Coronajaar 2020

Lize Spit ontsteekt een literair lichtje in donkere dagen met ‘Ik ben er niet’

Lize Spit© Ivan Put

Met Ik ben er niet zorgt Lize Spit precies vijf jaar na het monstersucces van haar debuut Het smelt opnieuw voor een monumentale en meeslepende roman, met Brussel als decor. En dat in een lockdown-jaar. “Door het feit dat ik bijna niemand meer zag, bleef ik vastzitten in mijn eigen negativiteit over het boek.”

Wie is Lize Spit?

Geboren in 1988, groeide op in Viersel en woont sinds 2005 in Brussel

Behaalde een master Scenario aan het RITCS, schrijft proza, poëzie en columns

Publiceerde in Het Liegend Konijn, De Gids, Das Magazin en De Morgen

Is gastdocent schrijven aan LUCA - School of Arts in Brussel

Haar debuutroman Het smelt (2016) werd 210.000 keer verkocht, genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, de Fintro Literatuurprijs en de Premio Strega Europeo, bekroond met De Bronzen Uil, vertaald in vijftien talen, en wordt volgend jaar verfilmd in een regie van Veerle Baetens

Woont momenteel samen in Brussel met haar vriend, de Nederlandse schrijver Rob van Essen

Haar tweede roman Ik ben er niet ligt nu in de winkel

In 2016 stak in het leven van de Kempische ex-RITCS-studente Lize Spit een wervelende storm op die haar debuutroman Het smelt omhoogstuwde naar de literaire hoogten waar media-aandacht, verkoopcijfers, prijzen en nominaties goed gedijen. Sindsdien hielpen Spits columns, en tussentijdse berichten over de vele vertalingen en de nakende verfilming van Het smelt de periode overbruggen waarin de lezers reikhalzend uitkeken naar de komst van de beruchte tweede 'roman van de bevestiging'.

Die bevestiging is er nu. Ik ben er niet is net als Het smelt een vuistdik maar uitgebalanceerd boek waarvan de spankracht verzekerd wordt door de suspense van een strak in de hand gehouden plot. Genadeloos en donker, maar geschraagd door diepmenselijkheid, psychologisch inzicht en rake observaties wordt de relatie ontleed van het door een geestesziekte overvallen koppel Simon en Leo. Veel meer kunnen we over de plot niet prijsgeven, omdat de scenariste in Spit zorgvuldig waakt over de leeservaring die haar gedoseerde opbouw beoogt. Maar dat het gedetailleerd geresearchte en intens doorvoelde boek onder de druk van hoge verwachtingen even op zich liet wachten, was al een poosje geen geheim meer.

Lize Spit: “Ik ben er inderdaad lang mee bezig geweest. Al in het eerste jaar na Het smelt was mijn manuscript een houvast wanneer ik bijvoorbeeld op tournee in Duitsland naar mijn hotelkamer terugkeerde. Dat ik met dit boek niet iedereen tevreden zou kunnen stellen, wist ik wel. Sommigen willen dat je exact hetzelfde doet als in het eerste boek, en anderen dat je juist iets helemaal anders doet, dus je stelt altijd wel iemand teleur. De druk kwam vooral van mezelf. Ik had voortdurend het gevoel dat het niet goed genoeg was en kon geen afstand meer nemen. Ik moest al een roman van iemand anders openslaan om te zien dat daarin ook maar gewoon zinnen achter elkaar stonden, en dat niet elke zin even fantastisch moet zijn.”

“Het was op vele vlakken ook geen makkelijk boek om te schrijven. Er waren veel veranderingen in mijn persoonlijke leven die maakten dat ik als mens veranderde, waardoor het meer moeite kostte om de continuïteit in het boek niet te verliezen en alles te laten kloppen. Puur technisch is het een heel bouwwerk dat gedoseerd moest worden geschreven. En ook thematisch vond ik het moeilijk om het verhaal geschreven te krijgen, omdat het over een geestesziekte gaat waarvan ik de impact over een langere periode in het dagelijkse leven wilde tonen. Pas toen ik de juiste spanningsboog vond en het boek zelf een cruciaal element naar voren bracht om tot een logische samenhang te komen, viel alles op zijn plaats. En dan nog had ik het er tot twee weken geleden moeilijk mee. Toen het klaar was, wist ik eigenlijk niet wat ik gemaakt had. Nu een aantal mensen het gelezen hebben en mij stuk voor stuk geruststellen, begin ik er langzaamaan in te geloven.”

Inspiratie was blijkbaar het probleem niet. Op het Passa Porta Festival vorig jaar zei je nog dat je ineens wel materiaal had voor twee boeken?
Lize Spit:
Ja. Er valt bijvoorbeeld ook nog veel te vertellen over de jeugd van de personages en hoe zij zijn geworden wie ze nu zijn. Er is dus nog materiaal voor een volgend boek, al weet ik niet hoe ik daar binnen een jaar over zal denken.

Een van de veranderingen in je leven is dat de Nederlandse collega-succesauteur van onder meer De goede zoon en Een man met goede schoenen Rob van Essen hier sinds de eerste lockdown tegenover je aan de keukentafel zit te schrijven. Hielp dat?
Spit:
Hij heeft me veel gesteund en aangemoedigd, maar het moeilijke aan schrijven is toch dat je het alleen moet doen en dat je er zelf van overtuigd moet zijn dat het goed genoeg is. Het fijne is wel dat wij snappen wat de ander aan het doen is en weten hoe belangrijk schrijven voor ons is. Het is een kwestie van zingeving waar je als partner niet mee in competitie gaat. Wij ervaren het niet als een afwijzing wanneer de ander ervoor kiest om toch nog voort te werken in plaats van samen iets leuks te doen. Rob is nu al maanden aan het schrijven aan iets waar ik nog niets van heb gelezen. Af en toe lost hij iets, maar ik heb geen idee in welk universum hij ronddwaalt of wat er allemaal gebeurt in zijn hoofd als hij voor mij zit. Wel weet ik dat het daar voor hem een leuke plek is om te zijn. Hij is de meester van zijn eigen tekst, dus ik hoef me ook geen zorgen te maken.

1735 Lize Spit2
© Ivan Put
| Lize Spit: “Ik vind het nog altijd heel bijzonder als ik in Brussel word aangesproken door Franstalige lezers.”

Heeft de lockdown nog geholpen?
Spit:
Op dat moment was ik eigenlijk al vrij ver in het schrijfproces. In maart lag de deadline voor de eerste versie, en tot mijn verrassing vonden ze toen bij de uitgeverij dat het boek op een aantal accentwijzigingen na klaar was. Ik schrok dus van het voorstel om het dit jaar nog te publiceren, en dan hielp de lockdown wel om heel geconcentreerd aan de finale versie te werken. Door het feit dat ik bijna niemand meer zag, bleef ik wel vastzitten in mijn negativiteit over het boek, waardoor ik de mensen van de uitgeverij, die ik zo vertrouw en die mij nooit onder druk hebben gezet, bijna niet meer geloofde toen ze zeiden dat het goed was. Ik heb tijdens de lockdown één lezing gegeven voor een zaal mensen. Die waren alleen maar lief en keken zo uit naar het boek. Daardoor besefte ik dat de projectie dat de hele buitenwereld negatief naar mij keek, helemaal niet klopte. Ik denk dat veel mensen daar nu misschien wel last van kunnen hebben: dat ze kunnen wegzakken in de ideeën die zich in hun hoofd hebben gevormd.

Ondanks alle Zoom- en Teams-gesprekken en mails missen we de geruststellende en relativerende context van de schouderklop en de knipoog die je bij lijfelijke aanwezigheid wel hebt?
Spit:
Alles is meteen zo serieus. Zo hadden we het onlangs met mijn moeder nog over het belang van emoticons. De generatie zestigers is vaak wel strikt met leestekens, maar heeft soms niet de gevoeligheid om humor over te brengen in geschreven berichtjes, die daardoor soms stuurs overkomen. Ook na zo'n beperkte Zoom-sessie overvalt me soms een gevoel van schaamte. Daarom hebben Rob en ik ons eigenlijk een beetje teruggetrokken in een cocon. Geen discussies over knuffelcontacten. Liever wachten tot het voorbij is dan de hele tijd te Zoomen met vrienden.

Ook in Ik ben er niet spelen de gevoeligheden en de veronderstelde betekenis van de witregels in tekstberichtjes een belangrijke rol.
Spit:
Dat heeft vooral te maken met het personage Leo, die verlatingsangst heeft, en daarom bij anderen heel erg uitkijkt naar tekenen waaruit ze kan afleiden of ze nog om haar geven of niet. In contact via tekstberichten blijft alles bewaard, zodat je alles achteraf nog eens kan herlezen en je kan verliezen in analyses over andermans bedoelingen of eigen tekortkomingen. Je wilt de goede, zorgvuldige vriend zijn, maar op het moment dat je dat te goed kan controleren, wordt het soms ook wel krampachtig.

Je beschrijft op beklijvende, soms ronduit angstaanjagende manier een personage met een bepaalde geestesziekte. Misschien woog ook de verantwoordelijkheid om dat zorgzaam te doen op het schrijfproces.
Spit:
Ja, zeker. Ik schets een vrij negatief beeld van de psychische gezondheidszorg, en daar zit ik wel wat mee in mijn maag. Ook mensen die aan de ziekte lijden, zullen zich misschien niet zo fijn voorgesteld voelen. Maar ik denk dat ik niet heb overdreven hoe angstaanjagend zo'n psychiatrische setting nog kan zijn, en in het eerste jaar na de diagnose is het voor de patiënt en zijn naasten ook vaak één chaotische zoektocht. Ik ben tijdens het schrijven op meerdere plaatsen geweest en heb door verschillende raampjes naar de ziekte gekeken – als researcher die dokters en patiënten kon spreken, en vanuit persoonlijke ervaringen met naasten die zoiets is overkomen. Het boek is uiteindelijk eerder geschreven vanuit het standpunt van de naaste van een psychisch zieke, naar wie vandaag nog altijd weinig wordt omgekeken. Ik hoop dat mensen wel snappen dat mijn eigen blik op de ziekte en de zorg wel genuanceerder is dan die van Leo.

De thematiek die in de titel Ik ben er niet verscholen zit, uit zich in de roman op verschillende manieren. Op een hoger plan is er het valluik tussen werkelijkheid en fictie, het leven en de literatuur, de schrijver en haar werk. De personages zelf lijden dan weer aan een door manipulatie of pesterijen beschadigde persoonlijkheid, de twijfel en hang naar erkenning voor de creatieve carrière waarin ze zichzelf gestalte proberen te geven, een meer dan gezonde zelfverloochening in relaties met vrienden of geliefden, de worsteling met hun verleden en herinneringen, het controleverlies door ziekte of de zorg voor een zieke.

Daardoor is Ik ben er niet minstens even hard als Het smelt, al gaat er nu ook veel liefde en zorg uit van de personages. Te veel zelfs.
Spit:
Soms ga je op in de zorg voor een ander om niet bezig te moeten zijn met de zorg voor jezelf. Dat Leo voor Simon kookt, maakt ook dat ze zelf niet meer de pot appelmoes hoeft leeg te eten. Soms is het makkelijker om sterk te zijn en telkens weer boven jezelf uit te stijgen in aanwezigheid van iemand die zich onzeker voelt en voortdurend hulp nodig heeft. Mensen als Leo, die er als kind al aan gewend waren de situatie thuis te moeten redden, nemen vaak later in hun relatie ook de rol van zorgende ouder op. Parentificatie heet dat. Maar je kan een ander niet altijd redden, en de zorg voor anderen kan ook zo ver gaan dat je de ander ondermijnt en zelf een machtspositie verwerft. Soms is het beter om tegen iemand die erg lijdt of in de put zit te zeggen dat hij of zij het waard is om uit die put te kruipen, in plaats van hem de hele tijd alles aan te reiken wat hij nodig heeft. Maar dat is natuurlijk lastig bij iemand van wie je houdt.

Wordt in deze periode, waarin we allemaal lijden, ons vermogen om voor onszelf en voor elkaar te zorgen op de proef gesteld?
Spit:
Je mag niet onderschatten hoeveel geluk mensen eruit putten om voor een ander te kunnen zorgen. Maar als de regels zo strikt worden dat zelfs een kleinigheid zoveel extra aandacht en moeite vergt, kan dat frustrerend zijn. Wanneer je vandaag een gesprek voert tijdens een wandeling met een vriendin en een van de twee begint te huilen, dan sta je daar, onbeholpen. Die anderhalve meter lijkt dan plots honderd meter.

1735 Lize Spit
© Ivan Put
| Lize Spit in een lege stad. Maar hoopvol voor later: “Het zou fijn zijn als bijvoorbeeld Vlaamse lezers iets gingen drinken op een van de Brusselse locaties uit het boek.”

De duistere passages in Ik ben er niet worden net als in Het smelt ook verlicht door talloze mooi verwoorde observaties, grappige kleine rituelen van de personages, dagelijkse poëzie en zachte humor. Daar kan de lezer misschien ook iets van leren.
Spit:
Humor is belangrijk. Dat hoeven geen mopjes te zijn, het gaat over hoe je de humor kan inzien van gebeurtenissen op straat, of hoe je een leuk voorwerp in huis een eigen leven laat leiden. In relaties kan je daar ook aan werken. Samen 'Wespen op de appeltaart' van Spinvis zingen, briefjes achterlaten voor elkaar, de running gags met je vrienden in stand houden… Dat is intimiteit. De kleine dingen die voor verbinding zorgen.

Of Rummikub spelen…
Spit:
Daar hebben Rob en ik al veel over gepraat in interviews, dus het is bijna een gimmick geworden, maar we spelen inderdaad nog elke avond twee potjes. Wat ook waardevol is, is dat we sinds september veel gaan fietsen langs het kanaal, tot in Beersel en terug. Ook koffie zetten voor elkaar is een ritueel geworden. Ik ben wel hoopvol maar niet naïef over het leven na corona. Een winstpunt zou kunnen zijn dat we de basis weer meer waarderen. Met vrienden en familie aan tafel kunnen zitten in plaats van per se ver weg te moeten gaan. Al is het niet ondenkbaar dat iedereen volgend jaar weer snel alles wil inhalen.

Hoe goed Ik ben er niet wel is, kan ook blijken uit het feit dat BRUZZ er liefst vijfentwintig keer in wordt vernoemd. Daarnaast zijn er vele eervolle vermeldingen voor locaties als de molentjes aan het kanaal, de Zuidertoren, tattooshop Bruskull of het Museum voor Schone Kunsten.
Spit:
In Het smelt was het dorp echt een personage. In dit boek is Brussel geen personage, maar wel het decor. Dat heeft te maken met het feit dat ik de stad nog heb bewaard voor een volgend boek. Je kan Brussel maar één keer echt als personage opvoeren door er ook echt een analyse van te maken, maar daarvoor was dit boek al te vol. De herkenbare plekken vormen nu dus vooral een parcours voor de personages en de lezer.

Nu de 40.000 exemplaren van de eerste druk van Ik ben er niet al zijn besteld, zit je al aan de tweede. Mogen we ook in Brussel Lize Spit-toerisme verwachten?
Spit:
In mijn geboortedorp is er inderdaad een geomapping-route met locaties uit Het smelt, en een aantal journalisten zijn daar ook een kijkje gaan nemen. Misschien zal het imago van Brussel mensen nog wat afschrikken, maar het zou fijn zijn als lezers uit Antwerpen of de Kempen naar hier zouden komen om iets te gaan drinken op een van de locaties uit het boek. En voor wie Brussel al kent, is het fijn dat zich bij café Au Soleil of bij het Zuidstation meteen een bekend universum opent in hun hoofd, zonder dat ik daarvoor als schrijver extra moeite hoef te doen. Van andere plekken, zoals bijvoorbeeld het Museum voor Schone Kunsten, zou ik het ook wel fijn vinden dat er meer volk naartoe gaat.

