Culinair Ontdekt: Pinda’s

© Nick Trachet
Borrelnootjes hebben in ons land een politieke bijbetekenis gekregen, in Nederland (Duyvis) ontstonden hele industrieën om ons van bolvormige hapjes voorzien die op pinda’s lijken, maar het niet zijn. Gedachteloos eten wij ze op bij de pint of de porto, maar wat zijn het?

Is er iets Afrikaanser dan een apennootje? Jazeker wel, want pinda's van vandaag zijn helemaal niet Afrikaans. In Afrika beweren ze van wel, maar ze vergissen zich van soort. Voor de Europese veroveraars er kwamen, kenden de Afrikanen wel degelijk aardnoten. Deze oorspronkelijke soorten worden nog steeds geteeld, maar dan heel lokaal, in de landen van West-Afrika.

Het grote pindageweld kwam uit Zuid-Amerika. Men vermoedt uit Peru of Bolivia, maar dan in het vochtige tropische gedeelte van die landen, niet op de hoogvlakte. Nog steeds telen indiaanse stammen oude pindavariëteiten in het oerwoud. Er wordt gezegd dat Inca's en Azteken (de enen in de bergen van Zuid-Amerika, de anderen duizenden kilometers noordwaarts, in Mexico) elkaar nooit hebben ontmoet. Nochtans moet er contact zijn geweest, want toen de Spanjaarden begin zestiende eeuw in Tenochtitlan (Mexico-Stad) arriveerden, leerden ze er de peulen als tlalcacahuatl kennen, wat er 'grondcacao' betekent en in het Frans de naam cacahuète heeft opgeleverd. Vandaar begon de triomftocht door de rest van de wereld. Pinda's zijn immers supervoedsel. Ze bestaan voor vijftig procent uit vet (energie) en voor een derde uit eiwitten. Wie pinda's teelt, zal geen hongersnood kennen. Tenzij men gaat overdrijven.

Waarom pinda's zo voedzaam zijn? Het zijn geen noten, maar bonen. En wel heel bijzondere. Deze Arachis hypogea is een volwaardig lid van de Fabaceae -familie, net als de erwt en de sojaboon. De Amerikaanse naam peanut is dus niet slecht gekozen. De eenjarige plant krijgt mooie, gele bloempjes die, eenmaal uitgebloeid, naar onderen uitschieten en zich in de grond boren. Daar graven ze zich horizontaal nog wat verder door de aarde, en de peulen rijpen ondergronds. Zo hebben ze geen last van vogels en andere bovengrondse bonenvreters. Van plantboontje tot oogstboon duurt in de tropen zo'n honderd dagen; een peul bevat twee tot vijf bonen.

Dit supervoedsel kwam door de Spanjaarden al snel via de Filipijnen in het Verre Oosten terecht. Vandaag is de grootste producent ter wereld China, maar Indonesië en India lusten er ook wel pap van. Daarenboven zijn de Indonesiërs waarschijnlijk ook de echte uitvinders van de pindakaas, die zij gebruiken in satésaus en andere bereidingen. De Amerikanen zijn ervan overtuigd dat het de gekke dokter John Harvey Kellogg was die hiervoor verantwoordelijk gesteld moet worden. Amerika wierp zich ook op de superboon, als wisselgewas voor de katoen. Waar katoen stikstof uit de grond verslond, bracht de pinda die weer aan. Het peanut -kapitalisme heeft van één pindaboer trouwens een president gemaakt: onze goeie ouwe Jimmy Carter, mogelijk de meest progressieve Amerikaanse president van de laatste halve eeuw.

De andere grootproducenten gebruiken de boon vooral voor de olie. De verzadigde en stabiele arachideolie kan tegen hoge temperaturen en maakte het de oosterlingen mogelijk om te gaan experimenteren met frituren. Ook bij ons droeg de arachide in grote mate bij tot de olierevolutie van het einde van de negentiende eeuw. Vroeger had Europa een constant vetgebrek; door de koloniale expansie werd Frans Afrika vol aardnoten geplant om Europa van vet te voorzien. Wij hielden er de frieten en de mayo­naise aan over. Wat na de olie-extractie overblijft, de spreekwoordelijke perskoek , speelt een belangrijke rol in de veeteelt. Zo belangrijk dat de prijs van pinda's vaak meer bepaald wordt door de koers van perskoek dan door die van frituurolie. Mali, Senegal en Nigeria zijn nog altijd grote producenten. Nigeria stak de VS zelfs voorbij als grootste exporteur van pinda.

Maar zoals gezegd, de mensen gaan al snel overdrijven. Er werd te veel pinda gezaaid, en met de perskoek werd te veel vee gekweekt. Men vertelt dat de woestijnvorming in de Sahel daar een gevolg van is. Maar pinda's zijn ten minste nog voedsel. Katoen kan men niet eten.

Pinda's - en we hebben het hier even niet over de kant-en-klare gezouten nootjes - worden doorgaans 'geroosterd' verkocht, zelfs al zitten ze nog in de peul. Dat roosteren doen verkopers om de bonen te drogen. Als dat niet gebeurt, kunnen de pinda's gaan schimmelen, en sommige van die schimmels (aflatoxines) zijn giftig voor de mens. Bijna alle pinda's komen dus geroosterd op de markt. De smaak vaart er wel bij. Verse pinda's smaken meer naar boon en liggen rauw zwaar op de maag.

U kunt pinda's meekoken in uw geliefde bonen­gerecht, of samen met rijst. U kunt ze ook tot poeder stampen. Rooster ze, al opschuddend, nog even verder in een droge pan en sprenkel ze dan over gebakken kip of geroosterde vis. Of laat ajuinringen in een pan kleuren, voeg er gestampte pinda's aan toe en leng dan als saus aan met tomatenpuree en chillipepers. Honger zult u niet meer hebben. Smakelijk.

Culinair Ontdekt met Nick Trachet

Nick Trachet weet wat lekker is en is niet te beroerd die kennis te delen. Van appel tot zeemonster, wekelijks.
Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.