5 jaar na de aanslagen

Oorlogsjournaliste en arts: 'Veel slachtoffers zitten nog met een groot trauma'

Arbeidsarts Tine Gregoor (links) en oorlogsjournaliste Joanie de Rijke brengen de verhalen van slachtoffers van 22 maart 2016 samen in een boek.© Bart Dewaele

Als een hommage, maar ook om begrip te vragen voor de opgelopen trauma's, brengen oorlogsjournaliste Joanie de Rijke en arbeidsarts Tine Gregoor de verhalen van slachtoffers van 22 maart 2016 samen in een boek. En zo vertellen ze ook hun eigen verhaal, want Gregoor besliste meteen om de slachtoffers mee te verzorgen. Voor De Rijke kwamen herinneringen terug aan wat ze zelf meemaakte op reportage in Libië. “De eenzaamheid van veel slachtoffers is een van de meest trieste bevindingen.”

Wie zijn Joanie de Rijke en Tine Gregoor?

Joanie de Rijke

  • Geboren in 1965 in Dordrecht
  • Is (oorlogs)journaliste voor onder meer Knack
  • Woont vandaag in Wevelgem

Tine Gregoor

  • Geboren in 1984 in Bilzen
  • Is preventiearts bij Kind & Gezin en arbeidsarts bij groep Idewe
  • Woont vandaag in Schaarbeek

Dinsdag 22 maart 2016. De lobby van het Thon Hotel in de Wetstraat wordt in een mum van tijd omgebouwd tot veldhospitaal. Iets verderop is het noodlot immers toegeslagen in metrostation Maalbeek. Tientallen slachtoffers stromen toe en krijgen in ijltempo de eerste hulp toegediend.

In dezelfde lobby vindt vijf jaar later ons gesprek plaats. Iets vroeger dan verwacht: Joanie de Rijke staat immers op het punt naar Syrië te trekken. Als oorlogsjournaliste volgt ze de ontwikkelingen rond terreurgroep IS al jaren nauwgezet op. Eind 2016 verliest ze op reportage in Libië tijdens een aanval een goede vriend en fotograaf. Zeven dagen lang moet ze zijn lichaam vervoeren. Wanneer ze enkele weken later arbeidsarts Tine Gregoor zal interviewen over haar betrokkenheid bij de aanslagen van 22 maart, komen de herinneringen en het leed boven. Ze blijkt echter niet de enige met een trauma.

20210317 1745 bommen in brussel Thon Hotel
© Photonews
| Bij de aanslagen werd het Thon Hotel omgebouwd tot een veldhospitaal.

Op de ochtend van de aanslagen bevindt de toen 32-jarige arts zich immers op slechts twee huizenblokken van metrostation Maalbeek. Ze beslist om te helpen, want geen enkele arts met dezelfde kennis en kunde zou zo snel ter plekke kunnen zijn. Later zal ze toegeven dat ze nog nooit zulke vreselijke wonden had gezien. Tijdens het interview datzelfde jaar delen beide vrouwen hun verdriet en huilen ze om hun eigen pijn. Het gedeelde trauma zou vijf jaar later leiden tot Bommen in Brussel.

Iedereen herinnert zich waar hij of zij was op het moment van de aanslagen in Brussel. Waar waren jullie?
Tine Gregoor: Ik was mijn tanden aan het poetsen toen mijn vriend binnenkwam en vertelde dat er een aanslag was gepleegd op Brussels Airport. Ik had die dag een afspraak bij de dokter en mijn vriend vroeg me om hem af te zetten bij zijn klant in de Europese wijk. In de wagen vernamen we plots dat er ook een bomaanslag was gebeurd in Maalbeek. Ik vroeg mijn vriend om me er zo dichtbij mogelijk af te zetten, zodat ik kon helpen. Als arts zit dat ingebakken.

Joanie de Rijke: Ik was op dat moment thuis in Brugge. Als journalist heb je meteen de reflex ernaartoe te willen, maar alles was afgesloten. Ik volgde IS op dat moment in Irak, Syrië en Libië op. Ik sprak er met burgers en voelde wat terreur betekende. Maar als het hier in je achtertuin gebeurt, is het nog anders. Na de aanslagen in Parijs verwachtten veel mensen wel dat er iets zou gebeuren. Maar als het dan gebeurt, is het toch een grote schok.

