Interview

Madou keert na veertig jaar terug: 'Opeens was die vertrouwde cocon er weer'

Tom Zonderman
© BRUZZ
12/03/2021
© Heleen Rodiers

“Niets is voor altijd,” zong Madou veertig jaar geleden, en dus keert de legendarische groep terug uit zijn eeuwig durende winterslaap. Ten voordele van café Monk kruipt de band voor het eerst in vier decennia weer op een podium.

Vera Coomans

  • Geboren in 1949, groeit op in Mortsel en studeert theater aan het RITS
  • Toert in 1972 met het theaterstuk Mistero buffo Europa rond
  • Vervoegt in 1975 de folkgroep Rum, vormt twee jaar later met Wiet Van de Leest Madou
  • Zegt het zingen vaarwel na de implosie van Madou, tot Arno haar terughaalt voor de serie Moeder, waarom leven wij?
  • Zingt nummers van onder meer Randy Newman, Tom Waits en Bonnie “Prince” Billy
  • Steekt Madou in 2005 in een nieuwe kleedje met Jaune Toujours onder de naam Madouce

Thomas Devos

  • Geboren in 1972 in Brussel, studeert slavistiek in Leuven
  • Stoot in 1998 door tot de finale van Humo’s Rock Rally met rumplestitchkin
  • Verkent vanaf 2010 grootstedelijke blues met de groep Tommigun, zijn vierde album staat in de steigers
  • Maakt muziek voor stukken van onder meer Kabinet K, Bronks, Studio Orka en de KVS
  • Verklankt in 2017 zijn liefde voor Rusland in de muziektheatervoorstelling Karandasj

Ik wil naar buiten, met m'n fiets langs 't kanaal, de zon voelen op mijn huid. Laat me toch gaan, hierbinnen word ik gek”: het zou een dagboek­notitie van ieder van ons kunnen zijn, lonkend naar het rijk der vrijheid ginds aan de horizon, maar het is de bitterzoete stem van Vera Coomans die met de nieuwe single 'Ronquières' het legendarische Madou laat herleven. Niemand die onpeilbare weemoed beter kan vertolken, in een andere wereld was Coomans, met haar unieke stem en frasering, de grande dame van de belpop en ver daarbuiten. Maar de geschiedenis liep anders.

Dat Madou terugkeert, is even hartverwarmend als verrassend. De groep maakte in 1982 één titelloze plaat. Coomans was met haar muzikale partner Wiet Van de Leest net uit Rum gestapt, de beste folkband die Vlaanderen ooit gehad had. Ze wilden beiden weg van de middeleeuwse liedboeken en de oude folk en zochten extra kleuren in glamrocksaxen en funkbassen. Jan Devos, een theatermaker en de wederhelft van Coomans, bedacht bij hun avontuurlijke melodieën confronterende verhalen over verkrachting, moord, partnergeweld en overspel. Raymond van het Groenewoud en Kris De Bruyne hadden van het Vlaams al een rocktaal gemaakt, maar de Nederlandstalige avant-pop van Madou was ongehoord.

'Witte nachten' en 'Niets is voor altijd' zijn vandaag culthits, voor een vinylexemplaar van hun debuut wordt grof geld betaald, maar destijds lustte het grote publiek Madou niet. Mensen konden de groep muzikaal niet plaatsen en de teksten stootten tegen de borst. Ook de implosie van Rum werd Coomans en Van de Leest aangewreven. De band raakte niet aan de bak, of kwam op de verkeerde plaats terecht.

“Ik herinner me dat we een keer in een jeugdhuis stonden te spelen voor twaalfjarigen, die begrepen er natuurlijk niets van,” vertelt Vera Coomans op het terras van haar woonst in Schaarbeek, waar een pelletkachel de prille voorjaarszon een duwtje in de rug geeft. “Ik ben heel fier op wat we gemaakt hebben. Maar ik heb wel lang een soort van bitterheid gevoeld. We werkten keihard, streefden naar een nieuw soort Vlaamse pop, maar het was niet makkelijk. We hadden jonge kinderen, die moesten kunnen leven, dus namen we er jobs bij. Na een werkdag nog eens repeteren van acht tot twaalf: er groeide ongenoegen omdat het niets opbracht.”

De breuk van Madou heeft mij veel pijn gedaan. Ik heb daarna lang niet meer kunnen zingen

Vera Coomans

Er waren plannen voor een tweede album, songs werden geschreven, maar Wiet Van de Leest trok de stekker eruit. “Ik ben daar heel slecht van geweest, tot boulimie toe,” zucht Coomans. “Ik stopte met zingen en ging werken in het Museum Kunst & Geschiedenis, maar dat was niet bevredigend.”

