interview

Rapporteur coronacommissie: 'Je kan een crisis niet bestrijden in gespreide slagorde'

Juan Benjumea Moreno na de Bijzondere coronacommissie: “Er moet hoe dan ook een pandemieplan komen zodat we niet meer ter plekke moeten improviseren.”© Bart Dewaele

De Bijzondere coronacommissie in het Brussels parlement is klaar. De commissie moest nagaan wat er misliep in de eerste golf van de pandemie en Brussel beter wapenen tegen toekomstige rampspoed. Maar Brussel wil de bladzijde niet zomaar omslaan. “De getuigenissen zijn een blijvende herinnering aan wat er is misgegaan,” zegt rapporteur Juan Benjumea Moreno (Groen).

Wie is Juan Benjumea Moreno?

  • Geboren in 1991 in Sevilla (Spanje)
  • Emigreert in 2009 naar België
  • Studeert van 2009 tot 2014 Rechten (KU Leuven en Humboldt Universität Berlin)
  • Advocaat aan de balie Antwerpen
  • Vorser Grondwettelijk recht (UGent)
  • Jurist bij Brussel fiscaliteit
  • Sinds 2019 parlementslid voor Groen

Benjumea zat amper een jaar in het Brussels parlement en kreeg, samen met die andere neofiet Delphine Chabbert (PS), meteen een flink dossier op zijn bord. Samen zijn ze rapporteur voor de Bijzondere coronacommissie die in het Brussels parlement moet nagaan wat er misliep in Brussel tijdens de pandemie. Meer dan veertig mensen kwamen getuigen. Over de rusthuizen, de ziekenhuizen, de economie, het veiligheidsbeleid en ethische aspecten aan deze crisis zonder weerga.

Hoe kijkt u zelf terug op deze vijf maanden parlementair werk?
Juan Benjumea Moreno: Het was een treurige periode voor iedereen natuurlijk, maar ik denk dat we trots kunnen zijn op het geleverde werk. We hebben, dankzij de getuigenissen, een goed beeld van hoe Brussel is moeten omgaan met deze pandemie.
Er was weliswaar een kleine dynamiek van oppositie versus meerderheid, maar door de band waren alle commissieleden kritisch én constructief. We zien dat ook bij de aanbevelingen. De vaststellingen zijn kamerbreed gedeeld, de aanbevelingen zullen we wellicht, meerderheid en oppositie, samen kunnen goedkeuren.
Tot slot zag je ook het effect van de decumul. Haast iedereen zat er voltijds, met zijn eigen expertise, en met een visie op heel Brussel, en niet: ik moet hier opkomen voor mijn eigen gemeente. En wie dat toch nog deed – een aantal burgemeesters zitten nog steeds in het parlement – sprong meteen uit de band.

Juan Benjumea Moreno (Groen), rapporteur van de Bijzondere coronacommissie in het Brussels parlement

Het was wel vreemd om te zien hoe de commissie zich boog over de eerste golf, terwijl de tweede golf van de epidemie al volop aan het woeden was. Was dat geen nadeel?
Benjumea: Neen, want we hebben het werk opgesplitst. Er is ook de hele tijd een commissie Gezondheid die de huidige crisis volgt. En er was een kruisbestuiving, tussen wat we leerden uit de eerste golf en hoe we ermee aan de slag moesten in de tweede golf.
Zo konden we bijsturen. Een voorbeeld: in de eerste golf had een aantal gemeenten een eigen mondmaskerbeleid. Dat was heel onleesbaar voor de burger. In de zomer is er dan een regel gekomen voor héél Brussel. We zijn daar verder op doorgegaan: één gewestelijk beleid werkt gewoon beter.

Jullie hebben nu 183 aanbevelingen klaar. Hoe moeilijk is het om die op te stellen in de wetenschap dat een volgende pandemie misschien pas over dertig jaar zal plaatsgrijpen?
Benjumea: Er moet hoe dan ook een pandemieplan komen, zodat we weten op welke knopjes we moeten drukken en niet ter plekke moeten improviseren.
Ik trek zelf drie grote lessen uit de eerste golf. We hebben toen vooral brandjes geblust. Wat we nu moeten doen, is het huis brandveilig maken en zorgen voor voldoende brandweer. En, heel belangrijk, er is eenheid van commando nodig.
Twee, om in de beeldspraak verder te gaan: er is een brandladder nodig om kwetsbare groepen eruit te halen. Dat waren deze crisis vooral de ouderen, maar een andere ramp kan dan weer vooral jongeren treffen. Het is belangrijk dat die groepen snel bepaald worden.
Tot slot moeten we meer rekening houden met de sociale impact van de crisis. Tuincentra openen, en tegelijk de sportcentra dicht houden, dat hebben heel veel jongeren niet begrepen.

