5 jaar na de aanslagen

Molenbeek draait de bladzijde om: 'Niemand spreekt hier nog over IS of Abdeslam'

Het Sint-Jan-Baptistvoorplein in Sint-Jans-Molenbeek.© Belgaimage

Vijf jaar na de aanslagen in Parijs en Brussel zijn Salah Abdeslam en zijn kompanen geen Che Guevara’s geworden in Oud-Molenbeek. Integendeel, er wordt over hen niet meer gesproken. Ook het gevaar op islamistische radicalisering en terreurpleging is aanzienlijk afgenomen, hoewel waakzaamheid nodig blijft. “We hebben een zwarte, traumatiserende periode achter ons gelaten.”

Op 13 november 2015 doodt een vanuit Syrië gecoördineerde Frans-Belgische terreurcel in Parijs lukraak 138 mensen. Meteen blijkt er een link met Oud-Molenbeek en belandt de gemeente in een ongeziene mediastorm. Het Gemeenteplein verandert wekenlang in een zee van televisiewagens. Inwoners worden voor veel journalisten loslopend wild. Camera op statief en draaien: “U bent Molenbekenaar en moslim. Dus vertel eens, hoe radicaliseren jullie nu eigenlijk?” De wijk verzinkt in een kokervisie en de voormalige minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) schoffeert met zijn uitspraak dat hij Molenbeek zal ‘opkuisen’.

17 november 2015: de verzamelde internationale pers op de Gemeenteplein van Molenbeek na de aanslagen in Parijs
© PhotoNews
| 17 november 2015: de verzamelde internationale pers op het Gemeenteplein van Molenbeek na de aanslagen in Parijs.

Wanneer een verdacht grote pizzabestelling de speurders vier maanden later naar het onderduikadres van Salah Abdeslam in de Vierwindenstraat loodst, zitten de buurtbewoners daags nadien opnieuw in de beklaagdenbank, ditmaal op verdenking van deelname aan een algemene buurtomerta. Of het waar is dat ze Salah kennen, dat iedereen wist waar hij zich verschool en waarom hij hier zoveel steun kreeg? “Molenbeek is tot in het extreme gekarikaturiseerd,” zegt terreurexpert Thomas Renard van het Brusselse Egmont Instituut, een denktank gespecialiseerd in veiligheid en buitenlandse politiek.

Als op 22 maart ook Brussel ontploft met de bomaanslagen in de metro en op de luchthaven voegt Jan Jambon er een tweede werkwoord aan toe: dansen. Een “significant deel van de moslimgemeenschap” heeft op de dag van de aanslagen in bepaalde Brusselse wijken tijdens straatfeesten gedanst. Parket, politie en straathoekwerkers vallen uit de lucht. Niemand heeft iets significants gezien.

“Van bij het begin zijn de pijn en het medeleven van moslims en Molenbekenaars voor de slachtoffers niet naar waarde geschat,” betreurt professor-emeritus Rik Coolsaet terugblikkend. En net hierin meent Aziza El Miamouni van de Académie de Quartier/Wijkacademie Molenbeek een verklaring te zien waarom er vijf jaar later in Laag-Molenbeek niet meer over de voorbije islamistische radicalisering en terreur wordt gesproken. “De meeste Molenbekenaars hebben deze traumatiserende periode verdrongen,” zegt ze. “Waarom heeft men ons toen als bevolkingsgroep zo geviseerd? Op 22 maart 2016 zat mijn eigen dochter op de metro, op de lijn waar de bom ontplofte. Andere Molenbeekse gezinnen hadden wel verwanten onder de slachtoffers. Het was een tijd van verdriet, maar ook van verwondering over hoe we dit niet hadden zien aankomen. Een tijd van angst voor stigmatisering en wie nu eigenlijk mijn buurman is. En door de gigantische mediagolf een tijd van boosheid, omdat er naar onze gevoelens nauwelijks werd geluisterd.”

Terreur in cijfers

In plaats van een gedoodverfd ‘kalifaat van het Westen’ was Molenbeek eerder een van de Belgische radicaliseringskernen. Volgens cijfers van het OCAD, het orgaan voor de dreigingsanalyse, stonden in december 2015 zo’n 1.050 personen in België bekend voor islamistisch terrorisme en radicalisering. Ongeveer vijfhonderd kwamen uit het Brussels Gewest, en 118 van hen waren gedomicilieerd in de vier gemeenten van de politiezone Brussel-West, waartoe ook Molenbeek behoort.

Rik Coolsaet, professor-emeritus

Potentiële jihadistische geweldplegers kenden de afgelopen drie decennia in fasen altijd wel een zekere verankering in de marge van de Molenbeekse samenleving. Dat betekent echter niet dat hele wijken ooit voor extremisme vatbaar waren. Na de aanslagen werd in Molenbeek een brede terreinstudie opgezet waarin aan de Molenbekenaars zelf werd gevraagd wat ze vonden van de radicalisering in hun gemeente. De studie leidde vervolgens tot de organisatie van een burgerparlement. “Telkens weer bleek dat de overweldigende meerderheid van de bevolking elke vorm van extremisme afwees,” duidt Rik Coolsaet, die nauw bij het initiatief was betrokken.

