Tine Meganck over Bruegel: ‘Hij heeft ons allemaal beet’

In dit feestjaar schuwt kunsthistorica Tine Meganck de grote woorden niet. Zij noemt Pieter Bruegel de Oude, die precies 450 jaar geleden is overleden, “een visionair die met milde ironie de hele wereld beet neemt, zichzelf inbegrepen.” Zelf was hij een man van weinig woorden.

Antwerpen en Brussel zijn 450 jaar geleden zoals New York en Washington nu, twee boomende steden, de ene draaischijf van de wereldhandel, de andere de hof- en hoofdstad, met onderling intense connecties. Net als vandaag staat de welvaart onder druk en schuift de macht op naar elders in de wereld. In 1563 verhuist Bruegel van Antwerpen naar Brussel en zal hier zijn grootste meesterwerken maken. Tine Meganck meent dat Bruegel in de hofstad komt wonen voor kardinaal Granvelle. Die is de meest puissant rijke mecenas, de Marc Coucke van het moment. Hij bezit schilderijen van Dürer en Titiaan, Brusselse wandtapijten en exotische dieren.

Wie is Tine Meganck?

Tine Luk Meganck is als Bruegel-onderzoeker verbonden aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. In 2003 behaalde ze een PhD in Art History aan Princeton University (USA). Ze is de auteur van verschillende studies over Bruegel en zijn tijd, waaronder Pieter Bruegel the Elder, Fall of the Rebel Angels. Art, Knowledge and Politics on the Eve of the Dutch Revolt (Silvana Editoriale, 2014), Erudite Eyes. Friendship, Art and Erudition in the Network of Abraham Ortelius (1527-1598) (Brill Publishers, 2017) en meest recent, samen met Sabine van Sprang en met bijdragen van gerenommeerde historici, Bruegels wintertaferelen. Historici en Kunsthistorici in dialoog (Mercatorfonds, 2018).

Waarschijnlijk neemt hij ook Bruegel onder zijn hoede. Die realiseert alles samen maar enkele tientallen schilderijen in iets meer dan tien jaar. Vandaag zijn er slechts een veertigtal bekend. Hoe dacht Bruegel te kunnen rondkomen, ware het niet van de wilde weldoener met een neus voor kunst? Bovendien schildert hij al zijn werken eigenhandig, zonder het legertje medewerkers dat Rogier van der Weyden en later Rubens erop nahouden. Granvelle gebruikt kunst om zijn status te etaleren. Maar hij is ook een volbloed verdediger van het gezag en het geloof, in alles (behalve in naam) de eerste minister van koning Filips II en raadgever van diens halfzus Margareta van Parma, de landvoogdes.

De legende van de rebelse volksschilder is een romantische uitvinding. Het jonge België voert Bruegel als een anti-Habsburgse revolutionair op die heulde met protestanten en met het penseel de gevestigde orde te lijf ging. De werkelijkheid is dat Bruegel voor de rijke handelaren en machtige managers van zijn tijd werkt, die bij het centrale gezag aanleunen. “Openlijke kritiek op het regime is uit den boze,” weet Meganck. “Dat had ook nooit gewerkt.” Voor haar is Bruegel sterker dan dat.

Hij waarschuwt, maar in bedekte termen, stelt zijn opdrachtgevers subtiel in vraag, doet ze nadenken. En naarmate de Nederlanden naar de rand van burgeroorlog afglijden, zal hij steeds minder een blad voor de mond nemen. Zijn meesterwerken kan je pellen als een ui. In minstens één van de lagen zie je hoe hij al lachend de waarheid aan de kaak stelt, zoals alleen de hofnar dat nog kan. Of hoe hij zonder uit de gratie te vallen zijn geldschieters toch een spiegel kan voorhouden.

'De val van de opstandige engelen'

Eén zo’n meerlagig schilderij is ‘De val van de opstandige engelen’ (1562) in de Brusselse Musea voor schone kunsten. Het is alleszins ook politiek geladen, zo heeft Meganck vijf jaar geleden met verve aangetoond. Willem van Oranje, kopman van de ‘opstandige edelen’, had in zijn paleis op de Koudenberg ‘De tuin der lusten’ hangen, de absolute topper van de 70 jaar oudere Jeroen Bosch. Granvelle meet zich met zijn aartsrivaal Oranje, zoals de blinkende Sint-Michiel de draak verjaagt (en aan het einde ook zal verslaan). En bovendien zoals Bruegel Bosch overtreft.

val van de opstandige engelen - Bruegel

De aandachtige toeschouwer is de knipoog naar het standbeeld op de Brusselse stadhuistoren niet ontgaan. En na iets langer kijken ook de andere kwinkslag niet, zeg maar de steek onder water naar de aanstellerige pose van de aartsengel (= Granvelle) op het schilderij en zijn verzamelwoede van indianenpluimen, Ottomaanse hebbedingen en opgezette beesten uit de Nieuwe Wereld. Bruegel neemt de mateloze ambitie van zijn broodheer inzake kunst, kennis en politiek in de maling. Maar de kardinaal heeft het hem allicht vergeven.

Voor Meganck vormt Sint-Michiel een duo met ‘Dulle Griet’ (1563), getuigen het kleurenpalet en hoe zij zich allebei in het oog van een boschiaanse storm verweren met het zwaard in de aanslag. Griet belichaamt de woeste vrouw die een roof voor de Helle doet, zoals Karel van Mander haar in Het schilder-boeck (1604) typeert. “Wie weet,” gaat Meganck voort, “steekt Bruegel hier de draak met Granvelles bazin, de regentes Margareta, naar verluidt ook een manwijf, die de andere hoofdrol speelt op het Brusselse politieke toneel. Zachte plagerij wordt satire. Je mag ervan uitgaan dat Margareta niet op de hoogte was en Granvelle er hartelijk om heeft kunnen lachen.”

dulle griet - bruegel

Dat is niet alles. De een rokkent wat de ander spint en een hardnekkige roddel wil dat Pieter onder dwang van zijn aanstaande schoonmoeder, de zakenvrouw Mayken Verhulst, in 1563 naar Brussel is verkast om zo definitief met een oud lief van hem te breken: dat Brueghel Antwerp verlatende most comen woonen te Brussel, op dat hy mocht verlaten en vergheten dat voorighe Meysken, zo sneert Van Mander. Het klinkt als een cliché, maar voor Bruegel is Dulle Griet gewoon zijn eigen schoonmoeder. De schilder, niet misleid door een vrouwenlist, heeft zo ook zijn binnenpretje.

Op macroniveau gaat de metafoor over wat Brabant en de rest van de Nederlanden met de Opstand tegen hun Habsburgse machthebbers op het spel zetten, te weten de kip met de gouden eieren. Bruegel is een ziener en gelooft, tenminste in dit stadium nog, in de wendbaarheid der dingen. Geen hemelbestormer, maar een humanist in de beste traditie van de iets oudere Erasmus. Die liet zich trouwens ook niet tot één partij verleiden. Zoals Erasmus in het betoog van vrouwe Zotheid, neemt Bruegel in straffe afbeeldingen ’s mensen dwaasheid op de korrel.

Babel

Bruegelkenner Manfred Sellink heeft het pronkstuk van het Kunsthistorisches Museum in Wenen onlangs herdoopt tot ‘De bouw van de toren van Babel’ (1563). Het levensgrote paneel toont naast overmoed ook een hint van hoop. Want de toren stort nog niet in, er is zelfs nog geen spraakverwarring. De tijd tikt, maar toch is het nog niet te laat om met elkaar in dialoog te gaan, de koning met de edelen, de protestanten met de katholieken. Dat is precies wat Meganck bedoelt met “Bruegel als visionair die de grote heilsgeschiedenis verankert in zijn eigen tijd.”

toren van babel bruegel

Bruegel schildert zijn toren voor het landgoed Ter Beke dat Nicolaes Jongelinck aan de Antwerpse Markgravelei laat bouwen, maar dat vandaag helaas verdwenen is. Meganck vergelijkt de luxueuze villa met “de Sixtijnse kapel van het noorden”. Ooit hingen daar talrijke werken van Frans Floris en zestien van Bruegel, waaronder ‘De kruisdraging’ (1564) en de zes wereldberoemde panelen van ‘De seizoenen’ (1565).

Op een symposium in Wenen heeft Meganck onlangs met een videomontage uitgepakt waarin de horizon van ‘Jagers in de sneeuw’ panoramisch perfect doorloopt in ‘De sombere dag’ aan één wand van de eetkamer. En hetzelfde met ‘Het binnenhalen van het hooi’ en ‘De oogst’ tegen de andere muur. ‘De terugkeer van de kudde’ en ‘De lente’ (is verloren) op de twee overblijvende korte zijden van de kamer scheppen samen een totaalbeeld waarin het grootse en het kleine met elkaar versmelten. Het is een krachttoer die de artistieke erfenis verraadt van zijn beide schoonouders: de miniaturen van Mayken Verhulst en de wandtapijten van zijn schoonvader Pieter Coecke.

Met dat ensemble plaatst Bruegel ons letterlijk in het midden van een eindeloze cyclus. Hij vat zowel de ijle lucht van de winter als het zinderende licht van de zomer, of beter DE zomer, door de landschappen tot een soort tijdloze ‘supernatuur’ te condenseren. Of zoals 16de-eeuwers zouden zeggen: God in de natuur. Volgens Meganck is het zelfs één van de eerste ecologische kunstinstallaties ooit. “De seizoenen leggen het lot bloot van de mens, die enerzijds denkt in het middelpunt van de kosmos te staan, maar tegelijk beseft hoe vluchtig zijn aardse passage wel is in vergelijking met de eeuwige terugkeer van de natuur.”

Sinds Granvelle in 1564 Brussel heeft verlaten om nooit meer terug te keren, werkt hij voor rijke Brabantse handelaren onder wie Hans Frankert en Abraham Ortelius, stuk voor stuk trouwe onderdanen, zij het een pak gematigder en verdraagzamer dan koning Filips II. Hij blijft altijd de schilder die ons verder doet kijken dan op het eerste gezicht. Zelfs in het charmante ‘Winterlandschap met schaatsers en vogelknip’ (1565) in de Brusselse Musea voor schone kunsten is niets wat het lijkt: schoonheid is zo vergankelijk als smeltende sneeuw, terwijl achter de pret honger en kou dreigen. Met zijn ‘imaginair realisme’ neemt Bruegel ook ons 21ste-eeuwers meer dan eens bij de neus.

De code gekraakt

Van ‘De volkstelling te Bethlehem’ (1566), ook in de Brusselse Musea, is lang gedacht dat het kritiek uitte op de buitensporige belastinginning van de Habsburgers. Tot Meganck vorig jaar de code heeft gekraakt. Vooreerst schildert Bruegel het kersttafereel voor de Wijnegemse handelsbankier Jan Vleminck in het jaar van de Beeldenstorm. Maar in plaats van partij te kiezen, spoort de schilder ons aan om zelf het juiste pad te zoeken.

Ergens staat een man met een sneeuwbal op de rug gelaten de drukte in de dagen voor kerst gade te slaan. Tot op de voorgrond de op-en-top katholieke mantelmadonna passeert op de rug van een ezel. Vooraan in ‘De prediking van Johannes de Doper’ (1566) zit een valse profeet tijdens een hagenpreek de hand van de opdrachtgever te lezen. Soms lijkt Bruegel opzettelijk een wendbare boodschap te schilderen, waarin iedereen zijn gelijk kan halen.

volkstelling te bethlehem - bruegel

Na de 16de eeuw is Bruegel driehonderd jaar lang stilletjes vergeten. Tot de Koninklijke bibliotheek in Brussel zijn prenten in de 19de eeuw herontdekt en de Musea voor schone kunsten ‘De volkstelling’ kopen. In de prenten tekent hij te pas en te onpas brillen om beter te zien. De vraag is of de mens wel in staat is om te zien waar het op aankomt. Zelfrelativering is de meest nobele van alle deugden, maar blindheid de ergste kwaal.

Met ‘De parabel van de blinden’ (1568) slaat de toon duidelijk om. Misschien voelt hij zijn einde naderen? Zeker is dat de nieuwe landvoogd, de hertog van Alva, er met de botte bijl in gaat. Hoe dan ook, Bruegel eindigt cynisch. Verbitterd omdat zijn herhaalde oproepen in dovemansoren blijven vallen. De mensen zijn ziende blind en duiken bijgevolg één na één de afgrond in. Ook ‘De misantroop’ en ‘De kreupele bedelaars’ uit dat jaar zijn donkere werken. Merkwaardig genoeg zet hij de mismaakte schepsels met een ongelofelijk meesterschap mooi neer.

450 jaar geleden was een transitietijd. In het zog van de ontdekkingsreizen veroorzaakt de globalisering onderhuidse spanningen op het thuisfront. Terwijl misoogsten wisselen met strenge winters, maken de ‘geuzen’ zich zowel om het eind van de maand zorgen als om het eind van de wereld. Nieuwe media wakkeren via de snelle verspreiding van prenten de polarisering aan. ‘Het bruiloftsmaal’ en ‘De dorpskermis’ zijn niet gedateerd, maar bezorgen hem de bijnaam ‘Boerenbruegel’. Ook al schildert hij voor de Brusselse en Antwerpse elite, zijn interesse voor het alledaagse is voor Meganck Bruegels blijvende erfenis.

Hij schildert gewone, echte mensen monumentaal groot, zoals tot dan alleen voor de goden en de machtigen der aarde is weggelegd. Het zijn beslist geen individuen, maar DE mens in al zijn facetten, vreugde en verdriet, schoonheid en lelijkheid, benomen als wij allemaal zijn in onze dagelijkse besognes en op zoek naar een plaats in deze wereld.

Meganck is al ruim tien jaar als een detective intensief naar de meester aan het speuren. Zelf noemt zij haar aanpak ‘close viewing’ en ‘reverse engineering’. Volgens haar schildert Bruegel zijn grote werken als conversatiestukken, die de opdrachtgever in zijn kunstkamer degusteert, alleen of samen met zijn hoge gasten. De sleutel om het oeuvre te lezen, zoekt ze in die dialoog tussen de kunstenaar, zijn opdrachtgever en zijn tijd. Eens een sleutel gevonden, is ze gelukkig om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken. “Want er is altijd meer. Bruegel blijft uitdagen, tot over de tijden en culturen heen. Je blijft zoeken.” Bruegel heeft ook haar goed beet.

Bruegel op BRUZZ

BRUZZ zendt vanaf donderdag 14 maart een 14-delige televisiereeks over Pieter Bruegel uit, met historicus dr. Paul De Ridder als ervaren gids. Hij neemt ons mee naar het dorp Breugel, waar zijn familie vandaan kwam, en de stad ’s-Hertogenbosch in Noord-Brabant, waar Jeroen Bosch heeft gewoond en gewerkt. Vandaar gaat het naar de handelsmetropool Antwerpen, waar Breugel heeft leren tekenen en schilderen. Ten slotte neemt De Ridder ons mee naar Brussel, waar de meester zijn grootste meesterwerken heeft gemaakt.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?