interview

Flying Horseman herontdekt zijn eigenheid

© Saskia Vanderstichele
| Flying Horseman, van links naar rechts: zanger en liedjesschrijver Bert Dockx en zijn onderkapiteins Mattias Cré, Alfredo Bravo, Martha en Loesje Maieu

“Een jaar geleden leek het nog alsof Flying Horseman niet zou blijven voortbestaan,” bekent frontman Bert Dockx. Door de andere bandleden meer vrijheid te geven, is zowel de spanning bij als de eigenheid van het Antwerpse rock noir-gezelschap toegenomen.

De deur staat op een kier op de cover van Rooms/Ruins, het uitstekende nieuwe album van Flying Horseman. Erachter lonkt een zwart gat. “Het onbekende,” zegt zanger en liedjesschrijver Bert Dockx. “Deuren zijn sowieso de max. Er is altijd die spanning van wat komen gaat, en de twijfel of je naar binnen durft te gaan. Als filmliefhebber stel ik vast dat ook regisseurs zoals David Lynch en Robert Bresson er dankbaar gebruik van maken, omdat een deur direct een hoop associaties oproept, bewuste én onbewuste.”

Maar eigenlijk is er allemaal niet zo hard over nagedacht. Dockx zag het sobere hoesontwerp vooral zitten omdat het qua kleur en stijl geen enkel houvast bood over wat je kon verwachten van de muziek. “Het is alsof je er naakt aan overgeleverd wordt,” vervolgt hij. “Zo kon het makkelijker contrasteren met de vele kleuren van de muziek.” En die zijn er anno 2018 in overvloed, want de impact die bassist Mattias Cré, drummer Alfredo Bravo en de synth spelende backing vocalisten Martha en Loesje Maieu hebben op het eindresultaat, is groter dan ooit.

Dat komt deels door een residentie in deSingel, waar gezamenlijke jams (toen ook nog met multi-instrumentalist Milan Warmoeskerken, die onlangs uit de groep stapte om zich toe te leggen op eigen projecten, tp) leidden tot het fundament van Rooms/Ruins, maar misschien nog meer door een andere ingesteldheid. Zag Dockx het moederschip Flying Horseman bij de oprichting in 2008 vooral als een verlengstuk van zichzelf, dan kan hij nu zijn ei ook kwijt via onder andere Dans Dans en Strand, en hebben de matrozen van het moederschip zich langzaam opgewerkt tot onderkapiteins.

Een opener samenwerkingsmodel, met meer input van de andere bandleden, komt de variatie op jullie vijfde studioalbum ten goede. Vroeger was het anders?
Bert Dockx: Ja, in het begin had ik de band veel strakker in de hand. Ik had een stilistisch kader in mijn hoofd waar iedereen zich aan moest houden. Intussen ben ik erachter gekomen dat door de andere muzikanten meer vertrouwen en vrijheid te geven Flying Horseman ook meer eigenheid kreeg. Vroeger blokte ik dingen af omdat ze gewoon mijn smaak niet waren, terwijl ik daar nu veel minder mee bezig ben. Dat creëert een andere onderlinge relatie.

Spanning is er altijd geweest, maar deze plaat was de moeilijkste die ik ooit heb gemaakt. Meer vrijheid geven aan je muzikanten wil immers niet zeggen dat alles vanzelf gaat. Integendeel. Soms leek het bijna onmogelijk om nog samen te werken. Een jaar geleden was de miscommunicatie zo groot dat ik dacht dat de groep misschien niet zou blijven voortbestaan. Doordat de bijdrage van iedere afzonderlijke muzikant belangrijker werd, kregen ze ook meer de neiging om hun terrein te gaan uitbreiden.

En muzikaal protectionisme leidt tot spanningen?
Dockx: Ja, want er is meer ego mee gemoeid, net zoals bij een koppel of in een familierelatie. Hoe de stemming van slecht naar supergoed kan gaan, is typisch voor dergelijke langetermijnrelaties. Sociaal gezien is een band over een lange periode draaiende houden een heel complex gegeven, omdat je net zoals in elke andere menselijke relatie alles met je meedraagt, de goede en de slechte dingen. Vergelijk het met een liefdesrelatie waarin je het ene moment goeie seks hebt en even later ruzie aan het maken bent.

Het is niet omdat er één ding goed werkt dat alles vlot verloopt. Elke fout die je ooit gemaakt hebt, elk conflict dat ooit de kop opstak, neem je mee. Hoe langer de groep bestaat, hoe moeilijker het dus wordt. Zeker als er veel sterke persoonlijkheden, verschillende meningen en smaken aanwezig zijn. Het is geen toeval dat de interessantste bands uit de popgeschiedenis niet lang bestaan in hun originele bezetting. Ze drijven op een spanning die elk moment te veel kan worden.

Straks staat gitarist Clément Nourry in jullie voorprogramma. Hij is een van de muzikanten die je leerde kennen tijdens je Brusselse periode. Was je verhuizing naar de hoofdstad belangrijk voor je zelfvertrouwen?
Dockx: Veel meer dan dat. Ik ben er echt opengebloeid als muzikant. Tijdens mijn jeugd in Antwerpen was ik een eenzaat. Ik had eigenlijjk maar twee goede vrienden met wie ik films ging bekijken of jointjes rookte op de kaai. Ik kende ook geen andere muzikanten. Dat veranderde een beetje toen ik op de Jazz Studio zat, maar vooral toen ik door een speling van het lot in Brussel terechtkwam. Ik was te laat voor mijn toelatingsproef aan het conservatorium in Antwerpen, maar iemand zei me dat er een dag later ook proeven waren in Brussel…

De stad gaf me energie en ademruimte. Ik kwam er verwante geesten tegen, zoals Clément of de Griekse saxofonist Ilan Manouach. Vooral de spontane jams in de F-Sharp zijn me bijgebleven. Dat restaurant werd één avond per week omgebouwd tot een jazzclub waar volop geïmproviseerd mocht worden. Pas onlangs besefte ik dat die plek, waarop muzikanten uit alle windstreken elkaar ontmoetten, zo speciaal was. Zopas heb ik trouwens opnieuw aansluiting gezocht met die scene door een jazzgroep te beginnen met een aantal muzikanten die ik toen heb leren kennen.

Destijds deed een job bij een Antwerps theaterhuis je terugkeren naar je geboortestad, waar Flying Horseman vervolgens is ontstaan. Zou je toen tevreden zijn geweest met wat de band nu geworden is?
Dockx:
Sowieso. Ik vind het fantastisch dat we volharden en dat het nu zo goed gaat. We krijgen ook alleen maar fijne recensies, nu zelfs in Engelse bladen. Het voelt alsof het feit dat we een echte band zijn geworden ruimte in mijn hoofd heeft gecreëerd. Vroeger was Flying Horseman een uitlaatklep voor mijn diepste zielenroerselen, nu staan er zelfs nummers op de nieuwe plaat die ontstonden op jams waar ik niet bij aanwezig was.

Door de gezamenlijke residentie in deSingel ben ik ook rauwere, emotioneel meer directe teksten gaan schrijven. Het is allemaal wat minder claustrofobisch, navelstaarderig en negatief. Flying Horseman klinkt nog steeds niet vrolijk, maar er is meer kleur én licht. Ik ben natuurlijk ook een socialere mens geworden die meer van de wereld gezien heeft. Die maturiteit weerspiegelt zich in de muziek.

> Flying Horseman. 15/3, 20u. Ancienne Belgique

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.