interview

Pascal Smet: 'De roetstad ligt eindelijk achter ons'

Pascal Smet, staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Stedenbouw en Erfgoed.© Bart Dewaele

Gepokt en gemazeld in de politiek ja, maar een gelouterd man, dat is staatssecretaris voor Stedenbouw Pascal Smet (one.brussels-Vooruit) niet. Daarvoor is hij veel te ongedurig en nog altijd met de nodige Sturm und Drang op zoek naar hoe het verder moet met Brussel, zeker na de coronapandemie. “Een stad die niet groeit is een dode stad.”

Staatssecretaris Pascal Smet (one.brussels-Vooruit) zit niet stil. Ondanks corona probeert hij zoveel mogelijk internationaal de vinger aan de pols te houden als het over stedenbeleid gaat. Zoomgesprekken met de experten en beleidsmakers uit de hele wereld geven hem inzicht in hoe Brussel zich moet positioneren. “We gaan een serieus tandje moeten bijzetten in de race tussen de steden. We hebben al een hele weg afgelegd, maar er is nog meer nodig.”

En zoals dat met Pascal Smet dan gaat: de ideeën blijven komen. Dat de redding van Brussel ook weleens zou kunnen bestaan uit de sluiting van de duizenden cafetaria's in de Brusselse kantoorgebouwen, zodat de forenzen tenminste de stad in trekken voor een lunch en niet in het kantoor blijven hangen. Of dat er in Leverhouse, symbool van de Belgische kolonisatie, gelegen aan het Congresplein, een plaats zou moet komen over die donkere bladzijde uit onze geschiedenis. “Ja, de MR valt me hierover aan. De partij noemt het aankondigingspolitiek. Terwijl we hier wel degelijk serieus naar kijken. Mogen we dan al geen ideeën meer hebben? Dat ergert me mateloos. Misschien komt het omdat de MR zelf geen ideeën meer heeft.”

Pascal Smet, staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Stedenbouw en Erfgoed
© Bart Dewaele
| Pascal Smet wil de stad pandemieproof maken: “Woningen moeten terrassen en balkons krijgen. Daken moeten stadstuinen worden, ontmoetingsplaatsen.”

Wat dacht u toen u in 2019 de bevoegdheid stedenbouw kreeg?
Pascal Smet: Eindelijk! Na mobiliteit was dat voor mij the next level. Met stedenbouw werk je misschien wat meer in de luwte, maar wel op de langere termijn. Bovendien heb ik met het afleveren van de vergunning een belangrijke sleutel in handen. Het laat me toe om bouwprojecten en inrichting van de publieke ruimte permanent te verbeteren.

De identiteit van een stad wordt door drie elementen bepaald: de bewoners, de publieke ruimte en de gebouwen. Rond publieke ruimte en mobiliteit heb ik al heel wat kunnen verwezenlijken. Op het vlak van gebouwen is meer ambitie nodig. Weg van het grijze compromis. Het kan tot polemiek leiden en tot debat, maar het uiteindelijke doel moet wel een betere integratie van de gebouwen in de stad zijn.
Wat ik met Good Move heb gedaan voor mobiliteit, wil ik herhalen voor stedenbouw. Met de hervorming van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening (GSV) en het Brussels Wetboek voor de Ruimtelijke Ordening moeten we komen tot een Good Living. Dat is waar ik op het einde van de legislatuur op afgerekend mag worden.

Stedenbouw was in de Brusselse regering vroeger vooral de bevoegdheid om projecten tegen te houden. Vandaag niet meer?
Smet: Nee. Ik zit met minister Elke Van den Brandt (Groen) zeer vaak op dezelfde lijn. Maar het klopt wel voor het verleden. Met voormalig staatssecretaris Françoise Dupuis (PS) heb ik (als mobiliteitsminister, red.) heroïsche gevechten uitgevochten. Blokkeren en saboteren is niet mijn visie op stedenbouw. Ik wil juist deblokkeren en proactief zijn. Zorgen dat het vooruit gaat.

Pascal Smet, staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Stedenbouw en Erfgoed inzet

Men verwijt u weleens dat u, vanuit uw dadendrang, te veel op het terrein van de andere ministers komt. Een staatssecretaris voor Stedenbouw zou vroeger nooit aanwezig geweest zijn op een persconferentie over de nieuwe metro. U draait er uw hand niet voor om.
Smet: Wie heeft ervoor gezorgd dat die metro er komt? Ik toch, samen met (voormalig minister) Guy Vanhengel (Open VLD) en minister-president Rudi Vervoort (PS). En ten tweede: wie zal al de vergunningen afleveren? Dat ben ik ook. Natuurlijk moet ik daar aanwezig zijn.