Begin jaren 1990 schoot Arno ter hulp, hij liet Coomans zijn liedje 'De grond die ik zal kussen' zingen voor de VTM-reeks Moeder, waarom leven wij? Langzaamaan kwam de muziek terug. Eerst met saxofonist en broer Leejoo Coomans en pianist Herman Van Vinckenroye, waarmee Coomans Franse en Duitse liederen uit de jaren 1920 en '30 zong. Met accordeonist Philip Hoessen werkte ze aan eigen nummers, aangevuld met traditionals en covers. Ook met Tom Theuns, zanger en gitarist van de folkgroep Ambrozijn, interpreteerde ze anderstalige blues- en folksongs. Maar de mensen bleven vragen naar de oude Madou-liedjes. Die gaf Coomans met Jaune Toujours in 2005 een make-over onder de naam Madouce.

Ondertussen kwam haar zoon, Thomas Devos, meer in de picture. Zoonlief gaf indierock een Brusselse draai met rumplestitchkin en houdt vandaag Tommigun draaiende. Hij schrijft muziek bij dans- en theatervoorstellingen. Tussen de bedrijven door bedacht hij melodieën waarvan hij vond dat ze beter zouden werken als zijn moeder ze zou zingen. “We waren met z'n tweeën al een tijdje aan het prutsen,” vertelt hij terwijl hij zijn stoel bijschuift. “Maar op een bepaald moment begon mijn vader weer teksten te schrijven, en Wiet Van de Leest maakte hier en daar wat arrangementen. Ik dacht: 'Hé, dit is eigenlijk Madou.'” (Lacht)

1744 MADOU
© Heleen Rodiers | Thomas Devos en Vera Coomans in hun stadsjungle: “We zien wel wie er meegaat in dit nieuwe avontuur.”

Herinnerde je je de muziek nog van vroeger, Thomas? Je was tien toen Madou debuteerde.
Thomas Devos: Zeker. Wij gingen ook altijd mee naar optredens en repetities. Mijn zus Maud speelt mee in de clip van 'Witte nachten'. Ik was er zelfs al bij bij de repetities voor Mistero buffo.
Vera Coomans: In theatermiddens is dat stuk van Dario Fo zo'n beetje als Madou, “Oh, Mistero buffo!” (Lacht) Het gaat onder meer over Herodes, die alle pasgeborenen laat ombrengen om de komst van de Messias te verhinderen. Iedereen deed die repetities met een pop, maar ik had mijn Thomas. Jan studeerde toen aan het RITS, de kinderen moesten mee met mij.
Devos: Madou repeteerde een tijdje in de AB, toen de zaal verbouwd werd. Wij zwierven dan rond door het gebouw. Kijk (toont een groot litteken op zijn linkerwijsvinger, red.), dat heb ik opgelopen toen ik in de bar naar een stukgeslagen limonadefles greep. Bloeden, krijsen! (Lacht) Soms mis ik dat. Vandaag is alles veel meer georganiseerd, als ik ga repeteren, doe ik dat zonder mijn kinderen.
Coomans: Thomas zoog muziek op als een spons, hij herinnerde zich de pianomelodieën soms beter dan ik. Wiet speelde daar een grote rol in, dat was zijn muzikale vader. Als Wiet een viool vastnam, kwam daar altijd een melodie uit. Thomas heeft dat ook, hij pakt een gitaar en er rolt iets moois uit. Zijn muziek is zo mooi, die moet absoluut gehoord worden. Ik vind dat Tommigun te weinig aandacht krijgt, rumplestitchkin ook...
Devos: ... het is goed, moeder. (Lacht)

Na veertig jaar blazen jullie Madou nieuw leven in met een single, in het najaar volgt een nieuw album. Hoop je ook een beetje op eerherstel, Vera?
Coomans: Goh, dat zijn jouw woorden. Ik vind het gewoon leuk. Eerst wilde ik alleen met Thomas wat muziek maken, en toen kwamen we met het idee van de arrangementen, een bas, een trompet, en dan speelde Wiet toch weer viool. Opeens zit je weer in die cocon, dat is zalig, maar het is eigenlijk heel natuurlijk gegroeid.
Devos: Ik denk niet dat het eerherstel is, eerder een soort grote verwachting, heel benieuwd zijn of we dat gaan kunnen. Vorige zomer heb ik de nieuwe plaat naar de programmator van Dranouter gestuurd. Die was aangenaam verrast. De reacties van dat soort mensen hebben bevestigd dat we hiermee moeten doorgaan. En dat we niet te bescheiden moeten zijn.

1744 MADOU Vera-Coomans
© Heleen Rodiers

“Oei, wat een rook!” Vera Coomans heeft het kacheltje aangevuld met iets te veel pellets, dikke rookpluimen verhullen ons zicht op de impressionante rotstuin beneden. Die hebben ze hier eigenhandig aangelegd eind jaren 1980, met grote keien en blauwe arduin die ze per kruiwagen over smalle balken moesten aansjouwen. Nu is hij nog in winterslaap, maar straks is het een stadsjungle vol vogelgekwetter.
Brussel was de enige plek waar het gezin Devos kon aarden, nadat het midden jaren 1970 een tijd van The Big Apple had gesnoept. “Eigenlijk zou ik in Amerika rondtrekken met de Greyhound,” haalt Coomans herinneringen op. “Maar Jan kon les volgen aan de Actors Studio in New York, en daar zijn we blijven plakken, met de kinderen erbij. Wonen was er duur, maar het leven spotgoedkoop. Ik deed showcases en zong op straat , 'You've got to hide your love away' van The Beatles, maar ook 'Gekwetst ben ik vanbinnen' van Rum. Die Vlaamse liedjes vonden de Amerikanen exotisch.” (Lacht)

Heb je je ooit aan iemand gespiegeld?
Coomans: Nee. Ik haalde wel inspiratie uit mensen als Janis Joplin en Bob Dylan, of iemand als Lotte Lenya. Flamenco ook. Ik zong vanuit mijn gevoel. Ik wist hoe het moest klinken om van die bol in mijn maag af te raken. Van kleins af zong ik al. Ik was de jongste van acht, en bedacht mijn eigen liedjes uit de sprookjes van Andersen en de gebroeders Grimm om mijn broers en zussen in slaap te zingen. Ik hield toen al van dramatische verhalen. (Lacht) Als tiener nam ik de trein van Antwerpen naar Brussel en keerde terug met vinylplaten van blueszangers als Blind Willie McTell en Son House. Dat was mijn wereld, ik sloot mij daarin op.

Heb jij eigenlijk een publiek nodig?
Coomans: Het is wellicht slecht voor de commerce om daar “nee” op te antwoorden. (Lacht) Eigenlijk zou ik alle dagen naar de studio kunnen trekken en opnemen. Luisteren, verbeteren, nummers laten groeien.
Devos: Maar je kan niet zonder publiek. Dat is net de reden waarom Madou moest stoppen.
Coomans: Nu ben ik met pensioen en heb ik succes niet meer nodig, maar zelfs destijds vond ik dat wordingsproces bijna interessanter. Van een goede repetitie kon ik helemaal dronken worden. Maar goed, ook een publiek kan heel veel voldoening geven, ja.
Devos: Voor mij is het ook de nodige deadline. Het blijft anders iets te vrijblijvend. Plots moet je het brengen. De toets met het publiek, dat is toch een beetje het examen.

Zullen de mensen jullie vandaag beter begrijpen?
Devos: Muzikaal zeker wel, we zijn intussen zoveel jaar verder. Tekstueel blijven sommige thema's nu nog actueel, maar er zitten ook dingen in als ouder worden. Dat vind ik mooi, het verschil tussen die jonge zangeres en die oudere vrouw en die realiteit van nu die erin zit.
Coomans: 'Niets dringt door' is een zin van mij waar Jan alweer zo'n pakkend verhaal rond heeft geschreven, over een man die honderd is geworden. Hij weet niet goed meer wat er allemaal rond hem gebeurt. De vrouw die hem verschoont, geeft hem een zoen voor zijn honderdste verjaardag. Hij grijpt haar hand en zegt: “Het regent op de maan.” Dat is zo'n sterk beeld, ik krijg die zin soms niet gezongen.

1744 MADOU Thomas Devos
© Heleen Rodiers

Madou had veel van die sterke beelden. 'Witte nachten' of 'Vannacht' gingen over thema's die vandaag nog heftige emoties uitlokken.
Devos: Wellicht kwam dat in het Nederlands ook gewoon harder binnen. Bij teksten in een andere taal lijken we minder over zulke onderwerpen te vallen. Als Nick Cave een murder ballad zingt, kijkt niemand daarvan op.
Coomans: Toen ik indertijd “het doet geen pijn” zong in een nummer over verkrachting, kreeg ik daar heel felle reacties op. Na optredens waren er feministen die mij bijna aanvielen. Ik vond dat bizar. Vraag je aan Marianne Faithfull of Bonnie “Prince” Billy ook verantwoording over wat ze zingen? Ik denk het niet.
Van Bonnie “Prince” Billy heb ik trouwens verschillende liedjes gecoverd. Hij heeft me ooit een postkaart gestuurd omdat hij dat zo fijn vond. (Glundert) Toen hij naar de AB kwam, heb ik er alles aan gedaan om zijn voorprogramma te mogen spelen. Dat zou super geweest zijn.

