column

Astrid Haerens: 'Schrijven is een daad van hoop'

© Stine Sampers

Drie weken lang deelt een Brusselse creatieveling zijn/haar/hun kijk op de wereld. Astrid Haerens is auteur van proza en poëzie. In 2017 verscheen haar roman Stadspanters. Eind maart verschijnt haar dichtbundel Oerhert bij Atlas Contact. www.astridhaerens.be

Vannacht werd ik gewekt door buikkrampen. Stress stroomde door mijn lichaam en deed mijn ledematen tintelen. Ik wilde opstaan maar kon mijn lijf niet bewegen. Sinds een paar dagen, eigenlijk sinds het inleveren van het manuscript van mijn nieuwe boek, word ik minstens één keer per nacht door mijn weerbarstige lichaam gewekt. Mijn gedachten proberen mijn lijf te kalmeren, ik leg een hand op mijn buik en adem traag in en uit. Soms val ik weer in slaap, soms blijf ik wakker en staar door het raam naar de magistrale boom die in het nachtelijke, diepe blauw traag met zijn takken naar me wuift. 's Ochtends schemert de januarizon lauw door de wolken heen. Ik stap de deur uit en groet de mannen die in de ochtend hun thee drinken aan café Le Sans-Souci, de winkeliers die hun plastic spullen uitstallen op het trottoir, de kapper van het charmantste kapsalon aan de overkant.

Mijn nieuwe boek is een poëziebundel. Het is een verzameling van talige landschappen, gedichten als brokstukken. Het is een zoektocht geworden naar hoe te schrijven over een vrouwelijk lichaam, de krachten die haar klein houden, haar grenzen overschrijden, haar willen doen verdwijnen. Het schrijfproces was tegelijk vloeiend en moeizaam, hoopgevend en beangstigend. Ik denk aan wat ik vannacht in het nieuwste boek van Deborah Levy onderlijnde: kunnen we accepteren dat taal heilig en huiverig en ook gehavend is, omdat wij dat allemaal zijn?

Ik stap richting het Flageyplein. Schrijven doe je niet enkel met je hoofd, maar ook met je lichaam, ondervind ik niet enkel tijdens het schrijven, maar ook tijdens het wandelen, het nadenken, en misschien nog het meest wanneer de nacht in deze stad valt en mijn verlangens, angsten en wanhoop de ruimte innemen. Nu het einde van het werkproces in zicht is en het boek weldra zal verschijnen, vraag ik me bij momenten af: waarom doe ik mezelf dit aan? In dit stadium voel ik me kwetsbaar en fragiel en blijf ik het liefst voor de komende zes maanden onder mijn dikke dons.

Wanneer ik verder wandel door mijn straat, zie ik affiches op muren, borden, elektriciteitskasten: wit, A4-formaat, met daarop, onder andere: “Megane, 22 ans, tuée par féminicide.” De bladen met verschillende namen hangen er al maanden, al maanden lees ik ze met afschuw. Verderop aan de tramhalte verschijnen op onregelmatige tijden boodschappen van Collages Feministes Bruxelles: “Mon corps mon choix”, “crime passionnel ≠ féminicide”. Grote letters, zwart op wit. Het zijn ook deze boodschappen die me dagelijks ondersteunden bij het schrijven van de gedichten, die me kracht gaven, ondanks de verschrikkelijke verhalen die ze belichamen.

Ik ga zitten op het terras van Le Flagey en bestel mijn eerste koffie van de dag. Mijn maag gromt, mijn hoofd bonkt, mijn schouders zijn gespannen. Ik blader door oude notities, mijn blik blijft haken aan een zin van Wytske Versteeg: “Vertellen zelf is een daad van hoop, ongeacht het verhaal dat verteld wordt. Het veronderstelt immers dat iemand bereid is om te luisteren, dat het de moeite waard is om te spreken, om een stem te laten klinken.”

Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?