interview

Halflege kantoren en dolende mensen in kille Noordwijk

De kille kantoren van de Noordwijk.© Saskia Vanderstichele

Met zijn kille, halflege kantoren en zijn dolende mensen is de Noordwijk vandaag de antipool van een aantrekkelijke wijk. Ontwikkelaars beloven beterschap met woningen en andere functies, maar die zullen waarschijnlijk niet voor iedereen bedoeld zijn, vrezen socioloog Mathieu Berger en architect-stedenbouwkundige Benoît Moritz.

Hoe bouwen we een stad waar iedereen zich thuis en welkom voelt? Het is een cruciale vraag in een diverse en gefragmenteerde stad als Brussel. Een vraag die actueel is in de Noordwijk. De kantoorcluster bij het Noordstation wacht de komende jaren een transformatie. Ontwikkelaars broeden op plannen om enkele torens om te bouwen tot multifunctionele complexen met behalve kantoren ook woningen, winkels en andere voorzieningen. In afwachting zette netwerk Lab North de wijk al op de kaart met evenementen en coworkingruimtes.

De vraag is wie zal kunnen genieten van de transformatie. In dat verband gingen we te rade bij socioloog Mathieu Berger en architect-stedenbouwkundige Benoît Moritz. Zij werken samen bij Metrolab, een laboratorium dat onderzoekers van de Université Libre de Bruxelles (ULB) en de Université Catholique de Louvain (UCL) uit verschillende disciplines verenigt.

Mathieu Berger, socioloog (Metrolab)

“Met Metrolab bestuderen we stadsprojecten die gesteund worden door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), zoals de ombouw van de Abdij van Vorst tot cultuurpool,” vertelt Mathieu Berger. “We werken samen met de projectverantwoordelijken. De onderzoekers voeden de stedelijke actoren met hun reflectie en de cases kunnen op hun beurt de reflectie voeden over belangrijke kwesties zoals stedelijke inclusie. Learning from Brussels noemen we dat. Ook buitenlandse onderzoekers tonen interesse.

We zien dat onze publicaties tot ver buiten Europa gedownload worden.”“In de plaats van eerst een project uit te denken, het dan te concretiseren en het vervolgens te gaan evalueren, doen we alles tegelijk,” aldus Benoît Moritz. “Zo ontstaat een interessante wisselwerking. We vormen gemengde teams van architecten, sociologen, geografen en stedenbouwkundigen. We doen onderzoek op het terrein, organiseren masterclasses en publieke conferenties.”

Jullie hebben net de publicatie ‘Designing Urban Inclusion’ uit, met als rode draad stedelijke inclusie. Wat verstaan jullie daaronder?
Mathieu Berger: Voor EFRO is het onderzoek naar inclusieve steden een prioriteit, maar zij vullen dit vooral kwantitatief en economisch in. Voor Europa gaat het over mensen aan het werk helpen en laten participeren aan de economie, zodat ze niet uitgesloten raken. Wij hanteren een meer kwalitatieve en ruimtelijke benadering. Stedelijke inclusie gaat om de mogelijkheid voor mensen om deel te nemen aan de stad en haar ruimte. We werken ook met het concept hospitality, gastvrijheid. Wat maakt dat je je welkom voelt op een plek?

Het is een goed thema om samen te werken. Architecten en stedenbouwkundigen werken met concepten, maar zijn ook bezig met uitvoering op het terrein. Sociologen hebben niet de reputatie dat ze met praktische oplossingen komen (lacht). Als docent sociologie probeer ik mijn steentje bij te dragen om de discipline meer praktijkgericht te maken.

Noordwijk Metrolab Benoit Moritz rechts Mathieu Berger links BRUZZ ACTUA 1642
© Saskia Vanderstichele
| Benoit Moritz (rechts) en Mathieu Berger (links) van MetroLab: het Noordstation met uitkijk op de Noordwijk.