U zegt: het moet vooruitgaan, maar u heeft de nieuwe Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening met twee jaar uitgesteld. Terwijl die al vijftien jaar oud is en dringend een update nodig heeft. Dat lijkt meer op een vertragingsmanoeuvre.
Smet: Er zijn tweeduizend opmerkingen na het openbaar onderzoek. Er is een probleem met het milieueffectenrapport. We móeten wel een nieuwe GSV maken. Dat zal zijn tijd nemen, maar dat geeft ons ook de kans om ze grondig te verbeteren. We hebben een fundamentele crisis gehad met Covid-19. Laat ons de tijd nemen om in de diepte te werken. Reculer pour mieux sauter.

Het gemeentehuis van Elsene op het Fernand Cocqplein was ooit de woning van operazangeres Maria Mailibran.
© Peter Dhondt-BRUZZ
| Pascal Smet: "Kijk ook naar het Fernand Cocqplein in Elsene. Waar het mogelijk is, leggen we groen aan."

Het doet wat denken aan de heraanleg van het Flageyplein. U kwam hier aan als minister in 2004 en maakte meteen tabula rasa met de plannen. Gevolg: twee jaar vertraging.
Smet: Perfect voorbeeld. Vandaag is het een goed plein zonder auto's. Dankzij de internationale wedstrijd die ik ervoor heb uitgeschreven. Dat was een primeur.

Minister Elke Van Den Brandt heeft wel beslist om een stuk van het Flageyplein te ontharden en te vergroenen. Het is één en al steen en slecht voor het klimaat. Misschien was het toch niet zo 'futureproof'.
Smet: Dat het één groot plein is, komt omdat de gemeente er de markt en een circus wou blijven organiseren, en de parking niet diep genoeg zit. Er is gewoon geen plaats voor grote bomen. Vandaag kan het blijkbaar wel, omdat er genetisch gemanipuleerde bomen zijn, waarbij de wortels meer horizontaal groeien.
Kijk ook naar het Fernand Cocqplein in Elsene. Waar het mogelijk is, leggen we groen aan. Anderzijds: er moet evenwicht zijn. Ik ben voor maximaal groen, maar je kan niet overal graspleinen aanleggen. We leven in een land met veel regen. Niemand gaat in een natte grasvlakte stappen. Een stad is een plek voor ontmoetingen en heeft, hoe je het ook draait of keert, minerale ruimte nodig. We moeten opletten voor te veel greenwashing.

Brussel is de laatste tien jaar jaarlijks een procent groen kwijtgespeeld, zo bleek uit een studie.
Smet: Dat gaat voornamelijk over privébebouwing. Die valt moeilijk tegen te houden. Als het terrein ingekleurd staat als bouwgrond, valt daar juridisch weinig aan te doen. Je kan onteigenen, maar dat komt met een kostprijs. Om dezelfde reden loopt de betonstop zo moeilijk in Vlaanderen.

Het Brussels Gewest heeft le Marais Wiels gekocht. Een mooi stukje natuur. Het Gewest zal er tachtig woningen bouwen. Kon dat geen moeras blijven?
Smet: Het heeft veel geld gekost. De Brusselse kas is zo goed als leeg, hé. Natuurlijk moeten er woningen komen.

U heeft het over de budgettaire gevolgen van meer groen, maar speelt dat financiële wel zo? Wil een partij als de PS niet vooral meer woningen?
Smet: Terecht. In San Francisco bijvoorbeeld is een bouwstop uitgevaardigd. Dat is een van de meest onleefbare steden geworden! De woningen zijn peperduur geworden. Alleen de hyperrijken kunnen die nog betalen. De armen liggen te creperen op straat. Dat is niet mijn stadsbeeld.

Denkt u niet dat de Brusselaar soms vindt dat het genoeg is geweest. Dat er niet nog eens 200.000 bewoners moeten bijkomen de komende tien jaar?
Smet: Laten we wel wezen: we zijn een medium-­sized city. Sint-Joost is dichtbevolkt, maar Watermaal is dat al heel wat minder. Een stad die niet groeit, is een dode stad. We moeten er ook voor uitkijken dat we niet in het egoïsme van de nimby terechtkomen. Dat er in de eigen leefomgeving niets mag veranderen. Zo maak je de stad stuk en hou je geen rekening met de toekomstige generaties, die hier ook willen wonen. Dus verdichten ja, maar op een intelligente manier.

