altijd geen woord Nederlands gesproken.
DEJONGHE:
Natuurlijk is er marge voor groei. Maar dat heeft ook wel te maken met de handelaars zelf. Ikzelf spreek altijd Nederlands als ik iets ga kopen, dat heb ik altijd gedaan. Ik ben al in winkels buitengegaan omdat ze me niet konden bedienen in mijn moedertaal en ben ook al met verkeerde aankopen naar buiten gegaan omdat ik per se in het Nederlands wou bestellen. Maar er zijn zoveel mogelijkheden. Het Huis van het Nederlands biedt heel veel cursussen aan, speciaal voor handelaars. Dat is toch niet zo moeilijk?Weet je, Franstalige Brusselaars spreken graag met Nederlandstalige Brusselaars omdat we goed verstaanbaar zijn, en ook veel Franse woorden gebruiken. Ik kwam ooit eens in West-Vlaanderen bij de beenhouwer en hij sprak me aan in het Frans. Toen ik hem vroeg waarom, antwoordde hij ‘Mevrouw, uw Nederlands is goed, maar dat Franse accent ga je er nooit uitkrijgen!’ (lacht)

Net voor 11 juli laat Olivier Maingain nog eens van zich horen. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht veroordeelt Woluwe omdat de Franstalige en Nederlandstalige versie van het gemeenteblad niet dezelfde informatie bevatten. Hoe kijkt u hier tegenaan?
DEJONGHE:
(zucht) Zulke inbreuken gebeuren vaak op gemeentelijk niveau. Het is moeilijk om daar vanaf een hoger niveau impact op te hebben. Rudi Vervoort heeft nu wel Maingain op de vingers getikt en gezegd dat hij de begrotingslijn voor dat gemeentelijk magazine uit het budget zou laten schrappen als het niet voldoet.

Er zullen altijd rare dingen gebeuren met die taalwetgeving, maar het belangrijkste is dat de belangen van de Nederlandstalige Brusselaars niet op de helling worden gezet. En Maingain, wat hij allemaal doet, dat is nu eenmaal zijn fond de commerce. Morgen vindt hij weer iets anders uit. Hij kiest ook altijd het goede moment uit …

Het Vlaams parlement heeft een belangenconflict ingeroepen om te verhinderen dat Brussel de decumul zou invoeren voor een lokaal uitvoerend mandaat en een parlementair mandaat. Uw partij is tegen de decumul, maar legt u eens uit waarom u er persoonlijk tegen bent?
DEJONGHE:
De band tussen het parlementaire niveau en het lokale niveau is heel belangrijk. Dat houdt je tussen de mensen. Door die sterke lokale verankering kan je je dossier afwerken. Als je de twee kanten van de medaille kent, dan kan je een go between zijn tussen het gewestelijke niveau en het gemeentelijke niveau.

Om een voorbeeld te geven, ik denk dat we nu in Sint-Pieters­-Woluwe nog altijd geen Nederlandstalige bibliotheek zouden hebben als ik geen volksvertegenwoordiger was. Ik heb de toenmalige collegeleden Bruno De Lille (Groen) en Pascal Smet (SP.A) daarvoor gestalkt, ik durf dat eerlijk toe te geven. Ze zijn hoorndol van mij geworden, maar ik heb mijn bibliotheek gekregen.De overgrote meerderheid die de twee combineert, doet dat bovendien uitstekend. Sommigen zeggen dat je geen twee dingen tegelijkertijd kan doen. Maar ik ben een vrouw, hé (schaterlacht). Met een decumul creëer je trouwens ook meer mandaten. Dan kost het meer, en heb je minder impact. We gaan wel akkoord met een plafonnering van de wedde op 150 procent van een parlementaire wedde.