Hebben jullie het juiste recept voor een gastvrije stad of wijk al gevonden?
Berger: In ons boek analyseren we vier sites vanuit stedenbouwkundig en sociologisch oogpunt om te kijken hoe we ze meer inclusief kunnen maken. De sites bleken al snel iets gemeenschappelijks te hebben: het zijn plekken die op zichzelf staan en min of meer zijn afgesloten van hun stedelijke omgeving. Het zijn binnenplaatsen waar activiteiten kunnen plaatsvinden en ervaringen gedeeld worden.
Benoît Moritz: Zo kwamen we tot het concept van inclusieve enclaves. De kazernes van Elsene of het slachthuis in Anderlecht bijvoorbeeld, dat zijn stukjes stad in de stad. Toegankelijk, maar tegelijk op zichzelf. Je kan er dus binnen, maar de muren errond worden niet gesloopt. Een tegenvoorbeeld is de Dailly-kazerne (in Schaarbeek, red.). De specifieke eigenheid van de binnenplaats is volledig verdwenen. Daar was het idee dat de stad absoluut binnen moest komen, op welke manier dan ook.

Benoît Moritz, architect-stedenbouwkundige (Metrolab)

Het is dus geen goed idee om alles zomaar open te gooien?
Berger: Dat is in elk geval niet de oplossing voor elke vorm van stedelijke uitsluiting. Natuurlijk klinkt de notie van inclusieve enclave als een contradictie. Het is ook een manier om provocatief uit de hoek te komen. De geldende opvatting achter veel projecten, zoals de wijkcontracten, is dat een stad die sociaal en inclusief wil zijn, zich moet openstellen. Maar dat kan de gastvrijheid van een plek soms ondermijnen. Om je ergens welkom te voelen, moet je ergens kunnen aankomen. Abattoir is hyperdivers en heel toegankelijk, maar tegelijk omheind en zelfs privé.
Moritz: We gaan in tegen het idee dat inclusief gelijk staat aan altijd open en gratis. Océade was één van de meest inclusieve plekken in Brussel, maar je moest er wel voor betalen. Andere plekken of stedelijke ervaringen zijn gratis, maar heel exclusief. Fysieke ingrepen bieden niet altijd een oplossing. Bij de renovatie van brouwerij Bellevue wilde de gemeente Molenbeek de muur slopen om het gebouw open te stellen naar de buurt, maar dat bracht problemen mee, waardoor de plek nu omheind is.

Het nieuwe museum Kanal wil graag mensen uit de kanaalbuurt aantrekken. Het biedt naast een betalende expo ook een toegankelijke binnenplaats. Een goed begin?
Berger: Er mogen in de stad enkele hermetische plekken zijn. Net zoals er plekken zijn waar een bepaalde gemeenschap zich thuis voelt, kunnen bepaalde tentoonstellingen van Kanal een plek zijn voor mensen die houden van hedendaagse conceptuele kunst. Maar er zijn andere plekken waar wel mensen met uiteenlopende profielen kunnen samenkomen. De hippodroom van Bosvoorde wordt bijvoorbeeld omgebouwd tot een recreatiepool (project Drohme, red.).Het is op dergelijke plekken dat we de mixité moeten ondersteunen. Vaak denken we dat die het best tot uiting komt in de openbare ruimte, maar die is eigenlijk slecht uitgerust om ontmoeting te creëren. Daarvoor moeten er activiteiten zijn, moeten mensen samen iets te doen hebben.

Noordwijk Metrolab 2 BRUZZ ACTUA 1642
© Saskia Vanderstichele
| "Het probleem met de Albert II-laan is dat er alleen kantoorgebouwen zijn," zegt stedenbouwkundige Benoît Moritz.

Met de leegloop van verouderde kantoren zoekt de Noordwijk naar een tweede adem. Hoe kunnen we daar werk maken van inclusieve enclaves?
Berger: Ik heb er niet meteen oplossing voor, maar ik denk wel dat we heel erg moeten opletten met de herontwikkeling van centrale kantoorwijken. In Amerika zie je, bijvoorbeeld in Los Angeles, dat intellectuele en artistieke elites er op weg naar hun atelier of loft letterlijk slalommen tussen mensen die creperen op de stoep. Toen ik dat zag, kreeg ik het koud. De young urban professionals zijn het ginder blijkbaar normaal gaan vinden dat hippe plekken kunnen ontstaan naast de grootste miserie. In Brussel zien we misschien iets gelijkaardigs met het World Trade Center.

De parallelle torens herbergen ook parallelle werelden, met in het ene gebouw heel wat jonge architecten en andere creatievelingen, en in het andere de Dienst Vreemdelingenzaken, waar migranten in de rij staan.
Moritz: Anderzijds mogen we niet vergeten dat de Noordwijk meer is dan de Albert II-laan. Rond de kantoorcluster wonen heel wat mensen en denk ik dat we wel inclusieve plekken kunnen vinden, zoals het cultureel centrum Océan Nord of de Sint-Rochuskerk, die ook als een soort buurthuis fungeert, of de sportvelden waar in het weekend tornooitjes plaatsvinden. Het probleem met de Albert II-laan is dat er alleen kantoorgebouwen zijn.

