Ten dans, dichter die wolken draagt! Met Peter Holvoet-Hanssen naar ‘Danser brut’

Peter Holvoet-Hanssen in ‘Danser brut’© Heleen Rodiers

De duizelingwekkende dichter Peter Holvoet-Hanssen stelt in Bozar middels een concert met de bezwerende jazzmuzikant Joachim Badenhorst zijn nieuwe boek De wolkendragers voor: een weelderige strijdtocht van een bont gezelschap poëtische zielen tegen Goleman. Wij gingen met de troubadour de tentoonstelling Danser brut bezoeken, die met ingesnoerde en kronkelende, beheerste en bezeten lichamen in de barstjes in onze ‘normaliteit’ duikt. “Wij dansen niet meer, da’s niet gezond.”

“Ik ben er zeker van dat ik ga beginnen te dansen. De hele tijd stil blijven zitten, zie ik mezelf niet doen. Ik heb ‘ADSL’ – of hoe noem je dat?” lacht Peter Holvoet-Hanssen terwijl hij vooruit denkt naar 8 oktober, wanneer hij zich met klarinetvirtuoos en “zigzaggende bezweerder” Joachim Badenhorst overgeeft aan een muzikale evocatie van zijn nieuwe boek De wolkendragers. De Antwerpse troubadour doelt op ADHD én op het feit dat die diagnose – als ze al gesteld zou zijn – gerust wat weerwerk verdient.

Peter Holvoet-Hanssen toont zich al decennialang als de ongrijpbaarste ziel in poëzieland. Als een wervelend lichaam dat zich als dichter, troubadour, postpunker, vrijheidsstrijder en ontsnappingskunstenaar ontdoet van te enge verwachtingen en voorschriften, in de poëzie én daarbuiten. Dat zich op een podium voor de leeuwen gooit vanuit de overtuiging dat poëzie ertoe doet, dat poëzie er voor iedereen toe doet, en dat de mens er een vrijer wezen van wordt. Niet voor niets heette zijn eerste bundel Dwangbuis voor Houdini, meteen goed voor de Debuutprijs 1999.

1725 20201002 Peter Holvoet Hansen 3
© Heleen Rodiers
| Peter Holvoet-Hanssen voor de dansende Valeska Gert: “Hoe modern de jaren 1920 waren, wat een explosie aan kunst!”

Net die vrijheidsdrang – hoe ze wordt beknot, hoe ze niet kán worden beknot, hoe ze ons ontsnapt hoewel ze diep in ons allen zit – staat centraal in Danser brut, de nieuwe tentoonstelling in Bozar die via de moderne dans de brug slaat “tussen de afwijking en de normaliteit, tussen de gemarginaliseerde zieke en de bejubelde artiest, tussen het onzichtbare lijden in de duisternis en het esthetische gebeuren in de schijnwerpers,” zoals psychiater en psychotherapeut Dirk De Wachter het zo mooi omschreef bij de opening. De kunsten als grensgebied waarin de opgetrokken muren van de burgerlijke normaliteit barsten gaan vertonen. Barsten waarlangs de kwetsbare mens weer aansluiting kan vinden bij de samenleving die hem of haar verstoten heeft.

Met Peter Holvoet-Hanssen – die met de tegendraadse wals ‘Don Chisciotte della Danza’ uit De wolkendragers ook de catalogus van Danser brut is binnengedrongen – sleuren we in die tentoonstelling “de waan van de zinnen” en betrekken we de poëzie en de psychiatrie, de poëet en de kwetsbare mens in een bezwerende tarantella. De dans van de dichter die wolken draagt in vijf passen, geheel uit de pas.

FARANDOLE, FARANDOLE
“Ergens in mijn achterhoofd sluimeren deze beelden rond,” vertelt Peter Holvoet-Hanssen wanneer we het voorgeborchte van Danser brut betreden, waar Valeska Gerts Tänzerische Pantomimen de bezoeker verwelkomen. De Duitse danseres, die in de jaren 1920 in bioscoopzalen het podium op trok bij het wisselen van de filmrol en daar gewoon stond, niets deed, is hier te zien terwijl ze elke vezel in haar lichaam naar radicale expressiviteit drijft en de dood, een bokswedstrijd, een orgasme, niets verbeeldt en belichaamt.