Kwam je ook zelf met teksten aandraven?
Coomans: Dat liet ik over aan Jan, en nu ook aan Thomas. Maar 'Ronquières' heb ik zelf geschreven. De tekst is eigenlijk belachelijk eenvoudig. Dat liedje lijkt in het nu tot stand te zijn gekomen, maar het is al een paar jaar oud. Mijn moeder zat toen in een rusthuis, in een rolstoel. Op een dag vertelde ik haar dat ik was gaan fietsen met Jan, en ze begon te wenen. “Manneke, ik kan dat niet meer.” Een jaar of twee later brak ik mijn been en kwam dat gevoel terug. Het was lente en ik kon niet naar buiten, ik zat opgesloten in mijn kot. Shit, dacht ik, kon ik maar gaan fietsen! En tegelijk was er ook de ergernis van de hele tijd op elkaars lip te zitten. Heel hard weg willen en niet meer terug. (Lacht)

Optreden heb je nodig, anders blijft het te vrijblijvend. De toets met het publiek, dat is toch een beetje het examen

Thomas Devos

Fiets je soms ook echt naar Ronquières?
Coomans: Zeker. Wij hadden vroeger geen auto, we deden alles met de fiets. Dat was een fantastische rit, zeker toen de industrie nog draaide. Je zag de vlammen uit de schoorstenen schieten. De clip voor het nummer is trouwens echt op weg naar Ronquières gefilmd.
Devos: Je maakte altijd een reis als je naar ginds fietste. Ik zag er ooit rijkswachters speuren naar auto's van de Bende van Nijvel. En een dode hond wiens opgeblazen achterlijf akelig uit het water stak. Het is een plek die inspireert. (Lacht) Ik doe die trip nog regelmatig.

Met zijn stuwende Wurlitzer doet 'Ronquières' halsreikend uitkijken naar de rest van het album.
Coomans: Dat is het enige uptempoliedje, de rest trekt je in de grond. (Lacht)
Devos: 'Ronquières' profiteert van het mooie arrangement van Louis Van de Leest, de zoon van Wiet. Er staan twaalf uiteenlopende songs op de plaat, acht nieuwe en vier onuitgebrachte Madou-tracks die we nu hebben aangekleed.
Coomans: We hebben ook veel te danken aan producer Peter Van Laerhoven, die ons meegenomen heeft naar zijn prachtige studio in Auby-sur-Semois. Hij heeft de liedjes met veel geduld en zorg opgenomen, zonder hem zou de plaat er nooit zijn geweest.

Zijn jullie niet bang om te verdwijnen in de culturele overload die straks op ons afkomt?
Coomans: Ja, maar wij zijn het gewoon om te verdwijnen. (Lacht) Dat zal nu niet anders zijn. Vandaar dat we weer voor de naam Madou gaan, die weekt toch iets los.

In café de Monk treden jullie voor het eerst in veertig jaar weer op als Madou. Is het spannend, ook al is het nu voorlopig nog zonder publiek?
Devos: We hebben de voorbije jaren wel vaker samen op een podium gestaan, maar nooit onder de naam Madou. En het is vooral speciaal dat mijn moeder nu weer in het Nederlands zingt.
Coomans: Met grote tussenpozen ben ik altijd blijven optreden. Ik zing sowieso elke avond, dan trek ik naar de zolder voor een uur of twee terwijl Jan in zijn bureau zit te schrijven. Anders komt het er niet meer uit. Ik heb al een zwakke stem, ik word er straks 72, er komt sleet op dat instrument. Thomas heeft me beloofd dat hij mij zal verwittigen als het niet meer aan te horen is. (Lacht) We zien wel wie er meegaat in dit avontuur. Ik schrik al als er meer dan tien mensen naar een optreden komen.

De kachel is gedoofd, de kilte kruipt in de kraag. Normaal zou Wiet Van de Leest er in de Monk ook bij zijn, maar hij zit vast in Frankrijk. “Na Madou is Wiet boswachter geworden in Groenendaal, maar na zijn pensioen heeft hij met zijn vrouw een huis in Normandië gekocht,” vertelt Devos bij het buitengaan. “Ik heb heel lang gedacht dat dat het ideale leven was: hij woonde in het bos en had een schuur waarin hij elke dag als een gek viool stond te spelen. Ik heb later geïnformeerd om het boswachtersexamen mee te doen, maar ik had een te hoog diploma.” “Ze zoeken er opnieuw,” knipoogt zijn moeder, “door corona krijgen de bossen het zwaar te verduren. Maar blijf jij nu nog maar even hier.”

De single ‘Ronquières’ is nu uit, het album volgt dit najaar
Livestream in café Monk: 14/3, 16.00, www.artistsunlimited.be

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie