Column

Jan Ducheyne: ‘Het is tijd voor de lente’

© BRUZZ
10/02/2022

Drie weken lang deelt een Brusselse creatieveling zijn/ haar/hun kijk op de wereld. Jan Ducheyne is schrijver, Sprekende Ezel en frontman van de band Noodzakelijk Kwaad. www.janducheyne.be

Het is kwart voor tien. Titus & Boris zijn mokkend naar school vertrokken. Eerst koffie. Koud. Het is tijd voor de lente. Katia, een vriendin met Grieks-Jamaicaanse wortels, merkte net op dat de hemel in België zo laag lijkt. Ik lachte dat we in een klein land wonen. Ik fiets door de stad en bij de Sint-Katelij­nekerk beland ik bij de Vismet, de eerste plaats waar ik me thuis voelde in Brussel.

Op het personeel na is er haast niks veranderd in die ruim twintig jaar. Het kloppende hart is nog steeds hetzelfde: die grote man achter zijn fornuis, mijn vriend Tom Decroos. Ik ben er en hij nog niet. Maar zo meteen komt hij binnen en licht dit restaurant op. Tom is een anker, de Vismet een ankerplaats. Het is van het mooiste dat er is, op een plek zijn waar iemand niet in persoon is, maar waar alles aan die persoon doet denken. Door de herhaling van zien en zijn.

Toen de eerste lockdown werd afgekondigd, at ik 's middags in de Vismet. Tom vloekte, begrijpelijk als je frigo's vol zitten met verse producten voor gerechten die je nooit zal serveren. Het voelt onrechtvaardig, zeker voor iemand die altijd maar voortdoet. We zijn nu bijna twee jaar later en Tom heeft gewoon voortgedaan. Ondanks “de toestand”.

Aan zijn restaurant werd de afgelopen jaren een mastodont opgetrokken waar vroeger Parking 58 stond, met dat dak waarop zoveel Brusselaars nog pintjes hebben gedronken. In plaats van die harteloze constructie had hier een stadspark kunnen liggen. Parken brengen geen geld op, maar mensen kunnen geen geld en betonblokken eten of ademen. Projectontwikkelaars en volksvertegenwoordigers zouden samen tot dat inzicht kunnen komen: dat een park beter is dan een gebouw van vele verdiepingen.

Ankerplaatsen. Zeker in een grootstad als Brussel zijn er vele. Je ontdekt er elke dag een nieuwe. Achter elke hoek kan een verrassing schuilen.

Het is tijd dat de nacht weer nacht zijn mag, en niemand oplegt hoelang die nacht dan duren mag

Jan Ducheyne

Beeld je in dat hier, na lockdown en winter, Park 58 zou hebben gelegen. Het is goed om naar de dingen te kijken en ook te zien wat er zou kunnen zijn. Zo houden we 'deze toestand' vol: door te blijven zien wat er zou kunnen zijn, en ondertussen te blijven flaneren alsof er niks aan de hand is.

Het is tijd voor de lente. Voor buitenkomen, op den bots, op een terras of in een park, op het dak van een parking, in het midden van een onverwachte toestand. Met oude vrienden of nieuwe collega's, zonder mondmasker of QR-codes, zonder sluitingsuur, beperkte bezetting of wat dan ook. Lente! Zodat Brussel, België weer wat groter wordt, zijn hemel weer hoger klimt. Zodat ankerplaatsen weer élke middag vol zitten. Ik heb helemaal geen zin om te schrijven dat we 'toch nog voorzichtig' moeten zijn. Ik wil schrijven dat het feest gaat losbarsten, en dat er geen vuiltje aan de lucht zal zijn.

In het kader van Europalia: Trains & Tracks nam ik tijdens de Poëzieweek met dichteres Laurence Vielle allerlei 'laatste treinen' kriskras door het land. We lazen poëzie voor en luisterden naar de verhalen van gretig vertellende, verraste reizigers. De verwondering, de serendipiteit van ineens ergens anders op uit te komen dan wat men verwacht had, daar gaat het om. Maar sommige laatste treinen waren leeg. Omdat de nacht een halt was toegeroepen. Het is tijd dat de nacht weer nacht zijn mag, en niemand oplegt hoelang die nacht dan duren mag.

Ondertussen zullen we voortdoen. Zoals het volk dat samenkwam aan het Sint-Katelijneplein aan de nachtwinkeltoog-op-de-hoek, toen de échte cafés dicht waren. Zoals Tom, die ging fietsen tijdens de lockdowns. Zodat de parken die er niet zijn, in onze hoofden groeien. Zodat de ontmoetingen waarvan we dromen, de feesten waar we naar hunkeren, zich zullen voltrekken, niet als uitzonderingen, maar als vanzelfsprekend.

Laten we voortdoen. Ineens zullen we elkaar tegenkomen, ergens om de hoek, waar we elkaar niet hadden verwacht.

Putain, quoi! En avant le printemps!

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni