Interview

Festival 'It Takes a City' presenteert Brussel als 'dé hub voor podiumkunsten'

Michaël Bellon
© BRUZZ
08/02/2024
© Saskia Vanderstichele | Matthieu Goeury van Les Halles en Melat Gebeyaw Nigussie van de Beursschouwburg, twee van de krachten die met It Takes a City de spots op de Brusselse podiumkunstenscene zetten.

Twee weekends. Acht Nederlands- en Franstalige culturele instellingen. Dertien shows van Brusselse podiumkunstenaars, die klaar zijn om podia in het buitenland te bestormen. Melat Gebeyaw Nigussie van de Beursschouwburg en Matthieu Goeury van Les Halles leggen uit wat de bedoeling is van het nieuwe, tweejaarlijkse festival It Takes a City.

Choreografe Carolina Mendonça: 'Meer van dit, graag'

Choreografe Carolina Mendonça staat op It Takes a City met de dansvoorstelling Zones of resplendence. Door haar studies is de Braziliaanse ook verbonden met de Duitse podiumscene, maar ze woont en werkt vooral in Brussel en vindt het niet chauvinistisch om te stellen dat Brussel een centrale rol speelt in de Europese podiumkunsten: “Brussel laat op een zeer genereuze manier meerdere artistieke talen naast elkaar bestaan.

Het was de eerste stad waar ik het gevoel kreeg dat mensen echt keken en luisterden naar mijn werk, en zelf ontdek ik er ook veel werk dat me verrast en dat ik bewonder. It Takes a City biedt de kans om meer van dat superdiverse werk te zien, en het is een manier om je als kunstenaar te presenteren aan programmatoren uit het buitenland en eventueel te kunnen touren. Sinds de crisissen die op covid volgden, is dat minder evident geworden.” Micha Goldberg, die samen met Rosie Sommers en een hoop Brusselse performers het festival opent met de groepsfarce German Staatstheater, denkt dat een festival kan bijdragen aan internationale belangstelling, maar vindt het toch nog spannender dat het festival het diverse Brusselse podiumkunstenveld belicht.

“It Takes a City toont dat er heel veel gebeurt op verschillende podia door verschillende jonge artiesten in verschillende gemeenschappen en op verschillende manieren. Zoveel dat je niet genoeg van dit soort festivals kan hebben. Hopelijk kunnen de vele nieuwe directeurs in de theaters ook in hun jaarprogramma’s nog dynamischer programmeren en artiesten uit verschillende gemeenschappen uitwisselen.”

It Takes a City, het nieuwe kleine zusje van het Kunstenfestivaldesarts, zal elke twee jaar veelbelovende Brusselse podiumkunstenaars tonen aan een breed publiek én aan internationale programmatoren. Naast Atelier 210, La Balsamine, het Kaaitheater, Kunstenwerkplaats, Charleroi danse / La Raffinerie en workspacebrussels vormen de Beursschouwburg en Les Halles de acht organisaties uit de twee taalgemeenschappen die aan de basis liggen van het festival.

Hoe is het idee voor It Takes a City ontstaan?
Melat Gebeyaw Nigussie: De eerste gesprekken om samen een festivalformule te verkennen zijn nog gevoerd door mijn voorganger bij de Beursschouwburg, Tom Bonte. Toen was dat nog met het Kaaitheater en een kunstschool. Bij het schrijven van de nieuwe beleidsplannen hebben we het idee weer opgepakt en ons met nog meer partners de vraag gesteld waar de podiumsector in deze stad nood aan heeft.
Matthieu Goeury: De verandering van directie in een aantal cultuurhuizen heeft volgens mij ook veel mogelijk gemaakt. Melat werd directrice van de Beursschouwburg, Léa Drouet van Atelier 210 (allebei in 2020, red.). Je hebt Fabienne Aucant bij Charleroi danse (sinds 2022, red.), Agnes Quackels en Barbara Van Lindt bij het Kaaitheater, en ikzelf zit nu een jaar bij Les Halles. De partners spreken een gemeenschappelijke taal en willen de krachten bundelen.

“Alle beetjes helpen. Het zou fijn zijn als de MIVB de internationale programmatoren gratis openbaar vervoer kon aanbieden”

Melat Gebeyaw Nigussie

Algemeen en artistiek directeur Beursschouwburg

Vroeger had je ook al samenwerkingen, zoals Tournee Générale van de KVS en Thêâtre National, maar vier Franstalige en vier Nederlandstalige organisaties die samenwerken, dat is niet niks. Ook op artistiek en esthetisch vlak zie ik podiumkunsten langs Franstalige en Nederlandstalige kant naar elkaar toe groeien. De laatste jaren heeft zich een nieuwe generatie artiesten ontwikkeld aan de Franstalige kant van het culturele veld, en ook bij het publiek zie je die vermenging. In Les Halles hebben we het laatste jaar veel Nederlandstaligen verwelkomd. Dat geeft mogelijkheden om samen aan één scene voor de podiumkunsten te werken. Het idee van twee scenes in één stad is ook een beetje bizar.

Gebeyaw Nigussie: Ik heb de voorgeschiedenis met die meer gesloten houding minder meegemaakt en vind het gewoon heel fijn om samenwerkingen aan te gaan. We wilden allemaal een gemeenschapsoverschrijdend festival om Brusselse kunstenaars die al 'af en straf' werk hebben afgeleverd een gezamenlijk platform en méér visibiliteit te geven.
Bij het cureren van het festival hadden we geen strakke lijst van criteria. Het gaat om een combinatie van hernemingen en premières. Hernemingen van creaties die om uiteenlopende redenen nog te veel onder de radar zijn gebleven ‒ bijvoorbeeld door de naweeën van covid, zoals in het geval van Disquiet van Lisa Vereertbrugghen ‒ en die meer mensen gezien moeten hebben. Of van creaties die meteen een groter podium verdienen ‒ zoals Azad van Lila Magnin ‒ of die klaar zijn om de internationale podia te veroveren. Ook bij de premières hebben we doelbewust gekeken naar artiesten waarvan wij vinden dat ze nog meer aandacht verdienen.

Matthieu Goeury (Les Halles) en Melat Gebeyaw Nigussie (Beursschouwburg)
© Saskia Vanderstichele | Matthieu Goeury (links): “Er is steeds meer talige vermenging, zowel in het publiek als op het podium. Dat geeft de mogelijkheden om samen aan één Brusselse scene voor de podiumkunsten te werken.”

Een festival is daarvoor een goede formule omdat je er de krachten en de middelen mee bundelt, en een geconcentreerde energie genereert met een groter bereik. Dat zien wij ook als we hier in de Beursschouwburg activiteiten bundelen: dat is niet alleen voor een publiek interessant, maar ook voor programmatoren. Want we willen internationale visibiliteit creëren, en internationale programmatoren laten kijken naar wat er leeft in de humuslaag van Brussel.

Hoe staat het met de reputatie van Brussel als gangmaker in de podiumkunsten?
Goeury: Brussel is een van de hubs, of zelfs dé hub voor de Europese performing arts. De stad is betaalbaar voor artiesten om te wonen en er zijn ook veel creatiemogelijkheden. De stad wordt ook steeds internationaler. Dat zie je ook aan het festivalprogramma: daar staan alleen maar Brusselse artiesten op, maar ze komen wel uit Brazilië, Frankrijk, Noorwegen ... En het gaat van German Staatstheater, dat uit de onafhankelijk scene komt, over Lila Magnin, die niet aan een kunsthogeschool studeerde, tot artiesten die wel via de weg van scholen en theaters zijn gepasseerd.

Op het festival stellen we daarom ook een aantal parcoursen voor met verschillende voorstellingen die je verschillende kunstpraktijken laten ontdekken. We hebben artiesten ook zoveel mogelijk geprogrammeerd in andere huizen dan waar ze gewoonlijk staan, opdat ze nieuwe publieken kunnen bereiken. We lieten ons daarbij leiden door intuïtie en wederzijds vertrouwen. Soms werden er namen genoemd die andere huizen niet per se kenden. Maar op basis van vertrouwen werd er dan gezegd: “Oké, wij kennen die artiesten niet, maar jullie raden hen aan, dus wij programmeren ze.”

