Op het mooie The unseen in between zingt de Amerikaanse singer-songwriter Steve Gunn over waar hij vandaan komt, waar hij geweest is en waar hij nog zou willen komen. En hij breekt een lans voor outsiders, nog een extra reden waarom hij goed gecast is op het BRDCST-festival in de Ancienne Belgique.

Het oeuvre waaraan liedjesschrijver, gitarist en zanger Steve Gunn vanaf 2007 werkte, al dan niet samen met muzikanten en stemmen zoals Mike Gangloff, Kurt Vile en Angel Olsen, viel het voorbije decennium wel vaker tussen de plooien. Maar nu hij zijn meest toegankelijke album gemaakt heeft, zou daar weleens verandering in kunnen komen. Op het verrassend melodieuze en bijzonder gevoelige The unseen in between neemt hij de luisteraar voetstoots mee door het leven en zijn willekeur. Het hypnotiserende van zijn vroege akoestische werk in de stijl van gitaarvernieuwer John Fahey is bijgekruid met een ferme dosis podium- en levenservaring en een nog aangescherpt observatievermogen.

Bij de release van je vorige album Eyes on the lines zei je dat je het kampvuur had ingeruild voor een rokerige bar in de stad. Waar bevind je je op The unseen in between?
Steve Gunn:
Dit album is meer introspectief en persoonlijk. Ik kijk meer naar binnen dan naar buiten. Het maakt dus eigenlijk niet uit waar ik me bevind. Het resultaat is opnieuw een meer akoestisch geluid, misschien omdat ik me meer op mijn gemak voel als liedjesschrijver. Ik wilde me dit keer vooral focussen op de woorden en de zang, minder op mijn gitaarspel. Ik wilde ook een tijdje leven met de songs alvorens ze op te nemen.

Op een van de foto’s van het artwork zien we je tussen de opvliegende duiven, een passend beeld voor iemand die de voorbije jaren vaak onderweg is geweest?
Gunn:
Dat vond ik wel. De foto is genomen in Manhattan. We liepen wat rond, en de duiven vlogen net de juiste richting uit. Ze symboliseerden al de steden waar ik al was geweest, maar ook een bepaalde state of mind. Je kan de duiven niet opmerken en gewoon voorbij wandelen, maar je kan ook op een bankje gaan zitten en ze, zoals de stad en haar passanten, die zich allemaal in hun eigen kleine wereldje bevinden, aan je voorbij zien vliegen. Niemand geeft die duiven enig krediet, maar in zekere zin vormen ze de kern van de stad. Ze zijn hier ooit beland en nu zijn ze meubilair.

 

Steve Gunn

 

Ook jij bent niet geboren in New York, maar in Philadelphia. In ‘Stonehurst cowboy’ neem je de luisteraar mee naar het “house near 69th street”. De plek waar je opgroeide?
Gunn:
Nee, het huis waar mijn vader woonde als kind, vlak bij het 69th Street treinstation. Hij overleed twee jaar geleden en is natuurlijk de Stonehurst cowboy. Ik probeer me vanuit zijn schoenen en reflecterend over zijn leven de plekken te verbeelden waar hij ooit was. Stonehurst is de arbeidersbuurt in Philly waar hij en mijn moeder vandaan kwamen. Hij was een eenvoudige, hardwerkende man, getekend door de oorlog in Vietnam, waar hij vrienden verloor. Hij werd uiteindelijk nooit zelf naar het front gestuurd, maar ik kon aanvoelen dat de pijn die de oorlog veroorzaakt had nooit echt opgelost is geraakt. Hoewel we heel hecht waren, sprak hij er amper over. Door zijn verhaal te zien, leerde ik over mijn eigen leven reflecteren. Pas later heb ik gesnapt dat ik ook door hem een van de eersten uit de familie was die creatief kon zijn en iets artistieks deed. Als kind vertoefde ik graag in mijn eigen wereldje. Samen met mijn gitaar sloot ik me soms op in mijn slaapkamer. Het was mijn uitlaatklep. Mijn ouders zagen dat en lieten me lessen volgen en later ook naar de universiteit en New York gaan. Daar kon ik me autonoom voelen en nog veel meer cultuur absorberen.

Wanneer realiseerde je je dat muziek maken ook je job kon worden?
Gunn:
Ik heb lang van paycheck tot paycheck geleefd, maar intussen bleef ik wel muzikaal actief. Een viertal jaar geleden begon ik meer aanbiedingen te krijgen. Na een vijf weken durende Europese tournee diende ik mijn ontslag in bij het kunstdistributiebedrijf waarvoor ik werkte. Het was niet eens zo’n slechte job. Maar soms moest ik op om vijf uur ’s ochtends ergens in Queens een truck uitladen, samen met een chauffeur die niet alleen een ochtendhumeur had, maar ook nog eens naar bands als Styx luisterde. (Lacht)

 

Steve Gunn

 

Wat hebben de karakters op je nieuwe album, de vagebonden en de zwervers, gemeen?
Gunn:
Dat het allemaal outsiders zijn. Ze houden zich op in de periferie van de maatschappij. Ik val op de mensen die anderen niet opvallen. Zij hebben vaak de interessantste verhalen. Soms spreek ik hen aan, maar meestal observeer ik hen gewoon. De song ‘Vagabond’ was beïnvloed door mijn favoriete film van (de pas overleden Belgisch-Franse filmmaakster) Agnès Varda, Sans toit ni toi, over een rondtrekkende dakloze vrouw. Alles in de film gebeurt haast per ongeluk, maar ook dat creëert omstandigheden waaruit iets kan groeien.

Herkende je er je eigen levenscredo in?
Gunn:
Ja, ik denk graag dat ik opensta voor het onbekende. Ik omarm alles wat spontaan gebeurt. Met mijn muziek leef ik ook van dag tot dag. Op een of andere manier maakt het het leven opwindender.

Dat brengt me bij ‘Lightning field’, je song over de gelijknamige kunstinstallatie van Walter De Maria in de woestijn van New Mexico. Een fan?
Gunn:
Absoluut. De Maria is een conceptueel kunstenaar die nog in de eerste versie van de The Velvet Underground zat. Zijn verlichte veld in Mew Mexico ziet er een beetje uit als een buitenaardse sculptuur. Het intrigeerde me omdat mensen uit het hele land er naartoe trekken om iets superspecifieks te aanschouwen dat wel mooi is maar tegelijk geen enkele zin heeft. In mijn ogen is het meer een sociaal experiment waarbij de eigen ervaring, de weg erheen, interessanter is dan de installatie zelf. Ik vermoed dat dat ook Di Maria’s filosofie is: iets creëren dat heel erg abstract en random is, om dan iets anders te laten ontstaan.

Ben je ook ter plekke gaan kijken?
Gunn:
Nee (lacht), ik heb er alleen over gelezen. Maar ik wil er ooit heel graag naartoe.

Hoe komt het dat de sfeer op ‘New familiar’ totaal anders is?
Gunn:
Het is mijn paranoiasong, een van de nummers ook die ik schreef nadat Trump tot president was verkozen. Toen voelde het echt alsof mijn land was binnengevallen door aliens. Het creëerde een vreemd gevoel van beklemming en een onuitgesproken angst. Eerst wilde ik de plaat The world goes noemen. Dat vond ik een heel intense titel die de weirde richting die de wereld uitgaat en hoe mensen ermee worstelen goed samenvatte, maar het klonk me toch iets te negatief. The unseen in between was minder reactief en weerspiegelde beter de verschillende karakters en gelaagdheden van de plaat.

> Steve Gunn. 4/4, 20.00, Ancienne Belgique

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?