Helder De Schutter: ‘Wij omarmen het Engels als blije slaven’

© Bart Dewaele

Helder De Schutter buigt zich als filosoof over taalrechtvaardigheid. Dan valt er over het meertalige Brussel wel een en ander te zeggen. “Ik zeg: laten we de wereld verbrusselen.”

Thomas Jefferson, een van de founding fathers en derde president van de VS, zegt dat democratie bestuur is door, voor en van het volk. Wat moeten we ons daar anno 2016 bij voorstellen?
DE SCHUTTER
: Laten we teruggaan naar het ontstaan van de nationale staten. Voordien gold een solidariteit op familie- en dorpsniveau. Die is eind achttiende eeuw naar het niveau van de natiestaat gebracht. Mensen werden solidair met anonieme anderen, met wie ze op tal van domeinen van mening verschilden.
Met de Europese Unie maken we een nieuwe uitbreiding mee. Omdat het land waarin je geboren bent moreel gezien een volstrekt arbitrair gegeven is, en toch het gros van ons belastinggeld vandaag nog terugstroomt naar enkel landgenoten, is die uitbreiding toe te juichen.
Daarom pleit ik voor Europese solidariteit. Ik weet dat we nog lang niet zover zijn, maar we moeten er wel naar streven. Europa mag trouwens het eindpunt niet zijn. We moeten Europa inzetten als opstapje naar een morele wereldgemeenschap.

Volgens de Duitse filosoof Jürgen Habermas moeten we de natiestaten achter ons laten en is een gedeelde culturele en talige identiteit niet meer van belang. We moeten ons alleen aan de grondwet houden.
DE SCHUTTER
: De visie van Habermas is zeer lovenswaardig. Maar ze is niet de mijne. Het zou fijn zijn als we cultuur en taal terzijde konden schuiven bij het uitwerken van een politieke gemeenschap, maar dat is onmogelijk. De rechtspraak bijvoorbeeld gebeurt altijd in een welbepaalde taal.
Ik blijf in de nationaal-culturele verankering van de politieke gemeenschap geloven. In die zin ben ik een nationalist. Dat is ons model sinds de achttiende eeuw geweest en daarvan weten we tenminste dat het heeft gewerkt. Het heeft bijvoorbeeld de totstandkoming van de welvaartstaat mee mogelijk gemaakt.

In plaats van dat nationaal-culturele beginsel opzij te schuiven, moeten we het aanpassen en uitbreiden: we moeten het bijvoorbeeld verenigbaar maken met multinationale federale staten en met migratie. Als het over rechtvaardigheid gaat, telt alleen het individu. Wij hebben onze rijkdom niet verdiend. De kansen die ik gekregen heb, kan je vergelijken met het middeleeuwse geboorterecht. Ze worden bepaald door de plek waar mensen geboren zijn. Net zoals arbeiderskinderen kansen moeten krijgen om de sociale ladder op te klimmen, moeten mensen uit de rest van de wereld kunnen delen in onze rijkdom.

Europa is vooralsnog geen natie.
DE SCHUTTER
: Er is nog veel werk aan de winkel. Europa is inderdaad nog geen natie, maar we moeten er wel naar streven. Europa moet een groot België worden: een multinationale federale staat. We moeten geen kap zetten op het nationalistisch verhaal, we moeten het uitrekken.

En toch houdt u vast aan de natie.
DE SCHUTTER
: Ik hou vast aan de natie als een instrument om solidariteit en vertrouwen aan te kweken en te behouden. Een natie is als de batterijen die een politieke gemeenschap doet werken. Maar ik hou ook vast aan de natie om identiteitsredenen.
Ik ben in het Nederlands opgevoed, ik bekijk de wereld door een Vlaamse bril. Doordat ik in Vlaanderen opgevoed ben, ken ik Hugo Claus bovendien beter dan een anderstalige die het Nederlands goed beheerst. Noem die reden ‘talige ingebedheid’.
Een andere identiteitsreden is waardigheid: de geschiedenis van het Nederlands in België werd tot enkele decennia geleden door veel Nederlandstaligen in Vlaanderen ervaren als de geschiedenis van de neerbuigendheid waarmee Franstaligen Nederlandstaligen bejegend hebben.