Is Leo's vakantiejob in die bekende multiplexbioscoop tijdens haar filmstudies autobiografisch?
Spit:
(Lacht) Ja, en vijftien jaar geleden was dat ook nog meer een commerciële aangelegenheid dan nu. Als filmstudent wil je dan liever in een klein auteurscinemaatje in het centrum werken waar je zowel de tickets verkoopt als ze vijf minuten later scheurt, in plaats van aan de voedseltoog de chips te verkopen waar je jezelf als bezoeker zo dood aan ergert.

Je spreekt je in columns en interviews ook uit over de minder fraaie kanten van Brussel. Zoals het seksisme en de onveiligheid op straat, of de dominantie van het autoverkeer.
Spit:
Als ik de schoonheid van deze stad niet zag, zou ik hier ondertussen geen vijftien jaar wonen. Maar ik ben ook kritisch. (Droogjes) Er zijn uitdagingen. Het buurtcomité Triangle 1070 heeft de problemen met kleine jeugdbendes in onze buurt al aangekaart. Ik ben er wel van geschrokken hoe kwetsbaar een stad op dat vlak is. Een stad voelt als een mastodont waar alles vaststaat, maar een buurt is heel kwetsbaar. Een paar mensen met slechte bedoelingen kunnen de sfeer voor honderden gezinnen verzieken.

1735 Lize Spit cover
© Ivan Put
| Lize Spit

Dat zag ik ook met de lockdown. Tijdens de eerste dagen was er hier geen vrouw op straat en was het hier bijna een rodeo van mannen die met onzichtbare lasso's zwierden. Wat het verkeer betreft, heb ik altijd op plaatsen gewoond waar het onevenwicht tussen zwakke en sterke weggebruikers zeer duidelijk was. Ik ben dus wel een beetje een fietsactivist. Ik heb geen auto of rijbewijs en kan soms heel kwaad worden dat je dan op alle vlakken de nadelen moet slikken. Hier aan het Baraplein is frisse lucht zeer relatief, en als weggedrukte fietser ben jij degene die zijn leven waagt. De enige voordelen zijn dat je in beweging blijft en overal sneller bent. Als je het over lichtpunten in het afgelopen jaar hebt, dan is het bemoedigend dat in de lockdown veel meer mensen fietsen hebben gekocht en dat je op straat echt voelt dat die veranderende gewoontes op termijn ook effect moeten hebben.

Hoe ver staat het ondertussen met de verfilming van Het smelt?
Spit:
Veerle Baetens geeft me geregeld een update. De casting voor de kinderen is rond en zij krijgen nu een opleiding. In de zomer van 2021 wordt er normaal gefilmd, en dan kan hij hopelijk begin 2022 in première. Tegen dan hebben de bioscopen hopelijk het ergste achter de rug, en is ook de Engelse vertaling uit. Die heeft om allerlei redenen een tijdje op zich laten wachten.

Uit welke landen kreeg je de beste reacties?
Spit:
De Franse en de Duitse vertalingen zijn echt een succes geworden. Frankrijk en Duitsland zijn me ook het best bijgebleven, omdat ik in die landen het meeste contact had met de lezers. Ik kon niet naar elk land gaan, omdat ik weinig of niet probeer te vliegen. Heen en weer naar Polen of Zuid-Afrika voor een boekvoorstelling vind ik niet vanzelfsprekend, ook al krijgt een boek meer aandacht als je er als schrijver bij bent. Maar ik vind het ook nog altijd heel bijzonder wanneer ik in Brussel door Franstalige lezers word aangesproken.

LIZE SPIT: IK BEN ER NIET
Das Mag, 570 p., €25,99, www.dasmag.nl

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Meer nieuws uit Brussel
Vooraan op BRUZZ

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?