interview

Lara Rosseel opent zondag jazzdag op Brosella: ‘Bas spelen is voor mij een gevoel’

© Lucinda Wahlen

Of ze nu componeert, arrangeert, begeleidt, of, zoals straks op Brosella, haar band ment doorheen haar nieuwe album Hert, op haar 36e verkeert contrabassiste Lara Rosseel in bloedvorm, achteloos kracht aan souplesse ­koppelend.

Ze mag zondag dan helemaal onderaan op de affiche van het hoofdpodium prijken, Lara Rosseel is een van de muzikanten om naar uit te kijken op de 46e editie van Brosella. Dit weekend worden, verspreid over drie dagen en drie podia, in totaal 22 bands in het Groentheater verwacht. Vrijdagavond staat in het teken van 100 jaar Toots. Zaterdag valt alles wat je ook grootstedelijke folk zou kunnen noemen onder de noemer 'urban etno'.

Rosseel mag zondag jazzdag inleiden met het kwintet waarmee ze Hert opnam. Het is de opvolger van het filmische De grote vrouw (2020), haar sterke debuut als bandleider van een octet. De titel Hert typeert haar karakter. “De dualiteit van een hert zit inderdaad ook in mij,” zegt ze. “Een hert kruipt altijd weg, maar is tegelijk geweldig imposant, met zijn gewei en al zijn kracht. Enerzijds kan ik schuchter en zacht zijn en wil ik soms verdwijnen zodat niemand me ziet. Anderzijds, als ik iets doe kennen mijn ambities vaak geen grenzen en kom ik aanzetten met grote bezettingen.” Dat laatste valt nog wel mee met haar huidige kwintet, waar ook Brusselaars Vitja Pauwels op gitaar en Angelo Mustapha op drums en percussie deel van uitmaken. Maar die line-up wordt dit najaar alweer verruimd tot een veertienkoppig orkest, met extra strijkers en hobo.

Je debuut als bandleider nam je op met een octet en in het najaar zien we de première van het Lara Rosseel Orchestra. Waarom fascineren grote bezettingen je?
Lara Rosseel: Ik hou ook van filmmuziek. Ik vind het fijn dat er veel opties zijn, dat je al die kleuren aan bod kan laten komen. Soms denk ik: wat heb ik mezelf nu weer aangedaan? Qua planning is het niet simpel. Alle repetitiedagen voor het orkest liggen nu al vast. Ik heb ook al wat arrangementen geschreven voor de strijkers en de hobo, maar voor de zekerheid heb ik binnenkort toch maar afgesproken met Bert Joris (Belgisch jazzmeester, gespecialiseerd in het arrangeren voor grotere ensembles, red.). Van hem wil ik leren hoe verschillende lijnen in een compositie toch weer één geheel kunnen worden. Met andere woorden: hoe ik die strijkers en hobo een plaats kan geven zonder afbreuk te doen aan mijn vaste blazers.

Met je kwintet speel je nu ook elektrische bas. Waarom?
Rosseel: Sommige nieuwe nummers leenden zich ertoe. Afrogetinte ritmes speel ik ook liever op elektrische bas. Ik zie Angelo dan altijd denken: doe dat toch met je contrabas, want in de afromuziek speelt men al zo vaak elektrisch. Maar ik ben koppig en ga voor de mix. Elektrisch speel je meer op souplesse. Ik heb ook mijn vorige trompettist, die vader is geworden en geen tijd meer had, moeten vervangen. In plaats van iemand die musiceerde in de traditie van Ibrahim Maalouf – superzacht en met veel ronde klanken – kreeg ik met Sam Vloemans een muzikant aan boord die bekendstaat om zijn funky, elektrische geluid. Maar het is vooral het open gitaargeluid van Vitja, met wie ik vroeger nog in een straatbandje zat, dat alles openbreekt en een flink eind weg groovet.

Wanneer was het duidelijk dat je in de wieg gelegd was voor een leven als artiest?
Rosseel: Dat moet op de honderd­dagenviering van mijn middelbare school in Veurne geweest zijn. We hadden een heel jaar naar een vrij podium toegewerkt. Ik speelde met verschillende groepen mee en genoot er echt van om iets wat we samen gemaakt hadden voor te stellen aan een publiek. Achteraf was ik ook triest dat het gedaan was. Toen besefte ik dat ik zoiets vaker wilde doen.
Het is er uiteindelijk van gekomen zonder dat ik het doorhad. Dat komt omdat zowat alles in mijn leven organisch gebeurt. Mijn ouders snapten lange tijd niet waar ik naartoe wilde. Zij wilden dat ik ging lesgeven en daarnaast een beetje muziek zou spelen. Ik heb het lang zo gedaan, tot ik doorhad dat ik het liever andersom had: veel spelen en een beetje lesgeven.

De contrabas was er niet bij van in het prille begin. Je begon je studie aan het Lemmensinstituut met klassieke gitaar en cello als tweede instrument. Wat deed je voorkeur alsnog kantelen?
Rosseel: Een concert dat we met het symfonieorkest van het Lemmens hadden opgezet met de bigband, en meer bepaald het stuk 'Dangerous liaison' van Bert Joris. Dat eindigde met een hoofdrol voor de contrabas van de bigband, toen gespeeld door Nicolas Rombouts. Dat maakte zoveel indruk dat ik dat instrument ook wilde leren spelen.
De volgende zomer volgde ik een cursus van de Halewynstichting in Dworp, en ter voorbereiding van een nieuwe toelatingsproef ben ik met studievrienden op straat gaan spelen in Leuven. In het begin was het wel wat zoeken: ga ik achter of naast mijn contrabas staan? Uiteindelijk is het iets tussenin geworden waarbij de contrabas tegen me aanleunt. Eerst had ik ook wat pijn aan mijn schouders, maar dan ben ik yoga beginnen te doen en heb ik gaandeweg een houding gevonden die ontspannen en ergonomisch is, en toch kracht geeft.
Wat het aanleren van een instrument betreft, ben ik een plantrekker. Dat ervaar ik nu ook bij mijn vioollessen. Ik zie het anderen doen en doe hen op mijn manier na. Eerst gitaar en cello beheersen heeft mijn contrabasspel ook soepeler gemaakt. Een contrabas vraagt niet direct veel finesse en souplesse, maar ik ga die toch graag opzoeken.
Ik krijg vaak complimenten van mensen die vinden dat ik één ben met mijn contrabas. Bas spelen is voor mij een gevoel. Ik kijk ook niet graag naar mijn vingers als ik speel.

Was het instrument je als tiener nooit opgevallen?
Rosseel: Eigenlijk niet. Ik volgde celloles aan de muziekschool in Veurne bij Caroline Steen, die bij het Symfonieorkest Vlaanderen speelt. Maar iedereen die contrabas wilde leren, kwam ook bij haar terecht. Het gekke is dat ze twee jaar geleden, toen ik een contrabaslerares moest vervangen, een van mijn studenten was. Toen dacht ik: amai, de rollen kunnen snel switchen.

Naast enkele releaseconcerten met je kwintet speel je ook in de band van zangeres Naima Joris. Waarom is zij deze zomer je andere prioriteit?
Rosseel: Ik sta ervan versteld wat ze allemaal kan. Ik hou van de muzikanten in haar band, stuk voor stuk sterke persoonlijkheden. Daarnaast is er de muziek: die ligt vast, maar is tegelijk heel vrij. Naima speelt iets op piano of gitaar, superstrak in het tempo, maar als je haar daar dan heel vrij over hoort zingen, lijkt het alsof het een andere persoon is. Heel straf.
Ik heb die combinatie van schrijven, arrangeren en performen met mijn eigen band én met andere muzikanten nodig. Mijn voorbeelden op bas zijn ook wel de grote namen, maar vooral de mensen die ik ontmoet heb en die vrienden zijn geworden. Die persoonlijke connectie inspireert me. Onlangs zag ik Ruben Samana, de bassist van Gabriel Rios. Hij is een van mijn grote inspiratiebronnen. Op school werden we destijds ondergedompeld in de erfenis van pakweg Dave Holland, Oscar Peterson en Jaco Pastorius, maar onlangs was ik op bezoek bij Michel Hatzigeorgiou van Aka Moon. Zulke ontmoetingen voeden me nog veel meer.

Is er nog iets waar je deze zomer speciaal naar uitkijkt?
Rosseel: Ik treed straks voor het eerst met mijn band op in mijn geboortestad Veurne. Mijn familie is al jaren op dat moment aan het wachten. Het is de stad aan zee waar ik opgroeide, maar toen ik 'in het binnenland' ging studeren, werden dat precies twee aparte werelden. Ik vind het fijn dat die nu eindelijk samenkomen. Emotioneel doet het deugd om vast te stellen dat het één en dezelfde wereld is.

BROSELLA FESTIVAL
1 > 3/7 (Lara Rosseel Quintet: 3/7, 14.00), Groentheater, Ossegempark, www.brosellafestival.be

Hert is uit via W.E.R.F. Records/N.E.W.S.

Meer nieuws uit Brussel
Vooraan op BRUZZ

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?