interview

Dirigent Paul Van Nevel over 50 jaar Huelgas Ensemble: 'We gaan voor een nieuw tijdperk'

Paul Van Nevel gaat al vijf decennia als een muzikale Sherlock Holmes op snuistertocht, niet met een pijp, maar met een sigaar tussen de lippen.© Bart Dewaele

In 1971 stond het Huelgas Ensemble voor het eerst op de planken in een klein zaaltje boven het Leuvense cultcafé De Blauwe Schuit. Daar aanwezig: zes genodigden en zes familieleden. Vijf decennia, goed honderd albums en duizend concerten later duikelen Paul Van Nevel en de zijnen nog even onverstoord als toen de mooiste renaissancepolyfonie op uit kloosterarchieven en bibliotheekkelders. Ter ere van hun jubileum maakt de dirigent de balans op, aan de hand van vijf sleutelmomenten.

1300: Johannes Roderici schrijft de 'Huelgas Codex' neer

In het onherbergzame noorden van Spanje slijt een kloosterling in de cisterciënzerabdij van Burgos zijn dagen met het noteren van muziek. Versierd in weelderig rode inkt pent hij zowat tweehonderd muziekwerken neer. Een bloemlezing van een- en meerstemmige stukken uit de late dertiende eeuw. Wanneer hij de laatste noten op balken getekend heeft, blaast hij zijn kaars uit en stopt hij zijn pennenvrucht in de bibliotheek. Daarmee verdwijnt zijn perkamenten handschrift eeuwenlang tussen de plooien van de geschiedenis. Tot twee monniken het aan het begin van de twintigste eeuw opnieuw openslaan. Nog eens zestig jaar later wandelt ene Paul Van Nevel de abdij binnen. Hij mag er zich twee weken lang, tussen de zusters, over het manuscript buigen.

“Voor alles wat we met het Huelgas Ensemble doen, wil ik het origineel zien. Dat is van in het begin, van toen ik de codex van Las Huelgas bestudeerde, de ambitie van het ensemble geweest. Ik wou weten wat de invloed op een uitvoerend muzikant is als hij van het origineel leest, en niet van een transcriptie. Bij renaissancepolyfonie komt veel invulwerk kijken. Er zijn regeltjes die wij vandaag niet meer kennen, maar die voor een uitvoerder toen zo voor de hand liggend waren dat ze niet eens genoteerd werden. Ik geloof dan ook niet dat je ooit kan beweren dat je uitvoering authentiek is. Je moet altijd keuzes maken waarvan je het antwoord niet met honderd procent zekerheid kan achterhalen.”

“Om die reden vertrouw ik een moderne transcriptie nooit blindelings. Ik wil weten hoe de uitgever dat origineel heeft ingevuld. Als uitvoerder mag je namelijk zo weinig mogelijk interpreteren. Je moet doen wat er staat. Het is allemaal een kwestie van je zo goed mogelijk informeren. En de eerste bron is het origineel, dus daar moet je altijd weer naartoe. Zo simpel is het. Ik lees bijvoorbeeld ook heel weinig muziekwetenschappelijke artikels. Niet omdat ik het werk van onderzoekers niet waardeer. Maar voor mij is dat tijdverlies. Als ik het origineel bekijk, begrijp ik het.”

1969: aan het conservatorium van Maastricht

“Het verhaal van het Huelgas Ensemble begint eigenlijk bij mijn oudste broer,” vertelt Paul Van Nevel, het kakkenestje van het kroostrijke gezin Van Nevel, acht jaar jonger dan de vijf andere kinderen. Wanneer hij als knaap meezingt in het bisschoppelijk koor van het college in Hasselt, is zijn broer daar al dirigent. “Het repertoire dat we zongen was immens breed. Dat ging van Palestrina over Bach tot Bartók. Daar heb ik de smaak te pakken gekregen. Aan het conservatorium van Maastricht is de passie helemaal tot ontplooiing kunnen komen. Mijn leraar daar heeft ons echt gestimuleerd in de oude muziek. In een klimaat waar eigenlijk zo goed als niets bestond. In de jaren 1970 waren we al lang blij als er eens een nieuwe partituur opdook.”

