reportage

Nederlands in een Franstalige werkomgeving: op zoek naar 'le juste milieu'

Dorien Robben (op de zitbal): “Ik zie heel vaak vooral jonge Franstaligen die perfect tweetalig zijn.” © Ivan Put

Hoe vergaat het Nederlandstalige werknemers in een overwegend Franstalige werkomgeving? Bestaan ze nog, die 'Flamands de service' die het buitenbeentje van hun dienst zijn en moeten opdraven zodra er een woord Nederlands wordt gesignaleerd?

Tim Devriese werkte tot aan de coronacrisis op de communicatiedienst van Beci – de Kamer van Koophandel en het Verbond van ondernemingen te Brussel. Zijn bazen en zijn directe overste waren tweetalig, maar voor het overige was hij op zijn niveau de op één na enige Nederlandstalige. “De kennis van het Nederlands bij Beci was zeker oké, maar veel collega's kenden het Nederlands enkel passief. Daardoor was ik inderdaad vaak de spellings­corrector van dienst. Als er vragen waren over een e-mail of eender wat, kwamen ze naar mij en dan herschreef ik meestal een en ander.”

Op een communicatiedienst is taal sowieso belangrijk, maar Devriese stelde vast dat de visie op communicatie anders is in beide taalrollen. “Nederlandstaligen en Franstaligen communiceren soms op een heel andere manier om hun publiek te bereiken, maar dat besef was er ook binnen de organisatie. Ik mocht veel meer doen dan alleen letterlijk vertalen. Ik stond in voor de Nederlandstalige communicatie, en niet voor het vertalen van Franstalige communicatie naar het Nederlands.”

1716 Flamand de service Tim Devriese
© BRUZZ
| Tim Devriese werkte bij Beci als een van de weinige Nederlandstaligen.

Wat niet wegneemt dat de bedrijfscultuur anders was dan in een Nederlandstalige werkomgeving. “En dat gaat dan verder dan het feit dat iedereen elkaar spontaan een 'bisou' geeft. Op een dag zei een coördinator over mij dat ik weinig van zeg was, maar wel efficiënt, en daar moest iedereen mee lachen. Het was een omgeving waarin discours en aankleding nogal belangrijk zijn, en zelf ben ik van nature vrij rechttoe rechtaan. Dat ik weinig woorden gebruikte en direct communiceerde vond men vreemd.”

Toch wil Devriese het cliché nuanceren dat Franstaligen gemiddeld meer woorden verbruiken dan Nederlandstaligen. “Wat ik wel interessant vond, is dat er ook een aantal Fransen in dienst waren. En dan zie je toch een verschil met de Belgen. Franstalige Brusselaars en Walen hebben een beetje dezelfde houding tegenover de Fransen als wij tegenover de Nederlanders: ze vinden dat die het veel beter kunnen uitleggen, en met vlotte argumenten to the point komen. Dan blijkt dat Vlamingen en Franstalige Belgen allebei nogal indirect en voorzichtig zijn. Als er na een teamvergadering tijd is voor vragen of opmerkingen, zegt niemand iets. Het debat begint pas bij de koffiemachine.”

Was er ook interesse voor elkaars taal? Devriese: “Ik volgde Franse les en zij volgden Nederlands. Omdat ik ook talen gestudeerd heb ik, vroeg ik buiten die lessen ook veel over de finesses van het Frans. Omgekeerd gebeurde dat minder. Collega's vroegen wel vaak om Nederlands te praten met hen, maar als de communicatie zo fel belemmerd wordt dat het niet vooruitgaat, moet je wel verder in het Frans. Ik denk dat daardoor ook wel schroom ontstaat om door te zetten met het Nederlands. Ook het feit dat Franstaligen als meerderheid minder incentive hebben om zich aan een anderstalige aan te passen dan Nederlandstaligen, die dat in Brussel gewoon zijn, speelt een rol.”

1716 Flamand de service Karel Mosselmans
© Mosselmans
| Karel Mosselmans werkt al negentien jaar bij de MIVB.

Nieuw verhaal

Dorien Robben is adjunct-directeur-generaal van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij BGHM, die 160 werknemers telt, van wie bij benadering 80 procent Franstaligen. Directeur-­generaal Yves Lemmens is net als Robben tweetalig, en ook in het volledige directiecomité haalt BGHM de wettelijke pariteit van 50 procent Nederlandstaligen en 50 procent Franstaligen. Ieder spreekt daar zijn eigen taal. Door dat goede voorbeeld aan de top, voelt ook de werkvloer zich veel comfortabeler in taalkwesties, daar is Robben van overtuigd. “Uiteraard wordt er veel Frans gesproken. Als je één Nederlandstalige hebt naast vijf Franstaligen, en ieder spreekt zijn eigen moedertaal, dan zal de Nederlandstalige vaak overschakelen op het Frans, ook al willen de Franstaligen dat soms liever niet. Ook bij mezelf merk ik dat je hersenen zich toch aanpassen aan dat Frans, waardoor je het ook zelf gaat praten. Toch maken wij er een point d'honneur van om alle interne communicatie te vertalen.”

Toch pleit Robben ervoor om er niet te snel van uit te gaan dat Franstaligen het Nederlands niet begrijpen. “Wat dat betreft wordt er in Brussel momenteel een heel nieuw verhaal geschreven. Ik zie heel vaak vooral jonge Franstaligen die net in het Nederlands school hebben gelopen en die perfect tweetalig zijn. Veel tweetaligen zijn trouwens ook meertaligen. Bijvoorbeeld Italianen die zowel Nederlands als Frans spreken.”

Nederlandstaligen zijn bij de BGHM dus geen buitenbeentje meer omdat ze de twee talen beheersen, waardoor meertaligheid er niet meteen extra voordelen oplevert doordat je bijvoorbeeld meer bij bepaalde dossiers betrokken wordt. “Voor de relaties met architecten of aannemers die vaak Nederlandstalig zijn, ken je best Nederlands.”

1716 Flamand de service
© Ivan Put
| Dorien Robben (op de zitbal): “Ik zie heel vaak vooral jonge Franstaligen die perfect tweetalig zijn.”

Robben: “Wij doen elk jaar een peiling of mensen zich gediscrimineerd voelen op basis van taal, geslacht, ras, enzovoort, en die cijfers liggen bij ons heel laag. Het is niet zo dat Franstaligen en Nederlandstaligen samenklitten. Heel veel Franstaligen volgen de Nederlandstalige lessen die we aanbieden en vragen om tijdens de vakantie intensieve lessen te volgen. De taalpremie die je krijgt als je een attest van Selor haalt, is een motivatie, maar Franstaligen zien het ook zo als een verrijking. Wat je wel ziet is dat sommige Franstaligen niet durven door te zetten. Soms zijn we verrast door hun niveau, maar zijn zij het die nog te veel twijfelen aan zichzelf. We moeten hen helpen om die schroom te overwinnen.”

Handig navigeren

Dat de Flamand de service zeker in grotere dienstverbanden stilaan verleden tijd is, bevestigt ook Karel Mosselmans. Hij werkt al negentien jaar bij de MIVB. Hij is Nederlandstalig, maar werd in Brussel gaandeweg tweetalig. Op het werk spreekt hij het grootste deel van de tijd Frans. Af en toe komen collega's nog bij hem terecht voor een vertaling, maar dat gebeurt steeds minder. Het aandeel Nederlandskundigen groeit. Zijn naaste medewerkers zijn verplicht tweetalig, omdat zij in staat moeten zijn een noodoproep te behandelen in de beide landstalen. Mosselmans merkt bij de collega's veel bereidheid om Nederlands te leren. “Frans is vaak de voor de hand liggende optie, en het klopt ook wel dat het voor sommige Franstaligen moeilijk kan zijn om het Nederlands lang aan te houden. Maar ik heb bijvoorbeeld twee collega's die daar een uitzondering op zijn. Wij hebben zelfs de stilzwijgende afspraak dat ik Frans tegen hen praat, terwijl zij Nederlands tegen mij praten. Uit respect voor elkaar.” Er wordt zelfs gespeeld met taal. “Ik maak er soms een spelletje van om Nederlandse uitdrukkingen letterlijk naar het Frans te vertalen. De klassieker is natuurlijk 'groen lachen', dat in het Frans rire jaune is. Maar als ik dan le singe sort de la manche zeg dan kijken ze eens, en daarna zoeken we naar de juiste Franstalige variant.”

Ook qua bedrijfscultuur en aanpak van het werk ziet Mosselmans convergentie. “Er zijn verschillen, maar dat heeft het voordeel dat je zaken op verschillende manieren gaat bekijken en op zoek gaat naar complementariteit. Waar wij als Vlaming soms vrij snel beslissingen nemen, is het soms handig om wat meer tijd te nemen en eerst verder te denken voor je die beslissing neemt. Ook los van zaken die met het werk te maken hebben, vullen we elkaar aan. Als je 's middags samen aan tafel praat over wat er in de kranten staat, dan ontdek je dat de Vlaamse en de Franstalige pers zaken soms op een heel andere manier benadert, en zo vind je makkelijker 'le juste milieu'.”

De MIVB overstijgt natuurlijk ook de klassieke tweedeling Franstalig-­Nederlandstalig. “Dit is een multiculturele omgeving. Er werken hier mensen met mediterrane roots die in Antwerpen wonen, Nederlands spreken en Frans moeten leren. Het is dus een mengelmoes. Je leert zo van collega's ook over bepaalde gevoeligheden, wat het mogelijk maakt om met een kleine aanpassing ook zaken te realiseren die je misschien niet had kunnen realiseren. Hoe meer je kan navigeren in talen en culturen, hoe makkelijker je werk hier wordt.”

Vlaamse feestdag in Brussel

11 juli staat in Brussel gelijk aan 'Vlaanderen feest, Brussel Danst'. Door corona bleven de danspartijen misschien wel uit, maar werd er wel gefeest. BRUZZ volgde zaterdag het feest.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees ook

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?