Oorlogsjournaliste Joanie de Rijke (links) en arbeidsarts Tine Gregoor brengen de verhalen van slachtoffers van 22 maart 2016 samen in een boek
© Bart Dewaele
| Tine Gregoor (rechts) besliste meteen om de slachtoffers mee te verzorgen. Voor De Rijke (links) kwamen herinneringen terug aan wat ze zelf meemaakte op reportage in Libië.

Hoe hebben jullie die dag beleefd?
Gregoor: Ik was heel bang op dat moment, mijn hart bonkte door heel mijn lichaam. Ik moest denken aan de schutters bij de aanslag in de Bataclan in Parijs. Maar ik sprak mezelf moed in: de kans dat ik zou blijven leven en veel mensen zou kunnen helpen, was groter. Ik liep van de ene gewonde naar de andere, gebruikte zakdoeken en sjaals als zwachtels om wonden te stelpen. Ik herinner me de verschrikkelijke geur: een mengeling van verbrand haar en de metalige geur van bloed.

0orlogsjournaliste Joanie de Rijke

De beelden die ik me herinner zijn gevoelens geworden. Een vrouw vroeg: 'waar is mijn kindje?' en dan schoten er gedachten door mijn hoofd over waar míjn kindje op dat moment was. Ik zie het kleine mannetje nog voor me wiens schoenen gesmolten waren. Ik herinner me ook hoe ik iemand met een zware blessure aan het hoofd wilde verzorgen, maar bij wie de hoofdhuid los bleek te zitten. Ik had een scalp vast.

De Rijke: Ik heb al een aantal explosies van erg dichtbij meegemaakt. Die verlopen overal helaas op dezelfde manier. Overal heb je dezelfde vreselijke paniek, mensen zijn in shock, er zijn gewonden en doden. Er heerst verwarring. Iedereen vroeg zich af wat er nog op komst was na wat in de Bataclan was gebeurd. Het was hier op dat moment letterlijk een oorlogsgebied. 22 maart was als het ware de 9/11 van België. De angst die er toen hing: dat is waar een terreurgroep op mikt. Ze waren erin geslaagd.

Joanie de Rijke (links) en Tine Gregoor bij het metrostation Maalbeek: “Die aanslagen hebben de maatschappij wel veranderd, er is iets blijven hangen”
© Bart Dewaele
| Joanie de Rijke (links) en Tine Gregoor bij het metrostation Maalbeek: “Die aanslagen hebben de maatschappij wel veranderd, er is iets blijven hangen.”

Een van de getroffenen met wie jullie spraken, stelt dat de regeling voor slachtoffers aan alle kanten rammelt, en dat de betrokkenen vijf jaar later steeds bozer worden. Waaraan ligt dat?
De Rijke: Een van de weinige helden in dit verhaal – naast natuurlijk alle hulpverleners – is Olivier Lauwers van de dienst Slachtofferhulp van de FOD Justitie. Hij sprak met honderden slachtoffers en kent iedereen. Hij vertelt dat de erkenning, het feit dat ze als slachtoffer serieus worden genomen, heel belangrijk is. Er zijn in België hier en daar wel een aantal kleinere initiatieven genomen, maar voor de slachtoffers en de hulpverleners zou het heel wat betekenen indien de overheid ook een grotere ceremonie zou houden.

De nood aan erkenning is erg groot. Veel mensen zitten nog steeds met een groot trauma. Pas als je met hen begint te spreken, hoor je hoe diep dat trauma zit. Dan komen de boosheid of het verdriet er helemaal uit. In het begin is er nog veel media-aandacht, maar na vijf jaar sta je er alleen voor en moet je zelf leven met je wonden. De eenzaamheid van heel wat slachtoffers was een van de meest trieste bevindingen. Die erkenning op verschillende domeinen is bijgevolg niet enkel belangrijk, maar ook iets heel emotioneels.

Gregoor: Er zijn wel wat initiatieven, maar er waren ook erg veel slachtoffers. Het moeilijke hier was dat het een open ramp betrof. Als er een busongeval gebeurt, weten we wie er op die bus zat. Maar als er een bom ontploft, is de reflex vluchten. Veel mensen zijn weggelopen en niemand heeft een overzicht van wie erbij betrokken was. Ook van hulpverleners zoals ik die spontaan zijn komen helpen, heeft men weinig kennis. Daarom zijn herdenkingen zo van belang. Ze zijn helend en leiden tot erkenning.

In jullie boek besteden jullie ook veel aandacht aan het trauma dat mensen opliepen. Is dat vandaag nog steeds voelbaar?
Gregoor: Voor de slachtoffers was het belangrijk dat mensen begrijpen hoe trauma werkt. Mensen begrijpen het immers niet als iemand na tien jaar plots uitvalt, maar een trauma uit zich op veel verschillende manieren en op uiteenlopende momenten. Sommigen worden heel ziek. Zo hebben we weet van iemand die een hartaanval kreeg, terwijl bij iemand anders de stresshormonen dan weer tot psoriasis leidden. Andere mensen geven dan weer aan dat ze afstand willen nemen van wat gebeurd is.

Oorlogsjournaliste Joanie de Rijke (links) en arbeidsarts Tine Gregoor brengen de verhalen van slachtoffers van 22 maart 2016 samen in een boek
© Bart Dewaele
| Op de ochtend van de aanslagen bevond Tine Gregoor (rechts op de foto) zich op slechts twee huizenblokken van metrostation Maalbeek. Ze beslist om te helpen, want geen enkele arts met dezelfde kennis en kunde zou zo snel ter plekke kunnen zijn. Later zal ze toegeven dat ze nog nooit zulke vreselijke wonden had gezien.

De Rijke: De posttraumatische stressstoornis (PTSS) was bij ons vooral bekend vanuit het leger. België had immers nog nooit zo'n ramp als de aanslagen meegemaakt. Een aantal slachtofferverenigingen is in het buitenland gaan kijken hoe ze er daar mee omgaan. Enkele mensen in ons boek pleiten dan ook voor de oprichting van een traumacentrum in België.
Wat ook opviel, is dat met name bij een aantal verzekeringsmaatschappijen een gebrek aan kennis heerste. De mensen daar hebben ongetwijfeld hun best gedaan, maar je hoort van slachtoffers dat ze er geen weg mee wisten. De slachtoffers moesten keer op keer hun verhaal vertellen, terwijl er amper iets mee gebeurde, een erg traumatiserend gegeven. De expertise stond gewoon niet op punt.

Ook mensen die niet in de eerste lijn betrokken waren bij de aanslagen, geven soms aan bij zichzelf signalen van PTSS te ontdekken. Welk effect hebben de aanslagen op de bredere maatschappij gehad?
De Rijke: Het bredere maatschappelijke trauma is in dit geval de angst die werd veroorzaakt. Men vertelde ons dat de patiënten op psychiatrische afdelingen in ziekenhuizen het nieuws voorbij zagen komen, en daar heel fel op reageerden. Ze hadden er erg last van.

Gregoor: Er waren ook veel meer aanmeldingen met psychische klachten. Mensen die al een bepaalde gevoeligheid hadden, of al een trauma opliepen in het verleden – er is immers zoveel trauma aanwezig in de samenleving – waren nu ook veel kwetsbaarder voor wat gebeurde. De aanslagen waren in dat opzicht soms ook een trigger voor iets wat al langer sluimerde.

Tine Gregoor, preventiearts bij Kind & Gezin en arbeidsarts bij groep Idewe

Uit jullie boek blijkt ook dat een aantal slachtoffers zijn of haar leven na de aanslagen een volledig nieuwe wending gaf. Sommige mensen zeggen ook dat ze sindsdien minder angst voor de dood hebben.
De Rijke: Je wordt op zo'n moment zodanig geconfronteerd met leven en dood, en met het besef dat het leven eindig is, dat een aantal mensen inderdaad een nieuwe wending aan het leven geeft. Mensen beseffen plots wat belangrijk is in het leven en veranderen van werk of beëindigen hun relatie. Dat geldt ook voor jou, Tine, jij bent toch ook van job veranderd?

Gregoor: Klopt. Daarnaast is het ook soms van moeten. Voor Molenbekenaar Mohamed El Bachiri, de metrobestuurder die zijn vrouw Loubna bij de bomaanslag in de metro verloor, was opnieuw werken als metrochauffeur ondenkbaar. Ook voor Cindy Bulinckx is werken als metrobestuurder niet langer mogelijk. Zij bestuurde de metro die in tegenovergestelde richting reed van het metrostel dat ontplofte. Ze zag de ontploffing en de chaos nadien vlak voor haar ogen gebeuren.

Na de aanslagen kreeg België heel wat kritiek te verteren. Terreurexpert Thomas Renard zegt in jullie boek dat die kritiek te hard was.
De Rijke: Er was inderdaad heel wat kritiek en een van de bevindingen van de parlementaire onderzoekscommissie was ook dat de samenwerking tussen de inlichtingendiensten en de veiligheidsdiensten niet goed was. Of de aanslagen voorkomen hadden kunnen worden, weet niemand. We mogen niet vergeten dat België met een tekort aan middelen en mensen op die diensten kampt. En ook in Groot-Brittannië, waar ze kunnen rekenen op MI5, een waanzinnig goede veiligheidsdienst, zijn er aanslagen gebeurd.

Jullie behandelen in jullie boek ook de vraag waar België staat vijf jaar na de aanslagen. Hoe veilig is de situatie vandaag?
De Rijke: Ik heb die vraag gesteld aan Ine Van Wymersch, procureur des Konings van het parket Halle-Vilvoorde, en dus bevoegd voor de veiligheid van de luchthaven. Er zijn lessen getrokken uit het verleden en er zijn aanpassingen geweest. Maar meer kan ze er niet over kwijt. Ze wil criminelen immers niet op ideeën brengen. Daarnaast werd ons verteld dat in het algemeen de communicatie verbeterd is. Men zou vandaag korter op de bal kunnen spelen.

Gregoor: Maar de vraag is natuurlijk hoe ver je daarin kan gaan. Je kan een land niet honderd procent veilig maken. Er moet maar één iemand het in zijn hoofd krijgen een keukenmes op te nemen, en je krijgt terreur.

De Rijke: Veiligheidsdiensten kunnen vandaag niet op hun lauweren rusten. Het extreme gedachtegoed bestaat nog steeds, al zijn er geen grote aanslagen meer gebeurd sinds IS officieel werd verslagen. Maar die aanslagen hebben de maatschappij wel veranderd, er is iets blijven hangen. We zijn er ons scherper van bewust. Voordien kon je je geen kerstmarkt voorstellen met betonblokken.

1755 Bommen in Brussel boek
© Vrijdag
| Bommen in Brussel van Joanie de Rijke & Tine Gregoor, Uitgeverij Vrijdag, 20,99 euro.

Hoe veerkrachtig was Brussel na de aanslagen?
De Rijke: De Belgen reageerden heel integer en niet hysterisch. Daar had ik echt bewondering voor. Ze hadden iets van 'stelletje stomme terroristen, jullie denken toch niet dat we hierdoor thuis zullen blijven?' Ook Brussel toonde zich erg veerkrachtig. Zeker Sint-Jans-Molenbeek werd op dat moment door de hele wereld afgekraakt. Woon er dan maar eens, in de zogenaamde hellhole van de wereld.

Gregoor: Mensen zijn ook niet zo heel lang weggebleven uit Brussel. Ook in dit hotel kwamen de boekingen na een poosje opnieuw vlot binnen. Er zijn natuurlijk nog veel problemen in de stad, maar veel heeft te maken met armoede. Er zijn na de aanslagen veel mooie, lokale initiatieven genomen. Hopelijk kunnen die zoveel mogelijk mensen bereiken.

5 jaar na de aanslagen

Op 22 maart is het vijf jaar geleden dat ons land werd opgeschrikt door aanslagen in de vertrekhal van Brussels Airport en in metrostation Maalbeek.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?