“Eind jaren 1980 werkte ik voor het tweejaarlijkse dansfestival De Beweeging, een Antwerpse vzw die het bewegingstheater wilde promoten, en waar Eric Raeves en Marc Vanrunxt over de vloer kwamen. Ik heb er maar een jaar, anderhalf jaar gewerkt – ik kon toen al niet stilzitten, het waren mijn wilde jaren toen ik dj was en nog vampierenbals gaf –, maar deze beelden zijn me allemaal vertrouwd. En ze verouderen niet. Hoe modern die jaren 1920 waren, wat een explosie aan kunst!”

De trappen op, in de afdeling ‘Dolgedraaid’, lopen we voorbij de draaimolens en windhanen die Jean Grard vanaf de jaren 1980 met gevonden materialen in elkaar knutselde en opstelde op zijn Bretoense boerderij. De speelse rondedans vloeit uit in een foto van een gymnastieksessie van de Kinderkolonie van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn in Dongelberg, gruwelijk ondertiteld met “Colonie d’Enfants Débiles”. Hans Op de Beecks Blender, een video uit 1999, toont dan weer een op hol geslagen draaimolen. “Spookachtig,” noemt Peter Holvoet-Hanssen de vervluchtigende paarden. “Dat de draaimolen teruggaat op de middeleeuwse rondedans, was voor mij een openbaring. Ik zit daar zelf zo graag op, maar ik vind tegenwoordig niemand meer die mee wil. (Lacht) Die cirkelbeweging heeft iets verbindends, in de dans gaan kinderen daar bijna automatisch toe over. Wij zijn dat een beetje kwijtgeraakt. Vandaag dansen we niet meer, da’s niet gezond.”

“Cirkelbewegingen zijn ook belangrijk in De wolkendragers, een soort totaalboek waarin behalve poëzie ook proza zit, walsen, halve raps, en een aantal muziekdoosgedichten als rondedansjes, geconstrueerd als een mechaniekje waarbij je op het einde van een gedicht wordt teruggevoerd naar het begin. Mijn poëzie zou je kunnen omschrijven als een draaimolen op toeren. Voor sommigen is het moeilijk er niet af te vliegen, maar je staat of valt met de overgave waarmee je leest of luistert. Ik schrijf geen moeilijke dingen. De moeilijkheid zit erin dat ik heel veel spring. Wat ik doe, is niet direct terug te leiden naar Plato of Aristoteles en daar zit soms het probleem. Mijn werk is gegrond in de preplatoonse filosofie, een soort dionysische oertoestand van roes en trance, waar de gemeenschap inclusief is en waar nog offers aan de rivier worden gebracht in plaats van aan een God die tegennatuurlijk buiten ons zou staan, terwijl hij ons in de gaten houdt.”

LET’S TRANCE
Het is die diepe bron waar De wolkendragers zich aan laaft. “Jerzy Grotowski, de Poolse theatermaker en -vernieuwer die het moderne theater terug naar het lichaam heeft gebracht, had het ooit over de plaatsen waar de klanken wonen in ons lichaam,” vertelt Peter Holvoet-Hanssen. “Dat vind ik een heel mooi idee. Vandaag zijn we in de poëzie veel met gedachten en gevoelens bezig, maar in De wolkendragers heb ik geprobeerd me bewuster te zijn van die klanken, cadans en ritme via het onderbewuste te horen en voelen. Dat moment met Joachim Badenhorst moet je ook eerder zien in die zin, als een concert, een muzikale evocatie. Niet zozeer literair, maar in klank, zonder de PowerPoint erbij. De beelden krijg je cadeau als je je daaraan overgeeft.” (Lacht)

Intussen leidt een fragment uit Georg Wilhelm Pabsts Paracelsus (1943) de afdeling ‘Trance en bezetenheid’ in. Eén danser neemt een bonte stoet aan toeschouwers op sleeptouw in een machtige, hypnotiserende massabeweging – angstaanjagend, als je weet dat de film door Joseph Goebbels werd besteld. Wat verder worden de dansprocessie van epileptici naar Molenbeek en de springprocessie van Echternach verbeeld, terwijlop een scherm de dansmarathon uit Sydney Pollacks filmklassieker They shoot horses, don’t they? (1969) naar zijn pijnlijke einde strompelt.