Nationale taalgroepen moeten politieke rechten krijgen. In eentalige gebieden is dat eenvoudig. Maar wat met meertalige regio’s zoals Brussel?
DE SCHUTTER
: Veel interessante denkers gaan uit van het territorialiteitsbeginsel, waarbij in een bepaald grondgebied één taal de scepter zwaait. Mijn goede vriend Philippe Van Parijs (UCL) zegt: territorialiteit is de norm, Brussel is de uitzondering.
Daarop zeg ik: laten we de wereld verbrusselen. Ik denk dat het Brusselse taalpolitieke model het meest rechtvaardige systeem is. Ik vind het trouwens jammer dat heel België niet tweetalig is geworden.
In Brussel kunnen kinderen in het Nederlandstalige onderwijs schoollopen en op zondag deelnemen aan de activiteiten van de Franstalige scouts. Bij ziekte kunnen de Brusselaars een beroep doen op een Nederlandstalige dokter, maar ook naar het Franstalig theater gaan.
Voor wie opkomt voor talige rechtvaardigheid is dat pluralistisch model ideaal. Let wel: we moeten die tweetaligheid heel streng bewaken. Dat is een conditio sine qua non. Het is onbegrijpelijk dat hooggeplaatste rechters niet in staat zouden zijn om Nederlands te leren: daar moeten we zo intolerant als redelijk mogelijk voor zijn.

Moeten allochtone talen dezelfde rechten krijgen als autochtone of nationale talen?
DE SCHUTTER
: Dat is een moeilijke vraag. De filosoof die een argument vindt om aan te tonen dat autochtone talen meer rechten moeten hebben dan allochtone wordt onmiddellijk wereldberoemd.
Als een Amerikaan naar Zweden verhuist, kan hij geen aanspraak maken op Engelse taalrechten. Dat lijkt evident. Het is een mooi en eenvoudig principe om te zeggen dat de nationale talen primeren.
Maar het principe werkt niet bij complexere verhalen, zoals migratie. Van een derdegeneratie-Belg met Turkse roots kan je vanuit een moreel oogpunt niet zeggen dat hij gekozen heeft om te verhuizen en dus geen aanspraak kan maken op Turkse taalrechten.

Van hem mogen we toch verwachten dat hij Nederlands of Frans spreekt.
DE SCHUTTER
: Zeker. Ik denk dat het cruciaal is voor kansengelijkheid dat wie zijn leven hier leidt de taal van het land kent. Maar wie zegt: ‘ze moeten maar Nederlands leren en de kous is af’ kan van de Franstaligen hetzelfde te horen krijgen. Vlamingen in Brussel moeten dan maar Frans leren.

De Vlamingen kunnen wel historische argumenten aanbrengen om het Nederlands in Brussel te behouden.
DE SCHUTTER
: Historische argumenten hebben geen morele waarde. Stel dat iemand poneert: mijn familie is altijd rijk geweest. Ik wil rijk blijven dus wil ik minder belastingen betalen. Een dergelijk argument lachen wij filosofen weg.
Als minderheidsgroepen om taalerkenning vragen zullen we daar moeten op ingaan. Anders krijgen we het terechte verwijt van ongelijkheid. Anderzijds moeten we ook vaststellen dat die vraag nauwelijks gesteld wordt. Alleen Dyab Abou Jahjah heeft dat één keer geopperd en zelfs die ‘eis’ was in de voorwaardelijke wijze. Het betekent dat vele migranten de niet-erkenning van hun taal niet als een aanslag op hun waardigheid aanvoelen.

Welk model moet België in de toekomst kiezen: bestuur door twee gemeenschappen, met als ultieme uitkomst in Brussel de subnationaliteit of bestuur door vier gewesten?
DE SCHUTTER: We hebben de wereld ingedeeld in landen met territoriale grenzen. Maar er zijn ook andere mogelijkheden zoals het model dat in 1899 uitgetekend werd door Otto Renner en Karl Bauer. Deze twee marxisten zochten een oplossing voor de taalproblemen in het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse rijk.

Renner en Bauer stelden een parlement voor dat niet territoriaal gebonden was, maar dat een gemeenschap vertegenwoordigt. Dat is zeker een interessante denkpiste voor een alternatieve wereldorde.
Ze is niet helemaal uit de lucht gegrepen. De katholieke kerk werkt als een niet-territoriale gemeenschap. Waar een katholiek zich ook bevindt, de paus kan hem altijd excommuniceren.
Sommige volkeren zullen in de nabije toekomst wel eens voor een niet-territoriaal parlement moeten kiezen, willen ze blijven bestaan. Het territorium van de Kiribati-eilanden in de Grote Oceaan dreigt door de opwarming van de aarde te verdwijnen. Wat gaat het volk doen? Ze staan voor de keuze: ze kunnen proberen een ander land te bemachtigen of zich verspreiden over de rest van de wereld en een niet-territoriaal parlement kiezen.

Het model van Renner en Bauer is van grote waarde voor zeer antagonistische groepen die tot elkaar veroordeeld zijn zoals Palestijnen en Joden in Jeruzalem. Dit model laat toe dat ze hetzelfde territorium delen, maar met andere wetten.
Een tegenargument is dat het tot meer lokale ongelijkheid leidt, maar volgens mij is dat niet zo. Bovendien stel ik me de vraag: is extreme armoede in mijn eigen straat moreel gezien erger dan elders in de wereld? Is armoede minder problematisch als ze zich ver weg voordoet?

In Brussel krijgen we in dat systeem dan de invoering van de subnationaliteit...
DE SCHUTTER
: In Brussel bestaat het Renner-Bauer model al in beperkte mate. De twee taalgroepen hebben er een zekere mate van zelfbestuur. Het verder doordrijven is niet zo een goed idee omdat de identiteitsvorming van de inwoners er niet heel antagonistisch is.
Er is in Brussel veel hybriditeit en meertaligheid. Er zijn te veel taalgemengde gezinnen om subnationaliteit in te voeren. Ik vind wel dat bijvoorbeeld de Vlaamse Gemeenschapscommissie moet blijven bestaan: als minderheid is het belangrijk dat er Nederlandstalige, duidelijk zichtbare polen zijn.

Is één gemeenschappelijke taal een voorwaarde voor een goed werkende democratie? En als we het dan over een mondiale democratie hebben: laten we over heel de wereld Engels spreken, dan zijn er heel veel problemen van de baan.
DE SCHUTTER
: Als ik straks naar een drietalige vergadering ga waar ik voor de keuze gesteld wordt: iedereen spreekt zijn eigen taal of we praten allemaal Engels, dan is de tweede optie inderdaad gemakkelijker en efficiënter.
Toch ben ik sceptisch geworden over het Engels. Het Angelsaksisch samenlevingsmodel wordt ons opgedrongen. Ik heb soms de indruk dat onze kranten de New York Times van gisteren zijn.

Eigenlijk houden onze kranten de lezers voor dat de VS het culturele model is en wij slechts de periferie. Als ik Nederlands spreek, hoed ik mij ervoor om te veel Engelse woorden te gebruiken.
Er zijn redenen te over om ons niet te laten opslorpen door het Engels. In een wereld gedomineerd door het Engels zullen de moedertaalsprekers altijd een streepje voor hebben, terwijl wij moeite moeten doen om Engels te leren.
Ook mijn ‘Vlaamse’ horizon is een reden om niet mee te gaan met het Engels. Dat is de talige ingebedheid waar ik het over had.

Ten slotte is er het waardigheidsargument: Philippe Van Parijs vertelde me dat een Engelstalige moedertaalspreker hem zei dat hij verstomd stond omdat zijn Franstalige huisbaas na drie jaar nog altijd geen Engels sprak. Dat is precies hetzelfde als de Franstalige arrogantie waartegen de Vlamingen hebben gestreden. En toch heb ik de indruk dat de Vlamingen de Engelstalige overheersing als blije slaven omarmen.

Tegelijk zullen we allemaal meer en goed Engels moeten spreken om te communiceren met talige anderen: we kunnen de Engelse hegemonie niet stoppen. We moeten daarom goed nadenken over de manier waarop we dat doen.
Ik heb daar wel een idee over. We moeten streven naar een Engelse variant per taalgroep. Ook Nederlandse metaforen kunnen ons Engels kleuren en deels cultureel toeëigenen. Er bestaan nu al varianten van het Engels: Brits, Amerikaans en Australisch. En tegen een Indiër hoor je ook terecht niet meer te zeggen: spreek eens mooi Engels. Onlangs veroorzaakte een Nederlandse professor in Delft wat onrust door in zijn les te zeggen: the bullet is through the church, de kogel is door de kerk. In mijn optiek is daar helemaal niets mis mee; eigenlijk is dat toch schitterend?

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?