Juan Benjumea Moreno (Groen), rapporteur van de Bijzondere coronacommissie in het Brussels parlement
© Bart Dewaele
| Juan Benjumea Moreno: "In de eerste golf had een aantal gemeenten een eigen mondmaskerbeleid. Dat was heel onleesbaar voor de burger. In de zomer is er dan een regel gekomen voor héél Brussel. We zijn daar verder op doorgegaan: één gewestelijk beleid werkt gewoon beter."

Een van de zwakke punten in deze pandemie is het Brusselse veiligheidsbeleid gebleken. Het samenspel tussen het federale niveau, het Gewest, de politiezones en de lokale besturen liep geregeld mank. Is hier nieuw wetgevend werk nodig?
Benjumea: We stellen inderdaad vast dat de laatste staatshervorming die de vrucht was van compromissen in kastelen, er misschien op papier wel goed uitzag, maar in de praktijk voor geen meter uit te voeren was. Eenheid van commando is cruciaal.
Als we terugkijken naar de crisis, dan zien we dat dat besef er pas laat is gekomen. Geleidelijk aan hebben we gezien hoe de federale overheid de lead nam, en hoe het Gewest, en vervolgens de lokale besturen zich daarop aansloten. Die articulatie werkt en we moeten zien hoe we die in een wet kunnen gieten, zodat er geen discussie meer mogelijk is bij een volgende crisis.
Dat is iets wat Brussel niet alleen kan doen. Daarvoor moet met de andere deelstaten worden samengewerkt. Er is dus nood aan een interfederale dialoog. Dat kan iets voor de Senaat zijn en uitmonden in een zevende, en wat mij betreft, laatste staatshervorming.

Wat ik niet lees in de aanbevelingen, maar wat wel een van de vaststellingen was in deze crisis is het grote verschil in hoe de Brusselse rusthuizen de crisis hebben aangepakt. De governance van sommige rusthuizen was écht zwak, met alle gevolgen van dien. Hoe kan Brussel hier wat aan doen?
Benjumea: Door het zorgagentschap Iriscare te versterken. Iriscare moet nog meer een sterke centrale instelling worden, die, met de voeten op de grond, de Brusselse rusthuissector overziet en zo nodig begeleidt en bijstuurt.

Juan Benjumea Moreno (Groen), rapporteur van de Bijzondere coronacommissie in het Brussels parlement
© Bart Dewaele
| Juan Benjumea Moreno.

Iriscare kreeg uiteindelijk wel veel lof toegezwaaid over de aanpak van de crisis. Een contrast met minister van Gezondheid Alain Maron (Ecolo) die beschadigd uit deze crisis lijkt te komen.
Benjumea: (Stil) Heel eerlijk? Iedereen is heel scherp geweest voor Maron. In oppositie en meerderheid. Dat is goed. Het is de rol van het parlement om de minister aan de tand te voelen. Alain Maron heeft dat ook aanvaard, en als er fouten zijn gemaakt, heeft hij zich daar ook voor geëxcuseerd. Ik ben zelf ook heel kritisch geweest voor minister-­president Rudi Vervoort (PS), bijvoorbeeld toen de regels niet geharmoniseerd werden in Brussel.
Maar als het goed is, moet het parlement dat ook kunnen toegeven. De test- en tracingcapaciteit was in het begin inderdaad ondermaats, maar is daarna verviervoudigd. De daklozenopvang is verdubbeld. Voor de vaccinatie staat Brussel klaar.

De droge aanbevelingen staan in schril contrast met de bijwijlen emotionele getuigenissen die we in de commissie konden horen. Riskeer je niet dat de gezondheidssector in Brussel zegt: is dat nu het magere antwoord op een crisis die door merg en been ging?
Benjumea: Er komt een rapport van meer dan vierhonderd pagina's die de getuigenissen integraal weergeven, hoorzitting per hoorzitting. Dat is een blijvend document waar we altijd naar kunnen teruggrijpen en dat ervoor zorgt dat we niet vergeten wat er allemaal gebeurd is.

Elke crisis is een kans. Is de tijd niet rijp om met een geïntegreerd gezondheids- en welzijnsbeleid te komen voor Brussel?
Benjumea: Twee zaken zijn nodig. Binnen Brussel moet de samenwerking veel beter. Op ons klein grondgebied zijn vijf 'deelstaten' actief op het vlak van gezondheid: de drie gemeenschappen, de VGC en Cocof. En dan nog eens de federale overheid erbovenop. Nergens anders in ons land is het zo complex. We zijn wat de pineut van de federale structuur. Een crisis kan je niet bestrijden met zes instellingen in gespreide slagorde. Dat is nochtans wat we soms gezien hebben.
Dus de eerste oplossing is samenwerken. Dat kan met een geïntegreerd gezondheidsplan dat in opmaak is, en waarbij iedereen betrokken is.
Maar natuurlijk zijn er limieten aan die samenwerking. Daarom moet er een oefening komen waarbij de bevoegdheden homogeen worden gemaakt. Waarbij de federale overheid zich bijvoorbeeld weer met de preventie kan bezighouden. Met een beleid dat dan door de deelstaten of lokale besturen kan worden uitgerold.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?