column

Maryam Kamal Hedayat: 'Het magische land bleek achteraf gewoon de Zuidfoor te zijn'

Maryam Kamal Hedayat.

Drie weken lang deelt een creatieveling zijn/haar/hun visie op de wereld. Maryam Kamal Hedayat is filmmaker, schrijver en curator. In 2021 ontving ze scenariosteun van het Vlaams Audiovisueel Fonds voor haar eerste langspeelfilm. Ze is oprichtend lid van het feministische filmcollectief Wanda. www.maryamkhedayat.com

Verdwalingen, 1989

Waar is de lente naartoe gegaan, denk ik bij mezelf terwijl ik de rue d’Albanie, en de gedachten die me daar vergezelden, achter mij laat. Plots – alsof die de lente niet altijd volgt – is de zomer er.

Ik neem tram 51. Die brengt me naar de Vlaamstesteenweg, vanwaar ik de Gentsesteensweg zal inslaan, dan eenmaal linksaf om zo mijn weg naar huis te vinden.

51 is mijn favoriete tramlijn. Die nam ik op mijn allereerste dag in België. Het was zomer, augustus, en ik was negen. De tram bracht mij en mijn familie van het Zuidstation langs lange lanen, omringd door flikkerende lichten, vliegende mensen en grote suikerspinnen, richting onze eerste thuis in België: het Klein Kasteeltje. Ik herinner me dat ik toen dacht we in een magisch land terecht waren gekomen. Ik begreep pas later dat het de Zuidfoor was. De magie zou na de zomer verdwijnen en mijn kinderlijke onschuld met zich meenemen.

Mijn liefde voor kermissen begon toen ik heel klein was. Ik herinner me een foto van een pretpark in Thailand en twee lachende kindergezichten, die van mij en mijn broer. Die foto is een van de weinige relikwieën die ik nog heb van een leven voor België. De Zuidfoor is een tijdsmarkering geworden. Het kondigt elk jaar de verjaardag aan van onze aankomst.

Een paar weken voordien zat ik met mijn beste vriendin te schommelen in een speeltuin in Istanbul. We zaten daar vaak. Te praten, te niksen, of naar de jongens te kijken.

Vijfentwintig jaar later zou ik het kanaal oversteken en tegenover dat kleine kasteel een appartement huren. Daar wonen was iets wat ik moest doen, alsof ik betoverd was, alsof het ergens geschreven stond dat ik elke ochtend met nostalgie naar dat ene moment van aankomst moest terugkeren. Ik moest de nieuwe bewoners kunnen observeren die ook door onwettige invasies en despotische leiders uit hun thuis waren verdreven. Op mijn manier wou ik hen verwelkomen. Het kanaal vormde misschien een barrière, maar ik voelde instinctief wat zij voelden. Ik wist dat we soortgelijke herinneringen deelden aan een laatste afscheid, een laatste blik op wat zo bekend was. Ik wist dat we geen woorden nodig hadden om te communiceren over verlies.

Ik vraag me af of de huidige bewoners van dat tijdelijke huis tijd hadden om foto’s mee te brengen. Een van de voordelen van onze digitale revolutie is dat sommige herinneringen mobiel zijn geworden. In 1989 kon je nog alle materiële aandenkens kwijtraken. Wat ook bij ons gebeurde. Ik moet vaak aan die verloren foto’s terugdenken, aan de beelden die we onderweg zijn kwijtgeraakt.

Al jaren probeer ik, tevergeefs, mijn ouders te doen praten over onze reis, het waarom en het hoe. Over de revolutie, de verbanning, het verlies van hun koning, van een thuis. Elke keer weer is het de stilte die overwint. In mijn werk voel ik de constante nood om onze geschiedenis te hercreëren, te herschrijven en vast te leggen in print en beeld. Alsof ik alles wat verloren is zo magisch tot leven kan wekken. In elk verhaal dat ik schrijf duikt het afscheid van mijn jeugdvriendin in die speeltuin in Istanbul op. In elk scenario de kamer in het Klein Kasteeltje of de flitsende lichten van de Zuidfoor op die warme augustusdag. Elke creatie lijkt een poging de inhoud van die verloren foto’s opnieuw zichtbaar te maken. Ik denk dat ik onze historie, met mijn ouders als kroongetuigen, wil materialiseren omdat de angst ze te verliezen groter is geworden. Met hen vrees ik ook een stuk van mezelf te verliezen. Hun stilte heeft het getik van de tijd elk jaar luider gemaakt.

Stilte over het verleden is een universeel lot dat alle families treft. Het baart een generationele kloof, waardoor we nooit helemaal kunnen verbinden met onze moeders en vaders, waardoor we nooit echt weten waar we vandaan komen.

Als Bar du Canal aan mijn rechterkant voorbij flitst, schiet ik wakker uit mijn dagdroom. Ik haast mij uit de drukke tram en richting Gentsesteenweg.

Aan Zwarte Vijvers aangekomen, stap ik binnen in de kruidenierswinkel op de hoek van mijn straat. Twee kinderen steken mij gehaast voor en roepen opgewonden en synchroon: ‘À manger pour le chat!’. ‘Quel chat?’, vraag de man achter de toonbank. De kinderen wijzen naar buiten. De man gaat kijken, komt gemoedelijk terug binnen en gebaart iets naar zijn assistent. Die verdwijnt in de stock en keert terug met een bordje dat hij aan de kinderen geeft. De kleintjes rennen blij naar buiten.

Een glimlach verschijnt op mijn gezicht. De katten in Brussel stellen het goed.

Dit is deel 2 van Maryam Kamal Hedayats driedelige travelogue, die zich ontrafelt gedurende één dag en ons meevoert door de straten van Brussel op een stroom van herinneringen.

De hele reeks herlezen? BRUZZ.be/bruxellesvies

Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?