De trance is niet vrijblijvend, niet pijnloos. Er is een kost. “Ik ben diep gegaan voor De wolkendragers, maanden aan een stuk heb ik drie uur per nacht geslapen. Maar zoals Paul Valéry zei: een roman gaat van a naar b, maar poëzie danst van a tot z. Je zet je eerste stappen en tekent een parcours uit, maar als je eenmaal goed vertrokken bent, kan er van alles gebeuren. Het enige wat ik dan kan doen, is mij openstellen, een doorgeefluik worden, van een onzichtbaar lichaam naar een zichtbaar lichaam op papier. En dat knettert, en dat geeft elektriciteit.”

1725 20201002 Peter Holvoet Hansen 6
© Heleen Rodiers
| Peter Holvoet-Hanssen bij de draaimolens en windhanen van Jean Grard en René Guisset: “Mijn poëzie zou je kunnen beschrijven als een draaimolen op toeren.”

Zoals Hexentanz uit 1929, de choreografie waarmee de Duitse Mary Wigman pionierde in de expressionistische dans en de kiemen legde voor de moderne dans. “Dat vuur!” reageert Peter Holvoet-Hanssen. “Dat vuur is zo inspirerend, schitterend. Je ziet in haar performance het onberekende en het berekende samenvloeien. Ze weet heel goed waar ze mee bezig is, maar tegelijk stelt ze zich open voor krachtvelden buiten zichzelf. Ze vangt als het ware bliksems op. Zo zie ik de poëzie ook: je maakt als dichter een frame, maar binnen dat frame kan je alle kanten op springen. De wolkendragers gaat over Goleman, een vernietigende reus die ons allemaal infiltreert en ons begint te regeren, en over een groep poëtische zielen die alleen gewapend met een gitaar en wat liedjes, goed wetend dat ze ten onder zullen gaan, de reus tegemoet treden. Maar dit, tja… Ik denk dat mijn volgende boek, waarin de confrontatie met de reus volgt, een heel opstandige, baldadige danser zal bevatten. Het gaat mij totaal verteren, maar het moet gebeuren.”

DE RUIMTE SCHEPPENDE GEHEELDEN
We wandelen de afdeling ‘Van Charcot tot Chaplin’ in. Jean-Martin Charcot stond vanaf 1870 aan het hoofd van de afdeling in het Parijse Salpêtrière-ziekenhuis waar hysterische en epileptische vrouwen werden behandeld. In het fotoatelier in dat ziekenhuis legde Albert Londe de aanvallen en houdingen van de patiënten op de gevoelige plaat vast. Die beelden werden samen met documenten en tekeningen van bezeten patiënten in een iconografie opgenomen, die hier wordt tentoongesteld.

“Zeer aangrijpend om te zien,” vindt Peter Holvoet-Hanssen. “Ik heb zelf in de sociale sector gewerkt, onder meer met mensen met autismespectrumstoornissen of psychosegevoeligheid, en ik herken die terugkerende bewegingen. Zoals La Salpêtrière zijn er veel plekken waar mensen worden weggestopt, uit het zicht van de samenleving. Ook hier. Het is mooi dat Museum Dr Guislain en Bozar deze beelden in een tentoonstelling vatten, maar van mij mag het nog verder gaan: breek dit open, maak er een circus, een reizend gezelschap van. We blijven te vaak intra muros.”

Voor De wolkendragers is die uitbraak een fundament. Collega’s als Joke van Leeuwen, Delphine Lecompte, Elvis Peeters, en Tonnus Oosterhoff schreven bijdragen; de stemmen van dochter Anna Roza, moeder Anny Hanssen, een oud-SS’er, een hele resem scholieren en enkele psychiatrische patiënten echoën doorheen het boek. “Er staan gedichten in waar ikzelf niet één woord van heb geschreven, waar het de menselijke verbinding is die aan de oppervlakte komt. Ik ben dan wel een soort van poppenmeester die een plan in zijn hoofd heeft en uiteindelijk aan de koordjes trekt, maar de mensen zelf bepalen heel veel mee. Er waren mensen bij die het Nederlands nog niet goed machtig waren, die als het ware ‘spastisch’ bewogen over het papier, maar die net door de intensiteit en de urgentie van hun woorden parelen en heel noodzakelijk zijn. Ze noemen dat dan outsider art, ik zie hen als gezellen.”

“Met enkele psychiatrische patiënten vorm ik sinds anderhalf jaar een groep, ‘de Ruimte Scheppende Geheelden’ – een naam die ze zelf hebben bedacht. En wij schrijven poezie. Er zit iemand bij die nog nooit poëzie heeft geschreven, en er is een mevrouw die… nu ja, raaskallen is te oneerbiedig, maar niet helemaal helder uit haar woorden raakt, en die we dan maar hebben gebombardeerd tot orakel en die zich helemaal in die rol heeft gevonden. (Lacht) In december gaan we met de hele bende optreden, in een kapel in Zoersel. Voor het eerst gaan zij buiten de muren. Dat was nog nooit gebeurd! We moeten stoppen met te spreken over en meer deel uitmaken van. Wij zijn zelf vervoermiddelen, en die vervoering probeer ik in de poëzie op te wekken. Toen ik voor corona nog naar scholen ging, las ik soms Jean Genet of Lautréamont voor. De leerkracht begreep er niets van: ‘Wat doe je nu? Dat gaan ze nooit snappen!’ Daarom noem ik me ook troubadour en niet performer, ik voer niets uit, ik ben, wij zijn, deel van. Als in een rondedans.”

De wolkendragers geeft een stem aan mensen die geen stem hebben. “Er zijn zoveel poëtische zielen in een gemeenschap. Iedereen die mee de poëzie au serieux neemt, is een wolkendrager – of het nu gaat om een donker of een licht wolkje, een donderslag, mist… Het is heel broos en heel kwetsbaar, en we staren zo ook onze diepste, donkerste kanten in de ogen, maar dat is belangrijk. Zo bezweer je angsten, als in een tarantella. Ik ben er echt van overtuigd dat poëzie een van onze laatste vrijheden zal zijn.”

De vloeibaarheid die Peter Holvoet-Hanssen al zo lang typeert, contrasteert scherp met Louise Bourgeois’ lichamen in psychose in Triptych for the Red Room uit 1994, en echoot in Charlie Chaplins Modern times uit 1936 – waarvoor het Britse icoon zijn grappige loopje spiegelde aan dat van psychiatrische patiënten. “Da’s fantastisch. Hij was zijn tekst kwijt. Hij had die op zijn manchetten geschreven en wanneer hij opkomt, vliegen die weg, waardoor hij moet improviseren en een eigen kindertaaltje uitvindt. Weet je, mijn grote invloeden zijn komieken: de Marx Brothers, Tommy Cooper… Hoe het falen soms mee in de compositie zit, vind ik fascinerend.”

DWANGBUISOPSTAND
“Mijn moeder heeft me altijd aangemoedigd om te schrijven,” vertelt Peter Holvoet-Hanssen terwijl we in de afdeling ‘Een woud van gebaren’ rondstruinen. Tussen werk van Michaël Borremans, Henri Cartier-Bresson, Michel François en Marcel-Louis Baugniet valt het onooglijke werk van Luciano D’Alessandro meteen op. De foto’s die hij in 1973 maakte in een instelling stellen scherp op handen, alsof ze hun ziel omkluisteren. Van Helen Levitt worden ontroerende filmfragmenten getoond die ze in de jaren 1940 maakte van spelende en dansende kinderen in achtergestelde wijken in New York.

1725 20201002 Peter Holvoet Hansen 7
© Heleen Rodiers
| Peter Holvoet-Hanssen achter het doek waarop Mary Wigman bliksemafleider speelt: “Inspirerend, dat vuur waarin het onberekende en het berekende samenvloeien.”

“Die onbevangenheid is schitterend. Van kleins af was ik ook altijd heel beweeglijk, ik heb daar uren voor op de gang gestaan. Ik koesterde een grote opstandigheid tegen dwangbuizen en hoe mensen dwangbuizen maken voor elkaar. Ik zie altijd mogelijkheden, daarom ben ik ook eerder een ontdekkingsreiziger dan een dichter. Mijn moeder zag dat. Ze zag dat ik doodongelukkig was als ik ergens ging werken. Ik wou van alles verkennen, en ging dan ergens aan de slag, maar wat ik allemaal heb moeten uitsteken om daar ook weer weg te raken. (Lacht) Maar zij zei: ‘Peter, jij bent een verteller.’ Haar vader schreef sprookjes, en zij herkende dat. Als eerbetoon heb ik haar naam, Anny Hanssen, bij de naam van mijn vader gevoegd. Dat gaf Holvoet-Hanssen, HH, Harry Houdini…”

