Enfant terrible: Bert Cornelis, sitarspeler

© Saskia Vanderstichele

Ik ben afkomstig uit Beveren, of all places, de heimat van Jean-Marie Pfaff (lacht). Die woonde bij ons om de hoek. Nee, ik was geen fan, voetbal heeft me nooit geïnteresseerd.

Als jonge gast was ik geobsedeerd door muziek, vooral new wave en punk. Op mijn 12e speelde ik in een bandje, The Weirdos, als bassist, want ik was de slechtste gitarist van allemaal. ‘Garagerock’ heette dat toen. Ik herinner me levendig ons eerste concert: meteen bij het eerste nummer ging het publiek pogoën. Dat maakte wel indruk, dat wij zoiets konden teweegbrengen.

© Saskia Vanderstichele
Later, toen de groep gesplit was, ging ik akoestische gitaar spelen. Urenlang zat ik te improviseren, want les volgen lag me niet. Ik heb veel op mezelf geleerd. Op een dag hoorde een vriend me tokkelen, en hij maakte terloops de vergelijking met klassieke Indiase muziek. Hij zette een plaat op en op dat moment, als door de bliksem getroffen, wist ik het: dit is mijn muziek. Het is moeilijk om te beschrijven wat ik juist voelde. Bij de sitar heb je vooral veel rijke boventonen en die klank heeft een heel specifiek effect. Een mengeling van trance en meditatie. Ik noem het kosmische muziek, geestverruimend, verheffend.

In die periode werkte ik als kok in een restaurant in Doel, maar de muziek bleef aan me trekken, en ik wilde me koste wat het kost specialiseren in sitar. Dat kon toen in een schooltje in Anderlecht, de ‘Sangit Academy’, opgericht door Daniel Schell. Na verloop van tijd werd ik op zijn vraag zijn assistent. Daardoor ben ik naar Brussel verhuisd. Ik kon een verdieping huren in een huis van hem, hier pal in het centrum, het huis waar ik nog altijd woon.

Zo ging de bal aan het rollen. Ik legde me almaar meer toe op de klassieke Indiase muziek, die heel complex is om onder de knie te krijgen. Ik heb veel privélessen gevolgd bij een Indiase meester in Den Haag. Die heeft me geholpen om met succes examens af te leggen aan een muziekschool in Londen, een afdeling van een bekende Indiase universiteit. Na zes jaar zwaaide ik af als gediplomeerd sitarspeler. Het gekke is dat ik nooit de westerse notenleer heb gestudeerd, maar wel vlot het Indiase notatiesysteem kan lezen.

De oorsprong van die Indiase muziek ligt in de devotie voor het goddelijke. De meeste composities zijn honderden jaren geleden ontstaan als hof- en tempelmuziek. Vandaag is het concertmuziek geworden, en het ontwikkelt zich nog altijd. Niet op dezelfde manier als in het Westen, waar ook hedendaagse klassieke muziek wordt gecomponeerd. Bij Indiase muziek is het aan de muzikanten om binnen een traditionele melodische en ritmische structuur nieuwe elementen toe te voegen of weg te laten, zodat er uiteindelijk een enigszins nieuwe compositie ontstaat. Dat lukt me nog maar sinds een paar jaar goed, en ik word er, zelfs door Indiërs, almaar meer om gerespecteerd. Sommigen vinden mij Indiaser dan ze zelf zijn (lacht). Gelovig ben ik niet, eerder spiritueel. Indiase muziek, met die bijzondere vibraties, is een medium om je heel diep in jezelf meer verbonden te voelen met het wonderlijke van de schepping, met het al. Als ik concerten speel, ervaar ik die diepgang ook. Net daarin schuilt de grote aantrekkingskracht. Zo’n collectieve trance bij een concert is ronduit verslavend.

Of ik in India had willen wonen? Nee, ik krijg die vraag dikwijls, maar het heeft zich nooit aangediend. Ik voel me erg thuis in Brussel. Door het patchwork van al die verschillende gemeenschappen heb je hier geen misplaatst chauvinisme. Brusselaars zijn overigens de coolste mensen die er bestaan: relaxed, zonder paranoia, met zin voor relativering, discreet. Geloof me, ik reis veel voor mijn muziek, en den Brusseleir, ik kan hem er zo uithalen.

Lees meer over

Nieuws uit Brussel in je mailbox?

Lees ook