Gebeyaw Nigussie: Daarnaast zijn er ook twee panelgesprekken voorzien om die veelheid aan stijlen, praktijken en esthetieken te onderzoeken. Een eerste, 'To school or not to school', gaat over de vraag of je langs een kunstschool moet passeren om het te maken. Of dat er andere manieren zijn, bijvoorbeeld de autodidactische. Een tweede, 'Value and judgement', gaat over hoe je kunst waardeert en evalueert, en hoe je feedback geeft aan kunstenaars op een fijne, constructieve manier.
Ik denk dat er wat dat betreft zeker nog werk aan de winkel is in de sector. Als jij als kunstenaar werkt met referentiekaders die niet gangbaar zijn in de kunstensector, dan vraag je je natuurlijk af of er in de sector wel de juiste mensen zitten om te oordelen over je werk. De vraag is met welke referentiekaders programmatoren en critici werken, en of het niet eens tijd is om die open te breken.

Melat Gebeyaw Nigussie (Beursschouwburg) en Matthieu Goeury (Les Halles)
© Saskia Vanderstichele | Matthieu Goeury van Les Halles en Melat Gebeyaw Nigussie van de Beursschouwburg, twee van de krachten die met It Takes a City de spots op de Brusselse podiumkunstenscene zetten.

It takes a city om dit diverse festival te kunnen programmeren, maar voor artiesten is er meer dan één stad nodig om hun werk te kunnen verspreiden. Voelden jullie van hen ook druk om een internationaal uitstalraam te creëren?
Gebeyaw Nigussie: Wij programmeren nooit om kunstenaars een levenslijn toe te werpen, maar omdat we geloven in de artiest en in het werk. Maar zonder de samenwerking van huizen en coproducenten kan je inderdaad niet internationaal touren. En de mogelijkheden daartoe zijn tegenwoordig wel kleiner geworden dan pakweg tien jaar geleden, omdat de fondsen in de buurlanden en daarbuiten opdrogen. Je hebt als artiest een langere aanlooptijd nodig, en moet er echt mee bezig zijn om partners te overtuigen. Tegelijkertijd merk ik bij internationale programmatoren toch ook een grote honger om nieuwe namen te ontdekken en te weten wat er leeft.

Goeury: Soms is het ook maar een kwestie van één creatie die op het juiste moment gezien wordt door de juiste mensen. Door de zichtbaarheid te versterken met een festival als dit proberen we die kans te vergroten. De kans die Brussel ons op dat vlak biedt moeten we grijpen. Artiesten in Milaan of Bologna komen slechts af en toe eens een programmator tegen. Brussel is echt het centrum, tussen Berlijn, Parijs en Amsterdam.
It Takes a City is een tweejaarlijks festival, dat zich gaandeweg zal ontwikkelen, maar het idee om artiesten te tonen die niet meer heel jong zijn, maar ook nog niet helemaal doorgebroken, bepaalt volgens mij wel de identiteit ervan. Februari is ook een goed moment in de kalender, omdat de meeste theaters rond die tijd het programma voor het volgende seizoen afronden, en ook de zomerfestivals nog artiesten zoeken.

Konden jullie rekenen op extra financiering?
Goeury: Ook op dat vlak is dit festival een voorbeeld van solidariteit die je in andere steden misschien niet snel zal aantreffen. We hebben bekeken wat elk huis kon doen om het budget fair te organiseren.
Gebeyaw Nigussie: We hopen op dat vlak wel op meer in de toekomst. Het is de bedoeling dat dit festival ook op de radar van de politieke stakeholders komt. Dat zij zien dat het werkt, en dat ze het mee gaan ondersteunen. We hebben wat steun van het gewest en de stad, maar we werken nu toch vooral met de bestaande budgetten van de deelnemende huizen. Alle beetjes helpen. Zo zou het puur praktisch bijvoorbeeld al fijn zijn als de MIVB de internationale programmatoren gratis openbaar vervoer kon aanbieden. Zeker omdat we bewust kozen voor festivalparcoursen, en voor de spreiding van ons programma in verschillende delen van de stad.

De eerste editie van het tweejaarlijkse festival It Takes a City vindt plaats in de weekends van 8 tot en met 10/2 en van 15 tot en met 17/2, ittakesacity.brussels

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Lees meer over: Brussel, Podium, Melat Gebeyaw Nigussie, Matthieu Goeury, Les Halles, Beursschouwburg, It takes a city, Atelier 210, la balsamine, Kaaitheater, Kunstenwerkplaats, Charleroi danse / La Raffinerie, workspacebrussels, podiumkunstenfestival

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie