reportage

Parking 58 geeft geheimen prijs: op zoek naar de ontstaansgeschiedenis van Brussel

© Saskia Vanderstichele

De sloop van het mastodontgebouw Parking 58 legde de bedding van de voormalige Zennehaven bloot. In 2019 dook een legertje archeologen en natuurwetenschappers onder massale publieksbelangstelling zes maanden lang de bouwput in. Ze stootten er op een archeologisch walhalla. Maar hoe ver staat het anderhalf jaar later met de ontsluiting van de vondsten en geeft deze oerplek van Brussel al geheimen prijs?

In het laboratorium van Urban.Brussels op de Kunstberg haalt archeoloog Jef Pinceel behoedzaam een staaf aarde met kiezelstenen en mosselschelpen uit een zak. “Op röntgenfoto”s zien we dat onder deze laag een klotendolk zit,” lacht hij. “Een mes dus, waarvan het gevest met twee teelballen lijkt op een fallus. Dat was een gebruiksvoorwerp dat veel burgers in de vijftiende eeuw op zich droegen.”

De aarden klomp illustreert het titanenwerk. Elk gevonden voorwerp moet worden proper gemaakt, genummerd, gedateerd en zo nodig gerestaureerd. Veel organisch materiaal, zoals hout en textiel, is nog doordrongen van water en wordt in koelkasten en waterbakken bewaard. “Als we het zo zouden laten opdrogen, dan verschrompelt de materie in enkele uren tijd. Eerst moeten we het vocht in de cellen door een soort van was vervangen,” duidt Pinceel, terwijl hij de ene na de andere stockageruimte opent.

20210407 archeologie 12
© Belga
| Geduldig zoeken en graven in de bouwput van Parking 58 leverde tienduizenden vondsten op.

De oogst is gigantisch: tienduizenden dierlijke botten, scherven aardewerk en stukken metaal. Het gaat om wapens, kraantjes, schrijfmateriaal, sleutels, pelgrimsinsignes, dobbelstenen, schaakstukken, slachtafval, drinkschalen, bloempotten, visfuiken, specerijen, verfstoffen, restanten van tropisch hout, heipalen, lederen schoenen of eetbakjes voor zangvogels. En om niets over het hoofd te zien, vulde het archeologische team nog eens een honderdtal emmers met aarde vol met microscopisch materiaal. “De bacteriën, pollen en plantenresten die we daarin zullen terugvinden, informeren ons bijvoorbeeld over de hygiëneomstandigheden en de evolutie van het stadslandschap.”

1748 Archeologie parking 58 Ann Degraeve in depot
© Saskia Vanderstichele
| In het depot wordt alles opgeslagen en genummerd, zo laat verantwoordelijke Ann Degraeve zien.

“Het gaat om een van de grootste opgravingen ooit in het Brussels gewest,” zegt Ann Degraeve, de verantwoordelijke voor het departement archeologisch erfgoed van Urban.Brussels. “We zijn zeker nog vijf jaar zoet met de technische analyse. De resultaten zijn nog niet afgetoetst aan de geschreven historische bronnen, maar toch zitten we op een scharniermoment, waarbij we in alle voorzichtigheid alvast enkele hogere inzichten durven te poneren.” Dat de opgravingen ons erg veel over het dagelijkse leven in het middeleeuwse Brussel zullen leren, staat vast. Maar wat vertellen ze ons nu al over de stadsontwikkeling?

Het ontstaan van Brussel

De stukken die van voor de negende eeuw dateren, zijn te gering in aantal om te besluiten dat er rond dit deel van de Zenne al activiteiten waren. Daar zijn zowel Ann Degraeve als haar collega's archeologen Julie Timmermans en Valerie Ghesquière het over eens. Het gaat vooral om Gallo-Romeinse, Merovingische en Karolingische scherven aardewerk. Licht materiaal dat waarschijnlijk door de stroming van elders werd aangevoerd. Anderlecht behoort tot de opties.

1748 Archeologie parking 58 Jef Pinceel met klotendolk
© Saskia Vanderstichele
| Jef Pinceel toont een met kiezelstenen en mosselschelpen bedekte ‘klotendolk’ uit de vijftiende eeuw.

Pas vanaf de tiende en elfde eeuw zijn de vondsten talrijker. Dat matcht met de eerste geschreven bron die rond het jaar 1000 over Brosella (Brussel) en een portus (een aanlegplaats langs de Zenne) spreekt. “We kunnen we nu met zekerheid beweren dat er rond die tijd een permanente bewoning was,” zegt Julie Timmermans.

Tot diep in de twintigste eeuw linkten generaties historici de portus aan het bestaan van een 'kasteel', even verderop stroomopwaarts, ter hoogte van het huidige Sint-Goriksplein. Van daaruit zou Brussel zijn ontstaan. Al dertig jaar wordt die veronderstelling sterk in twijfel getrokken. De moderne geschiedschrijving over het ontstaan van de stad vertrekt nu veel meer vanuit het vermoeden van verschillende bewoningskernen die uiteindelijk naar elkaar zijn toegegroeid. Daarbij is men trouwens steeds meer geneigd om een eerste kasteel meteen op de Koudenberg, dus op de huidige Kunstberg, te situeren. Maar de Zennehaven kan nu in elk geval wel als een van die oerplekken van Brussel worden beschouwd. “Er was een markteconomie aanwezig die het pure agrarische niveau oversteeg,” vervolgt Timmermans. “Meer nog, we vonden er keramiek uit de regio Keulen terug, wat wijst op internationale handel.”

1748 Archeologie parking 58 kelder Labo Urban Brussels skelet Julie Timmermans
© Saskia Vanderstichele
| Alle vondsten worden schoongemaakt, genummerd en gedateerd. Archeologe Julie Timmermans diept enkele dierlijke botten op.

Pronkstuk

Een opgegraven pronkstuk uit die tijd is een laattiende-eeuwse molensteen. Zeshonderd kilo zwaar, peperduur en waarschijnlijk bij het laden of het lossen van een boot per ongeluk in het water gevallen. “We weten dat het gesteente niet uit de lokale steengroeves komt,” aldus An Degraeve. “Zowel de materie als de vorm wijst mogelijk opnieuw in de richting van de regio Keulen. We kunnen hoe dan ook zeggen dat er rond het jaar 1000 in de haven kwaliteitsproducten passeren, die bovendien gelinkt zijn aan complexe (politieke) organisatievormen. Molens bouwen was immers het voorrecht van de machthebbers.”

In afwachting van verdere analyse houden de archeologen zich liever op de vlakte. ULB-professor-emeritus Claire Billen en auteur Roel Jacobs associëren die molensteen alvast met een andere zeldzame geschreven bron uit die periode, de zogenoemde schenking van dame Angela. Die had haar domein in Sint-Pieters-Leeuw weggeschonken aan het aartsbisdom Keulen. Het document spreekt niet alleen over graan dat vanuit de Zennehaven naar het Rijnland werd verscheept, ook over molenstenen. “Het zou weleens kunnen dat Brussel in de handel van molenstenen een schakel was tussen het Rijnland en het Maasbekken enerzijds, en Vlaanderen anderzijds,” aldus Billen. “Vlaanderen had geen hard gesteente en was afhankelijk van import uit het oosten.”

1748 Archeologie parking 58 kelder houten heipalen Labo Urban Brussels
© Saskia Vanderstichele
| Bij de opgravingen werden heel kleine, maar ook erg grote vondsten gedaan: hier enkele houten hei palen die boven werden gehaald.

Een andere opmerkelijke vondst voert ons naar de dertiende eeuw. Het gaat om een dubbele rij van palen die met puin is opgevuld. Ze diende om de oevers van de Zennehaven te versterken. “Die verstevigingswerken duiden op een haven in ontwikkeling,” zegt Valerie Ghesquière. “Als de overslag van goederen toeneemt, heb je een aangepaste infrastructuur nodig, en dus een rivierbedding die niet geregeld van plaats verschuift. De boten konden gemakkelijker aanmeren en door de waterloop te controleren, kwamen in de directe omgeving terreinen vrij. Dat kan dan weer leiden tot de verdichting van de stad.”

Ook hier blijft de archeologische ploeg voorzichtig met al te snelle conclusies. Maar zouden we die ontdekking niet kunnen koppelen aan het baanbrekende werk van ULB-historica Chloé Deligne? Zij stelt dat de stad al vanaf de twaalfde eeuw overging tot grote waterhuishoudingswerken. Zo zou de Zenne zijn omgeleid om rond het huidige Sint-Goriks- en het Anneessens­plein respectievelijk een groot en een klein eiland te creëren. Langs die artificiële vertakkingen konden vervolgens verschillende hertogelijke molens worden gebouwd.

1748 Archeologie parking 58 Ann Degraeve hoofd van dienst archeologisch erfgoed
© Saskia Vanderstichele
| Ann Degraeve, hoofd van dienst archeologisch erfgoed

In elk geval past de oeverversterking van de Zennehaven in het grotere plaatje van een belangrijke stad in opmars. De eerste omwalling wordt gebouwd. De lakenproductie staat op het punt van een internationale doorbraak. Er is een handelsbourgeoisie aanwezig die via opstanden politieke invloed tracht te verwerven. En ook het ambachtswezen is al in hoge mate georganiseerd. Dat laatste wordt door een unieke vondst extra bevestigd. “We vonden op de site van Parking 58 voor het eerst in Brussel een grote hoeveelheid gele amber terug,” vertelt Ann Degraeve. “Die gefossiliseerde hars van naaldbomen is afkomstig uit de Baltische regio en werd gebruikt voor de vervaardiging van sieraden. De teruggevonden stukjes wijzen duidelijk op weggeworpen productieafval. Er moet dus een atelier geweest zijn en dat onderstreept de ambachtelijke status van Brussel. Amber was een luxeproduct. Je zit dus duidelijk in een rijke stad.”

Die motoriek valt niet stil, zo blijkt uit teruggevonden fragmenten van een stenen kademuur van het einde van de veertiende eeuw, of anders uit de vijftiende eeuw. “Toen ging het om een echte kanalisering van de rivier,” zegt Ann Degraeve. “De diepe graafwerken moeten indrukwekkend geweest zijn. Ze duiden op een haven waarvan de organisatie steeds complexer en moderner wordt. Door de hoge muur kon men boten voortaan gemakkelijker lossen. In de kade was ook een hellend vlak geïntegreerd om de schuiten op het droge te trekken.”

Daarna stopt het verhaal. Door de afzetting van slib verhoogde de bodem van de Zenne. De hogere zestiende-eeuwse lagen verdwenen in de jaren 1870 door de bouw van de voormalige Centrale Hallen en nadien van de Parking 58. Na de sloop van de parking konden Brusselaars twee jaar lang genieten van een fantastisch ruimtegevoel tussen de Anspachlaan en de Oude Graanmarkt. Ondertussen is het administratief gebouw Brucity bijna klaar. Of hoe de ene mastodont werd vervangen door de andere.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?