interview

Hans Depelchin, kersvers Brusselaar en debuterend romancier

© Ivan Put

Met Hans Depelchin (29) verwelkomt onze stad opnieuw een debutant. De auteur van de woelige stadsroman Weekdier belandde een jaar geleden in Sint-Gillis en verhuist deze week naar Ukkel. Een kennismaking tussen kartonnen dozen.

Hans Depelchin

  • Geboren in Beauvoorde in 1991
  • Groeide op in Nieuwpoort
  • Studeerde vergelijkende moderne letterkunde aan de UGent en woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen
  • Doet literaire optredens sinds 2016, onder meer met het collectief Boonyi
  • Publiceerde kortverhalen en poëzie in Kluger Hans, Tirade, DW B, Deus Ex Machina en Het Liegend Konijn
  • Debuteert op 3 november met zijn roman Weekdier

Hij is geboren in Oostende, opgegroeid in Nieuwpoort, heeft moderne letterkunde gestudeerd in Gent en woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen, is een jaar geleden aangespoeld in Brussel, en debuteert nu met een roman. Hans Depelchin weet ook op zijn 29e al dat een mens zijn parcours misschien wel kan uitstippelen, maar nooit helemaal in de hand heeft. “Het is eigenlijk een geval van overmacht dat ik in Brussel ben beland. Mijn vriendin is Française en woont hier al vijf jaar. Als ik haar twee jaar geleden niet had ontmoet, zou ik hier waarschijnlijk niet zijn.”

Tijdens de lockdown bracht Depelchin dan ook nog eens veel tijd door in zijn geboortestreek. “We zijn op dat moment snel in de bed and breakfast van mijn ouders gaan logeren. Ik heb een groot deel van mijn jeugd aan de kust doorgebracht, en na die lange tijd in verschillende steden voel ik dat ik af en toe terugverlang naar zo'n plek waar je kan ademen. Het water, de openheid, het platteland, de natuur: het voelde goed om daar tijdens de lockdown terug te zijn.”

In Weekdier, een goed gevulde stadsroman die een momentopname toont uit de levens van een aantal jonge mensen, sijpelt dan ook regelmatig water binnen, en hechten weekdieren als mosselen, zeesterren en wenteltrapjes zich vast aan het ruime arsenaal aan beelden, bedenkingen belevenissen en buitenissigheden dat Depelchin in huis heeft. “Aan een roman werken duurt een hele tijd, dus je verandert zelf ook nog terwijl je aan dat materiaal bezig bent. Sinds de zee ook bij mij weer meer aanwezig is, is ze ook het boek in gevloeid. De mensen die ik toon, worden ook verbonden door een natuurbeeld in contrast met die stedelijke context.”

Ben je misschien ook schrijver geworden door de nabijheid van de zee?
Hans Depelchin: Niet meteen. Het werd gestimuleerd omdat er thuis veel werd gelezen, en waarschijnlijk hebben ook de zomervakanties in Noorwegen een rol gespeeld. We brachten die door in huisjes in de bergen, en in die wereld van Noorse mythologie en legendes is volgens mij de nood om verhalen te schrijven gegroeid. Mijn vader was ook erg bezig met die verbeelding. Tijdens wandelingen in de bergen zei hij dat de rotsen grote trollen waren die niet tegen de zon konden en daarom overdag versteenden, waarna ze 's nachts weer levend werden. Tijdens die zomers hield ik dagboekjes bij en pende ik mijn eerste verhalen neer. Mijn vader schreef en regisseerde ook het schooltoneel waar ik als kind in meespeelde, en dat heeft mijn gevoeligheid voor verhalen, boeken en toneel nog aangescherpt. Op een dag heb ik hem eens gevraagd of er geen boekje 'Schrijven voor dummies' bestond, omdat er toen nog geen academies waren waar schrijflessen gegeven werden.

Uiteindelijk werd het niet 'Schrijven voor dummies', maar belandde je na je master vergelijkende moderne letterkunde op de afdeling woordkunst in Antwerpen. Vandaag schrijf je ook toneel en poëzie, ben je performer en maak je audioverhalen. Tijdens de boekvoorstelling op 8 november in De Studio in Antwerpen ga je zelfs samen met een aantal acteurs aan de slag met de meest theatrale fragmenten uit het boek.
Depelchin: Ik vond woordkunst een heel waardevolle opleiding, vooral ook door de veelzijdigheid ervan. Je wordt gevormd als verhalenverteller op alle mogelijke manieren. Op de scène, in het theater, op papier en in de vorm van audio. Daar was ik me niet van bewust toen ik aan de studie begon. Ik wilde vooral dichter bij het schrijverschap komen, maar tegelijk hebben al die andere aspecten ook invloed gehad op de manier waarop ik schreef. Als ik Weekdier naast mijn teksten uit mijn 'universitaire periode' leg, dan lijkt het alsof ik toen vooral bezig was met het etaleren van wat ik allemaal wist, terwijl op het conservatorium meer klemtoon kwam te liggen op hoe andere mensen je lezen of horen. Er komt ruimte vrij voor het publiek. Door de bewegingslessen werd ik me bovendien bewust van mijn lichaam en de invloed die lichamelijkheid kan hebben op de manier waarop je verhalen vertelt.

1728 Hans Depelchin2
© Ivan Put

De vijf hoofdpersonages, die niet toevallig aan de Bevrijdingslaan wonen, zijn ook allemaal kunstenaars of aspirant-artiesten. Een fotograaf, een actrice, een schrijfster, een beeldend kunstenaar, een pianist…
Depelchin: Dat is zo gegroeid. In de ruwe vorm was Weekdier mijn masterproef aan het conservatorium. In eerste instantie ging het om verhalen. Franky was er eerst. Hij werd fotograaf. Colline bleek dan weer een actrice te zijn, en zo ontdekte ik dat het een thema werd. Omdat het natuurlijk ook iets is waar ik mee bezig ben. Wat is kunstenaarschap, en wil ik dat wel? Was het verstandig om op mijn 29e de kunstwereld in te tuimelen? Want dat brengt wat met zich mee, bijvoorbeeld de angst om als tweederangs te worden beschouwd. In het boek wordt Briekje door die angst aangespoord om altijd de beste te zijn. “Als hij de beste niet is, kan hij beter niet zijn.” Al die mensen in mijn boek willen dus permanent uitstralen dat ze goed bezig zijn. Ook al voelen sommigen dat de kunst toch niets voor hen is, of geven ze al snel op. Zoals Franky, die uiteindelijk alleen nog huwelijken fotografeert.

De even ambitieuze als onzekere kunstenaars botsen in volkscafé Zanzibar ook op enige nuchterheid. Met die mix lijkt de Antwerpse Zuidwijk, waarop de museumwijk in het boek gebaseerd is, wel wat op Sint-Gillis, waar je nu nog even woont.
Depelchin: Ik weet nog dat Lucas Vandervost (acteur en docent, red.) als lid van de jury op het conservatorium dat café eerder in West-Vlaanderen situeerde. De Zanzibar is inderdaad een beetje de luis in de pels van die buurt van jonge, stijlvolle mensen met hun imagogedreven wereldbeeld, die naar elkaar kijken op de terrasjes. Uiteindelijk zijn zij ook maar gewone mensen die de dertig naderen en zich afvragen wat er van hen wordt verwacht, en wat de juiste keuzes zijn.
Ik heb zelf nog geen kinderen of geen huis. Moet ik daaraan beginnen te denken? Hoe gaat dat in combinatie met kunstbeoefening, die zich vaak heel erg afzet tegen een geordend leven en die het liederlijke, de vrijheid van het kunstenaarschap dikwijls promoot? Ik combineer mijn studies en mijn schrijven al zes jaar met het geven van schrijflessen en toneel aan kinderen en volwassenen aan de academie van Zottegem. Een noodzakelijk maar ook een mooi beroep. Je hoort als jonge kunstenaar soms dat je moet opletten voor het onderwijs, omdat het op een bepaald moment alles zou overnemen. Maar dat je geen goede kunstenaar zou kunnen zijn als je niet alléén maar je kunst hebt, ervaar ik nu als een onwaarheid. Een geordend leven en een ongebreidelde artistieke verbeelding hoeven elkaar niet in de weg te zitten.

Het beeld van het weekdier lijkt ook een metafoor voor een bepaald mensbeeld.
Depelchin: De larve van een mossel ontstaat door mannelijk zaad en vrouwelijke eitjes die gewoon in het water met elkaar versmelten. Die larve wordt dan door de golven meegesleurd, tot zich mondjesmaat een schelp ontwikkelt die uiteindelijk naar de bodem zakt, waar ze dan een rots of vaste grond vindt om zich aan te hechten. Dat is een beweging die de personages in het boek verbindt. Iedereen verlangt naar de rust van het moment waarop alles definitief in de goede plooi valt, maar dat moment komt er nooit echt.

Over zaad en eitjes gesproken. In het boek zit ook veel seks. Uitzinnige seks, perverse seks, zielige seks… Ben je erachter waarom dat zo'n prominente rol speelt in de levens van de personages?
Depelchin: De seks in het boek is vaak een individualistische aangelegenheid. De heftige scènes in het hoofd van Franky zijn een vorm van rebellie tegen de vrij droge relatie met Olga waarvoor hij heeft gekozen. Zijn fantasieën zijn zijn enige vrijheid. Ook bij de andere personages is hun seksualiteit iets waarin ze vrij kunnen zijn, al krijgt dat dan weer iets dwangmatigs. Voor Colline is het een obsessieve zoektocht naar bevrediging en extase die ze in het echte leven niet vindt. Dan is er ook nog Siffer, die op een hele seksistische en pornografische manier zijn seksualiteit beleeft, en Briekje, die schippert tussen mannen en vrouwen. Alleen Mathilde lijkt volkomen tevreden. De meesten onder hen zoeken dus op verschillende moeizame manieren naar hetzelfde: een mogelijkheid om los te kunnen laten en volledig zichzelf te kunnen zijn.

1728 Hans Depelchin
© Ivan Put

Je voelt daarbij minstens bij sommigen een grote worsteling om weg te blijven van seksisme, foute omgangsvormen, gekwetste ego's en relaties.
Depelchin: Naast andere maatschappelijke kwesties is dat ook een van de thema's die het boek langzaam zijn binnengeslopen, omdat ik er ook mee zit. Wat is mijn vrouwbeeld eigenlijk? Is het mogelijk om altijd een consequente positie in te nemen? Colline zegt ergens: “Soms wil ik inderdaad hard door iemand genomen worden. Beantwoord ik dan ook aan traditionele rollenpatronen? Of heeft dat meer met instinct te maken?” Het is moeilijk om een consequente mening te hebben in een wereld waarin de opinies via alle mogelijke manieren binnenstromen. Ook al wil je open zijn van geest, dan kunnen er toch bepaalde gedachten in je opkomen waar je zelf van schrikt, ongeacht je ideologische overtuiging. Het is moeilijk daar je weg in te vinden.

Misschien nu eerst maar eens gewoon verhuizen.
Depelchin: (Lacht) Ja, de Parklaan, waar we nu nog wonen, is ons toch iets te druk gebleken. Mijn vriendin en ik houden ook allebei van lopen, en ons nieuwe appartement bevindt zich op wandelafstand van het Ter Kamerenbos, dat sinds kort niet meer overal toegankelijk is voor auto's. Heerlijk.
Hier en daar hoor ik van andere 'aangespoelden' dat het moeilijk is om Brussel meteen als je thuis te ervaren. Misschien kan dat alleen als je hier geboren bent. De stad is in in ieder geval minder bevattelijk en overzichtelijk dan de Vlaamse steden waar ik heb gewoond. Ik ken wel stilaan mijn weg in Brussel, maar er valt nog zoveel te ontdekken. Ook van het culturele leven proeven is er door de huidige omstandigheden nog niet echt van gekomen. Laten we hopen dat dat snel verandert.

HANS DEPELCHIN: WEEKDIER
De Geus, 331 p., 22,50 euro
www.handsdepelchin.com

1728 Hans Depelchin weekdier

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?