Je zou de stad ook kunnen laten groeien door de leegstand aan te pakken.
Smet: Helemaal akkoord. Ook daar werken we aan.

We horen daar weinig over.
Smet: Als woningen leeg blijven staan, moeten we de sancties opdrijven. Ik spreek minister-president Rudi Vervoort (PS) daar geregeld over aan.

U hebt erfgoed in uw portefeuille. U beschermt met de regelmaat van de klok, maar uw visie op erfgoed kennen we niet. Hoe ziet u erfgoed, in de relatie tot de evoluerende stad?
Smet: We hebben twee grote pijlers: art nouveau en de naoorlogse architectuur. Wat de eerste pijler betreft: we hebben Barcelona te veel ruimte gegeven om zich als art-nouveaustad te profileren. We moeten die positie terugnemen. Met de hotels Hannon, Van Eetvelde, Solvay en het Hortamuseum hebben we voldoende troeven.

Voor de modernistische gebouwen stellen we een inventaris op. Daarna moet daar een publiek debat over komen: wat houden we, wat breken we af, wat passen we aan?
Kijk, erfgoed is voor mij een onderdeel van de identiteit van de stad. Veel Brusselaars koesteren dat erfgoed. Ze zijn er trots op. Dat moeten we nog meer gebruiken.

1748 Pascal Smet 01 pad
© Bart Dewaele
| Pascal Smet: "Eigenlijk heeft de pandemie niets nieuws gebracht. Het versterkt tendensen die er al waren. Kijk naar de fiets en het ander gebruik van de openbare ruimte. Daar moeten we nog ambitieuzer zijn."

Hoe zit het met de werkgroep over de dekolonisering van de openbare ruimte?
Smet: De werkgroep is bezig en zal eind dit jaar haar rapport afleveren.

Is dit geen moeilijk verhaal? Nog maar net is de Leopold II-tunnel veranderd in Annie Cordy-tunnel of het blijkt al dat Cordy zelf kolonialistische liedjes heeft gezongen in de jaren vijftig.
Smet: (Ontwijkend) Nee, dat is niet zo moeilijk. Wat wil je bereiken? Dat iedereen aanvaardt dat er grote vergissingen zijn gebeurd in de koloniale tijd. Dat dat tot de dag van vandaag nog gevolgen heeft, en dat we dat stuk Belgische geschiedenis niet mogen vergeten. Je kan contextualiseren en uitleg geven, of je kan de standbeelden bewerken, of je kan ze weghalen. En dan kan je je inderdaad ook afvragen of mensen die een misdaad hebben begaan een standbeeld verdienen. Ik wacht het advies van de experten hierover af.

Iets helemaal anders. Kent u de tweetaccount Velodossier?
Smet: U zegt?

Kwatongen beweren dat uw kabinet die tweet­account beheert. Het fietsbeleid van Groen wordt hier geregeld mee op de korrel genomen. Dat is niet zo bijzonder loyaal.
Smet: Is dat zo? Ik ben niet zo'n twitteraar.

Laatst was er kritiek op de heraanleg van de Azalealaan in Schaarbeek. Adelheid Byttebier (Groen) is er schepen van Mobiliteit.
Smet: De lokale afdeling Vooruit heeft daarop gereageerd. Die zit daar in de oppositie. Maar ik kan er zelf ook wel wat over zeggen. Die aanleg is gebeurd zonder bouwvergunning. Ik heb dat zo aan de gemeente laten weten. Er hadden ook afgescheiden fietspaden moeten komen. De gemeente loopt een grote verantwoordelijkheid als er een ongeluk gebeurt.
(Op dreef) Ik weet waarover ik spreek. Ik heb tien jaar lang fietspaden aangelegd. Neem nu dat nieuwe fietspad in de Paleizenstraat in Schaarbeek. Daar heb ik voor gevochten. Dat wordt te snel vergeten.

Is dat niet het lot van elke Brusselse minister dat zijn of haar opvolger de vruchten plukt van het vorige beleid?
Smet: Ik vind dat in een democratie fundamenteel oneerlijk. Als het misloopt, krijgt de vorige minister de volle laag. Als het goed is, zou dat ook gevaloriseerd moeten worden. Het draait om erkentelijkheid. Ik heb ook mijn voorgangers in de schijnwerpers gezet als ze goed werk hebben geleverd. Dat is een zaak van politieke hygiëne.

Is die er te weinig?
Smet: Als je in een politieke coalitie zit, moet je samen vooruit willen, en niet proberen elkaars vliegen af te vangen. Dat is oude politieke cultuur.