Zonder decumul is er wel minder hiërarchie. Het parlement staat nu niet boven de gemeenten en heeft het moeilijk om zaken op te leggen. De gemeenten werken al eens tegen.
DEJONGHE:
Ik vind ook dat je de gemeenteraad uit het parlement moet houden. Dat gebeurt soms wel, maar het zijn ook niet-schepenen die daar schuldig aan zijn. Het grondgebied is klein, en alles is zodanig verweven. Dat is nu eenmaal een Brussels gegeven.

Carla Dejonghe inhoudstafel BRUZZ ACTUA 1624
© Bart Dewaele

U komt uit een politieke familie, vertelt u eens hoe u de politiek beleefd hebt als kind en als jongere. Hoe bent u in de politiek gerold?
DEJONGHE:
Mijn overgrootvader heeft de liberale partij opgericht in de gemeente en is dertig jaar gemeenteraadslid en provincieraadslid geweest. Hij heeft de eed afgelegd in 1904. Mijn vader heeft 36 jaar in de politiek gezeten. Toen hij vertrok, mocht ik beginnen.

Uw vader is ook schepen geweest.
DEJONGHE:
Ja. Ondertussen zit de familie Dejonghe 84 jaar in de gemeenteraad. Ik heb geweldige herinneringen aan mijn vader als politicus. Vroeger waren er nog verkiezingskaravanen, rijen auto’s met panelen op die rondreden in het dorp. Er werd dan gegooid met allerlei gadgets: plastic spaarvarkentjes, sponzen, stickers. Wij mochten dan soms mee in de auto om dingen te gooien. Dat was de max.

Soms was het ook pijnlijker. Ik ben op heel jonge leeftijd begonnen met bussen, voor mijn vader. Ik herinner me een grote huilbui van mijn jongere zus toen iemand een portret van papa aanpakte en recht de vuilnisbak ingooide. Hij heeft het er dan uit schaamte wel uitgevist en in zijn zak gestoken. Hilarisch was dat.

Kunt u het zich voorstellen dat u ooit wegtrekt uit Sint-Pieters-Woluwe?
DEJONGHE:
Voor een daguitstap misschien. Ik ben in Brussel geboren en getogen. Ik vind de stad fijn, alles is hier dichtbij: cultuur, openbaar vervoer, goede ingrediënten om te koken. De Zuidmarkt, dat is net op vakantie gaan. Ik ben een stadskind.

Merkt u veel cynisme bij uw collega-politici? Hoe gaat u daarmee om?
DEJONGHE:
Dat is tekenend voor deze tijd. Maar je weet wat er bij liberalen ingepompt zit: ‘optimism is a moral duty’. Maar ik denk wel dat de politiek verruwd is. Dat stoort mij. Er wordt veel meer op de man in plaats van op de bal gespeeld. Als mijn vader nu zou terugkomen en het politieke speelveld zou zien, zou hij het niet meer begrijpen. Bijvoorbeeld, het feit dat een woord geen woord meer is. Ik heb bij mijn weten nog nooit mijn belofte gebroken. Dat is voor sommigen anders. Daar heb ik geen begrip voor.

Wat bedoelt u met ‘er wordt meer op de man gespeeld’?
DEJONGHE:
Er zijn persoonlijke aanvallen op politici. Soms op een heel ranzige manier.

Door politici zelf?
DEJONGHE
: Ja. Vroeger werd dat toch meer op een gentlemen’s manier gedaan. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat als je nu je nek uitsteekt en een beetje vooruitdenkt, je meteen overhoop geschoten wordt. De sociale media doen daar gretig aan mee. Wat voor verwijten je soms naar je hoofd geslingerd krijgt als politicus, daar zijn geen woorden voor. Het doel heiligt tegenwoordig de middelen, welke middelen dan ook.

Carla Dejonghe

Geboren in Etterbeek in 1966
Lerares met politiek verlof
Gemeenteraadslid in Sint-Pieters-Woluwe sedert 2001
Van 2005 tot 2012 schepen in Sint-Pieters-Woluwe
Brussels parlementslid sinds 2004
Voorzitter Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie van 2009 tot 2011 en van 2013 tot heden

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?