De Brusselse Noordwijk
© Saskia Vanderstichele
| De Brusselse Noordwijk.

Volstaat het om daar woningen en andere functies zoals winkels in te brengen om de wijk heruit te vinden?
Moritz: De gebouwen van de Noordwijk zijn heel specifiek door hun grootte. Ze nemen hele bouwblokken in. Bovendien keren de gebouwen langs de Albert II-laan hun rug naar de bewoonde wijken erachter. De verbindingen zijn verwoest door de kaalslag. Dat maakt het moeilijker om nieuwe dynamieken te creëren dan bijvoorbeeld in de Leopoldswijk (tussen Belliard- en Wetstraat, red.), waar de oude structuur grotendeels is behouden, met naast grote ook nog heel veel kleine percelen. Het Luxemburgplein is bijvoorbeeld helemaal veranderd door een combinatie van functies.

De kantoren zijn meestal in handen van bedrijven. Zij geven nu ruimte voor start-ups en evenementen, maar niet voor de mensen die op straat rondhangen.
Berger: De privé-investeerders zijn niet bezig met inclusie, maar met hun financiële belangen. Nochtans hebben ze er ook belang bij om de realiteit van de buurt of de bezorgdheden van de buren in hun projecten te integreren. Zo niet, dan zullen er spanningen ontstaan. Maar we mogen ook niet te veel de nadruk leggen op die torens. Er zijn andere plekken vlakbij die wel inclusief kunnen zijn en dan denk ik in de eerste plaats aan het station. We moeten erover waken dat de omgeving haar rol van stationswijk kan blijven vervullen, een aankomstwijk waar mensen terechtkunnen voor ze zich elders in de stad vestigen. De voorbije weken was de overheid vooral aanwezig via de politie. Het beleid is ingegeven door angst, terwijl men rekent op de privé om leven in de wijk te brengen. Daar heb ik mijn twijfels bij.

Zien jullie plekken waar we inspiratie kunnen uithalen voor de Noordwijk?
Moritz: Het station is inderdaad essentieel en verdient meer aandacht. Daarnaast moeten we vooral kijken naar de publieke ruimte. Ik heb weinig hoop dat de vernieuwde gebouwen voor een gemengd publiek zullen zijn. Daarom moeten we werken om de straten, pleinen en parken beter toegankelijk en inclusief te maken. Je hebt de Albert II-laan en het Maximiliaanpark, maar ook de Groendreef en het Zennepark. Die kunnen allemaal nog veel beter met elkaar verbonden worden. Het is helemaal niet vergelijkbaar, maar ik denk aan Park Spoor Noord in Antwerpen. Dat blijft voor mij een fantastisch voorbeeld een goed functionerende ruimte. Iedereen vindt er zijn gading. Er komen hipsters, maar ook scholen en andere groepen. Er zijn sportvelden waar je niet hoeft te reserveren, je kan er barbecueën … Heel laagdrempelig en inclusief.

Meer info over het onderzoekswerk van Metrolab op Metrolab.Brussels

Mathieu Berger, socioloog

  • Geboren in 1979
  • Socioloog en professor aan de UCL (IACCHOS)
  • Onderzoeker verbonden aan het Centre d’études des mouvements sociaux in l’EHESS-Paris
  • Algemeen coördinator van Metrolab Brussels
  • Auteur van verschillende artikels en boeken over stadsparticipatie en stedelijk beleid in Europa en de Verenigde Staten. ontving in 2012 de Jean Widmer International Prize, die sociologische werken beloont rond communicatie en openbare ruimte

Benoît Moritz, stedenbouwkundige

  • Geboren in 1972
  • Architect, stedenbouwkundige en hoogleraar stedenbouw aan de ULB.
  • lid van het onderzoekscentrum LOUISE (ULB) en coördinator Metrolab
  • Brussels voor de ULB
  • Medeoprichter MSA, een Brussels bureau voor architectuur en stedenbouw
  • Ontving in 2017 met MSA de Mies van der Rohe award voor een project
  • van vijf sociale woningen in Schaarbeek.
  • Organiseert sinds 2018 een master in stedelijk ontwikkelingsbeleid in Charleroi met de ULB en UMons

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?