18 november 2015: solidariteitsactie op het gemeenteplein van Molenbeek ter nagedachtenis van de slachtoffers van de aanslagen in Parijs
© PhotoNews
| 18 november 2015: solidariteitsactie op het gemeenteplein van Molenbeek ter nagedachtenis van de slachtoffers van de aanslagen in Parijs.

“Altijd ging het inderdaad om kleine groepjes, die natuurlijk wel veel maatschappelijke schade konden aanrichten,” zegt Olivier Vanderhaegen. Tot voor kort stond hij aan het hoofd van de Molenbeekse preventiedienst die ook de cel tegen gewelddadige radicalisering omvat. “Sinds de aanslagen in Parijs hebben we ongeveer 120 mensen in een deradicaliseringsproces begeleid. Ze kwamen bij ons terecht omdat politie, verenigingen, sportclubs of scholen in hen radicaliseringssignalen meenden te zien, hoewel dat voor sommigen helemaal niet zo bleek te zijn. De meeste dossiers zagen we tussen 2015 en 2017 passeren. Daarna nam het af. Net zoals de vraag naar onze sensibiliseringsacties.”

Terreuranalist Thomas Renard bevestigt, en blijft tegelijk voorzichtig. “Het kalifaat van Islamitische Staat is weggevallen, en daarmee ook de trigger voor misnoegde jongeren om onder het mom van religie af te reizen en te vechten. Weinigen waren echte fanatici, en zeker geen grote religieuzen. Velen zochten het avontuur en de actie op. Het kalifaat had een beetje het aura van Club Med. Zwemmen en met jeeps rondrijden. Op de sociale media heeft dat een sneeuwbaleffect veroorzaakt. De ene jongere trok de andere mee. Daarnaast waren er uiteraard ook actieve ronselaars in België.”

1745 Analyse Aziza

Voor Renard zitten we op een keerpunt. De veiligheidsdiensten houden de afgelopen jaren steeds meer rekening met extreemrechts terrorisme. “We verlaten de fase waar alles op islamistische terreur was afgestemd en zien nu eerder een veelheid aan dreigingen. Gelukkig is er in België nog geen extreemrechtse Anders Breivik opgestaan die 77 mensen omver­knalt. Maar wat in Noorwegen en andere landen gebeurde, kan hier ook.” Voor Renard is de dreiging van islamistische terreur nu minder groot dan vijf jaar geleden, maar nog steeds groter dan in de jaren 1990 en 2000 samen. “Tussen 1990 en 2010 waren er in België 110 veroordelingen voor jihadistisch terrorisme,” onderbouwt hij met cijfers. “Tussen 2011 en 2020 zijn er dat ongeveer vijfhonderd. Globaal gezien heeft het OCAD vandaag weet van 81 actieve haatpredikers. Zeven zitten in de extreemlinkse hoek, 29 in de extreemrechtse en 45 zijn islamistische extremisten.”

En nu?

Ondertussen gaat Aziza El Miamouni voort met haar Molenbeekse Wijkacademie. Dat bijzonder laagdrempelige burgerinitiatief ontstond in het zog van de aanslagen. “Twee jaar lang liepen we de deuren plat en hebben we getracht om Molenbekenaars bij te staan in hun verwerkingsproces. Nu luisteren we naar andere zaken. Hoe inwoners hun huur niet kunnen betalen. Hoe ze ziek zijn, maar geen mutualiteit hebben. Hoe ouders denken dat ze hun kinderen niet in het Nederlandstalige onderwijs mogen inschrijven of niet weten hoe ze dat moeten doen. De digitale kloof, weet je wel? De naam IS hoor je niet meer. En als je erover begint, dan zeggen jongeren dat de aanhangers salopards zijn. Je moet een verschil maken tussen wat er gebeurd is en wat er vandaag aan het gebeuren is. Sommige jongeren stoten door. Anderen vechten met ingevreten gevoelens van discriminatie en een deel geeft het op en glijdt af in de richting van onder meer drugshandel. Een groot probleem zijn de sociale media, want daarop zijn stokers actief. Kijk maar naar de recente rellen met de politie.”

Ook voor de ervaren jeugdwerker Bachir Mrabet van de Molenbeekse Foyer spreken jongeren al lang niet meer over Salah Abdeslam. “Dat was eigenlijk al vrij snel na de aanslagen het geval,” zegt hij. “Ze zaten toen allicht in een overlevingsmodus. Nu merk je vooral een gevoel van onrechtvaardigheid ten aanzien van het gebrek aan sociale vooruitgang. Het mentale gewicht van de coronapandemie weegt door en hét gespreksthema bij uitstek is het geweld van en tegen de politie.”

Het kalifaat mag dan misschien zijn ingestort, de voedingsbodem voor mogelijke andere vormen van radicalisering is er nog: de huisvestingscrisis, de moeizame weg naar een inclusieve arbeidsmarkt, de onderwijsongelijkheid en de maatschappelijke polarisering rond identiteit en religie. “Het einde van mijn theorie over de stigmatisering op basis van de vier M’en is nog niet in zicht,” glimlacht Olivier Vanderhaegen. “Marokkaan, Mohamed, Moslim en Molenbekenaar.”

5 jaar na de aanslagen

Op 22 maart is het vijf jaar geleden dat ons land werd opgeschrikt door aanslagen in de vertrekhal van Brussels Airport en in metrostation Maalbeek.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?