“Later in Basel, toen ik aan de Schola Cantorum studeerde, zijn mijn ogen helemaal opengegaan. Daar had ik een vak bronnenkennis en notatie dat me heeft doen inzien hoeveel repertoire er ligt te sluimeren in de bibliotheken. Maar het is dankzij mijn leraar in Maastricht dat we dat pad van de oude muziek zijn ingeslagen. In eerste instantie speelden we met het ensemble ook hedendaags repertoire, wereldcreaties. En we waren een instrumentaal ensemble, met blokfluiten. Maar al snel had ik door dat die oude muziek in de eerste plaats vocale muziek is. Veel ensembles gebruiken wel instrumenten, maar dat is eerder bij gebrek aan vocale mogelijkheden dan vanuit historische correctheid.”

“Het heeft een tijdje geduurd, maar vandaag vertrekt alles bij ons vanuit de esthetiek van de zangstem. Daar zijn zoveel verschillende facetten aan. De dynamiek en het gevoel van ruimte. De manier van zingen is ook uniek. In de oude muziek bind je alle noten aan elkaar. Dat is in de barok en de romantiek totaal anders. De laatste vijftien jaar is daar nog een nieuwe tendens bij gekomen: hoe spreek je het uit? Het Frans van de zestiende eeuw werd anders uitgesproken dan het Frans van de vijftiende eeuw."

"Om nog maar te zwijgen van het Latijn. Op het concilie van Trente werd afgesproken dat dat de taal van het katholieke geloof werd, waardoor heel veel oude muziek in het Latijn gezongen wordt. Maar op dat concilie verstonden de Italianen het Latijn van de Fransen niet, en omgekeerd. Als je bij die middeleeuwse componisten uit onze contreien, de zogenaamde 'Franco-Flamands', een Latijnse tekst hebt, moet je die dus met het juiste accent uitspreken. Dominus spreken de Fransen bijvoorbeeld als 'oe' uit, en niet met een u-klank. Dat zijn ogenschijnlijk kleine details, maar in een lange tekst geeft dat wel een andere kleur. Dat is de laatste etappe die we nu met het ensemble aan het nemen zijn."

1771 Huelgas Ensemble 2018-2 Damon De Backer De Roma 02
© Damon De Backer
| Paul Van Nevel in actie met Huelgas Ensemble. “Bij ons vertrekt alles vanuit de esthetiek van de zangstem.”

1980: telefoon van Wolf Erichson

In 1971 staat het Huelgas Ensemble voor het eerst op de planken in een klein zaaltje boven het Leuvense cultcafé De Blauwe Schuit. Voor een select gezelschap van zes genodigden en zes familieleden. Van twaalf toehoorders gaat het in geen tijd naar volle zalen. Als een van de enige oudemuziekensembles, en bovendien het enige vocale van België, hebben ze al snel een unieke positie in het veld. In 1976 komt de Kredietbank, op dat moment een van de grote cultuursponsors, aankloppen bij Van Nevel. Ze organiseert een tentoonstelling rond de Mechelse componist Philippus de Monte, en wil een bijbehorende elpee opnemen. De bank spaart kosten noch moeite en haalt Wolf Erichson als producer aan boord. Een referentie. Hij heeft in de jaren 1960 bij het toonaangevende label Telefunken de vele pioniersopnames met oudemuziekpaus Nikolaus Harnoncourt begeleid, dat zegt genoeg.

Tien jaar na de promoplaat krijgt Van Nevel telefoon uit de Verenigde Staten. “Ik viel zowat van mijn stoel. Wolf Erichson belde mij op. Of ik hem nog kende… 'Dat zal wel,' zei ik. Hij was net ingelijfd door Sony om een nieuw label op te starten, specifiek gericht op oude muziek: Vivarte. Hij vroeg me of we niet geïnteresseerd waren om de middeleeuwen en de renaissance op ons te nemen. Ik had natuurlijk geen minuut bedenktijd nodig om die beslissing te nemen. We zijn meteen beginnen op te nemen. In een verschroeiend tempo van drie cd's per jaar. Dankzij die man zijn we zo internationaal kunnen evolueren.”

2004: de ontdekking van Antoine Brumel

Tijdens ons gesprek krijgt het (kunst)onderwijs in Vlaanderen een aantal niet mis te verstane vegen uit de pan. “Het Huelgas Ensemble ontstond uit boosheid,” liet Van Nevel in eerdere interviews optekenen. Na vijftig jaar is die boosheid nog steeds niet weggeëbd. “Al in het middelbaar vond ik het jammer dat we wel over de Memlings en de Van Eycks leerden, maar niet over Orlandus Lassus, Josquin des Prez of Arnoldus de Lantins. Hoe komt het toch dat we een heel belangrijk deel van het kunstpatrimonium gewoon vergeten? Zonder daar een missionarisrol in te willen spelen, is dat wel een van de drijfveren van het Huelgas Ensemble. Niet alleen van mij, maar ook van de zangers.”

“In vijftig jaar tijd heb ik een pak muziek gekopieerd en ontdekt. En ik heb nog zeker voor vijftig jaar werk, hoor. Er zijn zoveel nog onbekende componisten die zeer goede muziek hebben geschreven, maar vaak zijn dat dan wat stukjes her en der verspreid in koorboeken en manuscripten. Dus er komt wat meer zoekwerk bij kijken. Maar mijn leraar aan het college zei altijd: 'Als je iets vindt, heb je slecht gezocht.' Het zoeken is belangrijk.”

Daarom gaat Van Nevel nu al vijf decennia als een muzikale Sherlock Holmes op snuistertocht – in zijn geval niet met een pijp, maar met een sigaar tussen de lippen. Welke componisten hem in die immense catalogus altijd zijn bijgebleven, vraag ik. “Antoine Brumel,” antwoordt hij zonder te moeten nadenken. “Toen we zijn twaalfstemmige mis Et ecce terrae motus uitvoerden, hebben we hem echt opnieuw op de kaart gezet. Iets recenter was er ook Simone de Bonnefont. Zijn requiemmis is heel origineel en heel persoonlijk.”

1771 PaulVanNevel
© Bart Dewaele

16 oktober 2021: een trampoline voor de volgende vijftig jaar

Op 16 oktober worden in de Henry Le Boeuf-zaal de gouden verjaardagskaarsen uitgeblazen. Niet toevallig daar, want de band tussen Huelgas en Bozar is al bijna dertig jaar heel nauw. “Dat is allemaal dankzij Paul Dujardin,” zegt Van Nevel. “Hij is ons altijd blijven steunen, ook toen het ensemble door moeilijke periodes ging. We mogen zeker niet klagen over de aandacht voor onze muziek in Brussel. We hebben onze jaarlijkse afspraken in Bozar met een trouw nichepubliek.”

Ter ere van hun gouden jubileum toont het Huelgas Ensemble een brede staalkaart van hun repertoire. Met zelfs uitstapjes naar de barok van Buxtehude en de twintigste-eeuwse Cinq rechants van Olivier Messiaen. Een subtiele knipoog naar het moderne repertoire uit de prille beginjaren. “Misschien wel het allerbelangrijkste: we gaan gewoon voort. Ik wil zelf nog een vijftal jaar dirigeren, maar ook daarna is mijn opvolging ondertussen binnenskamers geregeld."

"Uiteraard zal dat een nieuw tijdperk betekenen. Mijn opvolger zal, als het zover is, ongetwijfeld andere accenten leggen. Enfin, dat hoop ik toch. Ik zou niet willen dat er een klein Van Nevelke komt te staan. Maar dit jubileum mag vooral geen slotakkoord worden. Op het concert krijgen de bezoekers een boek met de titel The first fifty years. Die 'first' is essentieel. De eerste vijftig jaar zijn een trampoline naar de volgende vijftig jaar. Hoe stom zou het zijn om er na vijftig jaar expertise gewoon mee te stoppen!”

Meer nieuws uit Brussel
Vooraan op BRUZZ

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?