“Op het einde van haar leven, achttien jaar geleden, heb ik een jaar mantelzorg gedaan en zijn we – ik met mijn echtgenote en dochter – in het ouderlijke huis gaan wonen. Ik heb daar geschreven aan De vliegende monnik. De oorspronkelijke bedoeling was een rechtlijnige novelle te maken, maar met mijn moeder in huis, was dat heel moeilijk. Het is een antiroman geworden. (Lacht) Ze had veel pijn, en was soms met haar hoofd al ver weg. Op de duur heb ik haar een opdracht gegeven om mee te schrijven. Elke dag heeft ze één of twee regels op papier gezet, samen gaf dat ongeveer een drietal bladzijden. Die heb ik integraal en onveranderd, in haar taal, in De wolkendragers opgenomen. Zo is ze toch nog eens in een boek van mij geglipt.”

Het ligt niet buiten ons, wil Peter Holvoet-Hanssen zeggen. De generositeit die hij tentoonspreidt, grondt op zijn minst in het besef van die deelbaarheid. “Die kwetsbaarheid is overal, kan iedereen overvallen. Kijk maar naar het aantal burn-outs enzovoort. Ik had een tante waar ik als kindje over de vloer kwam die ‘zwangerschapsstuipen’ had, en die ik een halfjaar niet meer mocht bezoeken. Onder druk van zoveel worden hypergevoelige mensen, vaak met een kunstenaarsziel, vergeten in complexen zo groot als industrieparken. Zij hebben verzorging nodig, maar we mogen ze als gemeenschap niet verstoten.”

“Ik heb ooit deelgenomen aan een kunstproject in een ziekenhuisschool, dat uiteindelijk werd tentoongesteld in het M HKA, waarvoor ik met jongeren van vijftien, zestien werkte die kanker hadden. Ze krijgen daar nog altijd les omdat men soms niet weet of ze erdoor gaan komen. ’s Morgens vergader je dan mee met het personeel, en krijg je te horen of die of die ‘een slechte nacht’ hebben gehad. Ik heb op een bepaald moment in een beschermend pak een van die jongeren, een Turkse jongen, bezocht, terwijl hij mogelijk zijn laatste woorden neerschreef: ‘Ik ben bezig aan een oneindige weg.’”

DANSEN ROND HET BARSTJE
Onze weg doorheen de tentoonstelling eindigt bijna. In de afdeling ‘De dans van het potlood’ begroet Rebecca Hall ons met haar Pencil mask (1973). In dezelfde ruimte danst Vaslav Nijinski, de sterdanser van de Ballets russes, over het papier, terwijl Adolf Wölfli frivole, onnavolgbare muziekcomposities tekent en Momoko Nakagawa een eeuwige ellips in het papier krast. En krast, en krast. “Hoe de tijd daarin verdwijnt,” vertelt Peter Holvoet-Hanssen, “dat pakt mij altijd. In die obsessieve bezigheid schemert ook altijd een enorm lijden door.”

Als het zoeken naar een taal, dat vergeefs in de repetitie van altijd dezelfde beweging terechtkomt. Als een schone paradox, die op het blad tot leven komt. “Vanaf dat je iets schrijft, is dat een spirituele daad. Je weet niet wat het einde van je blad gaat brengen. Je hebt een titel en een idee, je begint te schrijven, en je potlood begint je te leiden. Zoals hier. Dichten is op verkenning gaan. Dansen ook, tekenen ook. Dit zijn niet zomaar wat kribbeltjes. Wij zijn allemaal zoekers.” Dansers rond het barstje dat verbinding toelaat, dragers van wolken waaruit woorden dwarrelen.

DANSER BRUT
> 10/1, Bozar, www.bozar.be

PETER HOLVOET-HANSSEN: DE WOLKENDRAGERS
Boek: Polis, 104 p., €20, www.pelckmansuitgevers.be

Voorstelling (met Joachim Badenhorst): 8/10, 19.00, Bozar, www.bozar.be

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees ook

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?