Nog even terug naar het pandemieproof maken van de stad. Hoe wil u dat doen?
Smet: Heel veel mensen zijn tijdens de lockdown op hun dak gekropen om buiten te kunnen zijn. Dat zegt alles. Woningen moeten terrassen en balkons krijgen. Dat wordt een belangrijk punt in de GSV. Daken moeten stadstuinen worden, ontmoetingsplaatsen. We lopen in vergelijking met andere steden erg achter met het aantal rooftops.

Na de eerste golf was er een moment dat velen dachten: de stad heeft afgedaan. Dit komt niet meer goed. Het platteland is het walhalla. Dat is vandaag gelukkig wat minder, maar heeft de stad desondanks toch geen knauw gekregen?
Smet: Neen. Integendeel. Als de pandemie een zaak heeft aangetoond, is het dat mensen elkaar willen ontmoeten. Dat we sociale wezens zijn, die behoefte hebben aan bars en restaurants. Die vind je nu eenmaal in de stad. Dat wil niet zeggen dat ik neerkijk op mensen die niet in de stad willen wonen. Dat kan perfect. En je houding kan ook tijdens je leven veranderen. Het is geen waardeoordeel.
Wat wel zal veranderen door corona is de monofunctionele wijk. Met alleen kantoren. Dat soort wijk behoort definitief tot het verleden.

April 2021: de gevel van de Sint-Katelijnekerk aan de kant van de Vismarkt wordt gereinigd
© Peter Dhondt-BRUZZ
| Pascal Smet: "Toen ik hier kwam wonen, waren de gebouwen zwart. Nu zijn we de gevel van de Sint-Katelijnekerk aan het poetsen. Het laatste restant van de roetstad wordt weggewerkt. Mooi toch?"

Is dat geen eufemisme om te zeggen: de kantoormarkt zal het na corona heel moeilijk krijgen?
Smet: Ook dat is te snel gezegd. We zullen meer van thuis uit werken, maar dat zal beperkt zijn. En dus gaan we naar kantoren met meer collectieve ruimtes, waar de kwaliteitseisen hoger zullen zijn.

Proximus trekt wel weg uit de Noordwijk. Er komen zo twee grote kantoortorens leeg te staan. Dreigt dat geen zaak van leegstand en speculatie te worden?
Smet: We zijn al naar Proximus gestapt. Ze kennen de krijtlijnen, alvorens ze verkopen. Ze weten hoe we de toekomst van de torens zien. Er mogen nog kantoren blijven, maar er zullen ook woningen moeten komen in de torens en collectieve voorzieningen. Waar we trouwens absoluut vanaf moeten zijn cafetaria's.

Hoe bedoelt u?
Smet: Ja. Cafetaria's zijn een concept van de jaren vijftig. Elk kantoorgebouw moest er een hebben. Dat is het meest antistedelijke wat je kan doen. Vanuit de goeie Belgische traditie: 'we mogen de plattelandsmensen niet in contact brengen met de gevaarlijke stedelingen', heeft men het concept cafetaria bedacht. Zodat de forenzen binnen blijven. Dat moet anders. De mensen moeten juist de stad ingaan. Om te gaan lunchen, en na het werk.

Eigenlijk heeft de pandemie niets nieuws gebracht. Het versterkt tendensen die er al waren. Kijk naar de fiets en het ander gebruik van de openbare ruimte. Daar moeten we nog ambitieuzer zijn. Het regeerakkoord zegt dat we 60.000 bovengrondse parkeerplaatsen zullen schrappen. Daar kijk ik naar uit.

Ook in de citymarketing heeft corona de bestaande tendensen versterkt. Op een van mijn weinige buitenlandse missies heb ik gemerkt dat Brussel te weinig bekend is. We moeten Brussel beter positioneren. Samen met Sven Gatz (Open VLD) en Rudi Vervoort (PS) werken we daaraan. Dat is niet in een-twee-drie gefikst. Zeker in de armoede en ongelijkheid is er nog veel werk aan de winkel. Het gebrek aan opleiding van jongeren hypothekeert de stad.

Ik ben niet zo pessimistisch, hoor. Vergelijk Brussel eens met de stad van twintig jaar geleden, een wereld van verschil. In de publieke ruimte, in de beleving, in het uitzicht van de gebouwen. Toen ik hier kwam wonen, waren de gebouwen zwart. Nu zijn we de gevel van de Sint-Katelijnekerk aan het poetsen. Het laatste restant van de roetstad wordt weggewerkt. Mooi toch?

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?