summer vibe

Einde van een tijdperk: de Brusselse ijscokar rijdt niet meer uit

© EDB/BRUZZ
| Een ijscokar van Lanni Giovanni, elke dag terug te vinden op haar vaste stek op het Flageyplein

Warm weer en verfrissende ijsjes: weinig combinaties zijn zo vanzelfsprekend. Toch lijkt het alsof het aloude riedeltje van de ijscokar alsmaar minder te horen is in de Brusselse straten. BRUZZ ging op zoek en kon enkel de teloorgang van de rondrijdende ijsventer vaststellen. Tijden veranderen: files, supermarkten en lichtgeraakte omwonenden deden de klingelende ijscokar de das om.

“Tijden veranderen,” zucht Antonio Volpe vanuit zijn feloranje ijscokar aan het Flageyplein. Al decennia rijdt Volpe rond met een camionette waarop in grote letters Glacier Lanni Giovanni gespeld staat. Dat Italiaanse familiebedrijf wordt gerund door twee mannen: pater familias Giovanni zelf, en diens schoonzoon. Elk bezitten ze drie ijscokarren.

“Ik sta meestal aan het Flageyplein met één van de wagens,” vertelt Volpe terwijl hij ons een hoorntje stracciatella aanbiedt. “En ik heb de tijden zien veranderen. Mensen waren vrolijker vroeger, nu zijn ze zo droevig. En ze klagen veel sneller over het geluid. Daarom letten we op met onze muziek.”

Maar er blijkt meer aan de hand dan wat gedempte herkenningsdeuntjes. “Mensen raken niet enkel sneller geërgerd,” vertelt Joseph Evangelista van Ital Glaces uit Sint-Agatha-Berchem, wiens familie al 45 jaar een ijscokarbedrijf leidt en vandaag maar liefst twaalf ijskarren bezit. “Vandaag zijn er eenvoudigweg minder mensen op straat te vinden.”

“Mensen kwamen makkelijker buiten en dus reden wij veel meer rondjes. Nu is dat niet meer het geval en blijven we vaker op bekende plekken staan. De mensen komen naar ons toe als ze een ijsje willen,” aldus de Italiaan.

Verkeersagressie

Het gebrek aan mensen op straat is evenwel niet de enige reden waarom ijscokarren vaker op één plek blijven plakken, leert Cataldo Pascalino ons, ook al een Italiaan.

Pascalino vertelt dat zijn ijscokarren al bijna 60 jaar door Brussel rijden. “Maar door het drukke verkeer is het moeilijk geworden om zomaar overal op elke hoek van de straat stil te staan. Mensen zijn daar ook minder tolerant tegenover geworden.”

Dus parkeren de ijscokarren zich strategisch, en fungeren ze meer als een ijskraam. Voor Pascalino en zijn zoon zijn dat doorgaans het Ter Kamerenbos en de Gulden-Vlieslaan, voor Ital Glaces het Leopoldpark en het Ter Kamerenbos, voor Lanni Giovanni het Flageyplein en het Centraal Station. Om die plekken te mogen bezetten, moeten ze de toestemming krijgen van de gemeente. “En we moeten er een belasting voor betalen,” klinkt het. (Lees verder onder de foto)

ijskar flagey giovanni
© EDB/BRUZZ

Concurrentie van supermarkt

Mario Grimaldi is dan weer hoofdzakelijk aan het Josaphatpark in Schaarbeek te vinden. De man is – hoe raadt u het – Italiaan en zit al sinds 1983 in de business. Samen met zijn zoon en dochter baat hij ijscokarbedrijf Sabruma uit.

“Vandaag hebben we ongeveer zeven ijskarren, waarvan het merendeel ijsjes verkoopt in Schaarbeek,” vertelt de man. Volgens Grimaldi is het vooral de grote concurrentie van de supermarkten die ertoe geleid heeft dat de ijscokarren minder rondrijden. “Het heeft geen zin om grote verplaatsingen te maken, want iedereen heeft een supermarkt op wandelafstand. Dus positioneren wij ons voortaan ook gewoon strategisch.”

Tijden veranderen, en de ijscomannen moeten mee, klinkt het. Al is er één aspect dat volgens de ijsjesverkopers niet aan verandering onderhevig is. “Brusselaars eten nog steeds het liefst vanille-ijs. Pas als het erg warm wordt, vragen ze naar sorbets.”

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?